filmstillgalore
Aan het begin van de coronalockdown van 2020 ben ik begonnen met het elke dag op facebook plaatsen van een filmstill, vergezeld door een (meestal korte) beschrijving. Om dit projectje een wat minder vluchtige status te geven zet ik ze hier op een rijtje, in alfabetische volgorde, waarbij ik meestal de internationale titel hanteer bij films uit landen met een taal die bij ons wat minder vaak over de lippen komt.
De lijst waaraan ik meermaals refereer vind je op de home page.
De hier geplaatste stills vallen binnen 3 categorieën:
1/ de 10 beste films aller tijden (die zijn genummerd)
2/ de 31 films die ex aequo op nummer 11 staan
3/ een in principe eindeloze lijst van films die in mijn herinnering zijn blijven hangen, films die ik onlangs gezien heb, op tv of netflix of uit mijn eigen collectie, en waarover ik iets te zeggen heb, of wanneer de actualiteit er aanleiding toe geeft. Ook films die ik zag tijdens de 20 keer dat ik het Filmfestival Rotterdam heb bezocht gaan hier hun plaats vinden. Omdat die stukjes in een heel andere context geschreven zijn (zie voor meer hierover deze pagina) zijn ze ook iets anders van karakter.
In de oorspronkelijke reeks ging het om de foto en gaf ik er summiere informatie bij. Toen die "klaar" was ging ik door met "duidingen" (geen recensies) met uitgebreidere teksten van de films die ik recent zag.
Enkele statistieken over mijn oorspronkelijke lockdownfilmstillreeks. Ik heb toen in totaal 136 stills geplaatst van films uit 30 verschillende landen. Europa was de grootste leverancier, met 55 films, daarna het hele Amerikaanse continent met 46. De rest kwam uit Azië en Afrika. De landen down under ontbreken tot mijn verbazing, maar dat had net zo goed anders kunnen zijn. Landen met meer dan 5 films in de lijst zijn (natuurlijk) de VS, verder Frankrijk, Italië, Engeland, Duitsland, China, Iran en Japan. Senegal en de Sovjet Unie blijven steken op 4.
Per decennium:
34 uit 2000,
21 uit 1990,
17 uit 1970,
14 uit 1960,
12 uit 1980,
11 uit 1940,
10 uit 1950,
10 uit 2010,
5 uit 1930,
1 uit 1920.
Bij het opzetten van deze site, speciaal voor de filmstills omdat ik bij mijn oorspronkelijke site https://tejomerkus.wixsite.com/lectuur qua opslagruimte aan mijn max van 500MB zat, heb ik opnieuw geteld en zit nu op 343 titels in totaal. Het blijkt wat betreft de herkomst van de films relatief geen verschil te maken, behalve dat Australië en Nieuw-Zeeland nu wel vertegenwoordigd zijn. Wel zijn de verhoudingen tussen de decennia veranderd. De meeste films zijn nu uit
de jaren 2010 (89), gevolgd door
de jaren 70 (54),
de jaren 2000 (50),
de jaren 90 (37),
de jaren 60 (32),
de jaren 80 (26),
de jaren 50 (21),
de jaren 40 (15),
de jaren 2020 (13)
de jaren 30 (9) en
de jaren 1920 (1).
Inmiddels naderen we, halverwege 2026, het aantal van 1000 titels.
Op de volgende pagina's vind je de filstillgalore:
recente toevoegingen zijn:
Ik herinnerde me niets meer van AS TEARS GO BY, het debuut van Wong Kar-wai uit 1988, dus tijd om deze weer eens te kijken. Het speelt zich af in Kowloon en Lantau, allebei deel van Hong Kong. Ah Wah (Andy Lau) is een kleine crimineel, die verbonden is aan een bende waar de onderlinge concurrentie moordend is, op het letterlijke af. Zijn “kleine broer” Fly (Jackie Cheung) wil zich bewijzen, wil naam maken en daagt daarbij de anderen voortdurend uit, met soms bijna fatale gevolgen. Ah Wah moet telkens voor hem in de bres springen. Wanneer zijn nicht Ah Ngor (de nog zeer jonge maar wel al betoverende Maggie Cheung) hem bezoekt en ze verliefd op elkaar worden begint Ah Wah te dromen van een ander bestaan, van liefde en zonder hectiek en geweld de dag doorbrengen, maar zijn loyaliteit naar Fly zit in de weg. AS TEARS GO BY is een rauwe, bij vlagen erg gewelddadige film, waarin soms al het camerawerk doorschemert dat Wong in latere films met Christopher Doyle zal uitwerken en perfectioneren: vreemde kleurstellingen, hectiek, stop motion (alsof de camera de hik heeft). Er zit een scène in die ik me goed herinnerde, hoewel ik dacht dat deze in Wong Kar-wai’s volgende film DAYS OF BEING WILD zat (waarin overigens hetzelfde trio meespeelt): het moment waarop Ah Ngor en Ah Wah bij de bushalte afscheid van elkaar nemen, en zij zich realiseert dat ze hem nooit meer zal zien, eindigend met een minutenlange close up van haar gezicht, waarover uiteindelijk een traan stroomt. Een moment van intense treurigheid die diep in de ziel snijdt.
zie ook bij MEAN STREETS, die de inspiratie vormde voor deze film.
Maar als ik abusievelijk dacht dat de mooiste scène uit AS TEARS GO BY in Wong Kar-wai’s volgende film DAYS OF BEING WILD uit 1990 zat, waar gaat die laatste film dan echt over? De zo betreurde Leslie Cheung speelt Yuddie, een mooie jongen die niets uitvoert, opgevoed is door een prostitué die weet dat de ouderdom toeslaat en ze niet lang meer in het vak zal kunnen blijven maar hem weigert te vertellen wie zijn echte moeder is, en die zijn vriendinnen slecht behandelt, tegen hen mooie praatjes verkoopt maar hen dumpt als ze zich willen binden. Dat gaat eerst zo met de schuchtere Su Li-zhen (Maggie Cheung), die in een voetbalstadion werkt, en daarna met de brutale nachtclubdanseres Mimi (Carina Lau). Andy Lau speelt de politieagent die verliefd wordt op Su Li-zhen wanneer ze haar hart bij hem uitstort over hoe ongelukkig ze is, maar hij wordt matroos en komt later op de Filipijnen Yuddie tegen, die daar op zoek is naar zijn moeder. DAYS OF BEING WILD is wellicht de meest deprimerende film van Wong, alles is in koud groen opgenomen, het regent voortdurend, humor ontbreekt totaal, de eenzaamheid is absoluut en het noodlot niemand gunstig gezind. In de laatste scène introduceert de film Chow Mo-wan (Tony Leung Chiu-wai), zo een brug slaand met IN THE MOOD FOR LOVE, waar hij een personage met dezelfde naam speelt, dat verliefd wordt op Su Li-zhen (opnieuw Maggie Cheung). Ook spelen ze met die naam allebei in 2046, maar dat is feitelijk het vervolg op IN THE MOOD FOR LOVE. Of het bij DAYS OF BEING WILD om dezelfde personages gaat wordt niet duidelijk, maar in 2046 verschijnt ook Carina Lau weer als Mimi. Ik wil weten of ik indertijd het verband tussen deze film en de andere twee gemist heb, dus ziet het ernaaruit dat de komende tijd veel Wong Kar-wai in mijn speler te vinden zal zijn, maar dat is geenszins een straf.
In 2046 van Wong Kar-wai uit 2004 volgen we Chow Mo-wan (Tony Leung Chiu-wai) direct na de gebeurtenissen van IN THE MOOD FOR LOVE, maar vóór de eindscène in Phnom Penh, die zich later afspeelt, in 1972. Chow komt terug uit Singapore en betrekt een kamer in een hotel in Hongkong. Hij is geen journalist meer maar schrijft erotische verhaaltjes, en leidt een leven als gokker (net als in DAYS OF BEING WILD) en houdt er veel vriendinnetjes op na. Hij wordt vaste klant van Bai Ling (Zhang Ziyi), een prostituée die in dezelfde stijl gekleed gaat als Su Li-zhen in IN THE MOOD FOR LOVE, en naast hem in kamer 2046 verblijft, en ze krijgen een relatie, maar zij maakt het uit omdat ze jaloers is op zijn andere vrouwen en eist trouw van hem. Wang Jing-wen (Faye Wong) is de dochter van de hoteleigenaar, is verliefd op een Japanner en leert de taal. Voor haar schrijft Chow een science fiction roman, waarvan scènes binnen de film gevisualiseerd worden. Wanneer zij definitief naar Japan is vertrokken denkt Chow terug aan zijn tijd in Singapore, waar hij een relatie had met professioneel gokker Su Li-zhen (Gong Li), misschien wel omdat ze dezelfde naam had als zijn verloren geliefde Su Li-zhen (Maggie Cheung), zo mooi verbeeld in IN THE MOOD FOR LOVE. Daarin werd gesuggereerd dat hun relatie strikt platonisch bleef, maar dat blijkt nu geenszins het geval te zijn geweest. De scènes met Mimi, die zich nu Loulou noemt (Carina Lau), verbinden 2046 met DAYS OF BEING WILD, maar het is nog steeds niet duidelijk of de door Maggie Cheung gespeelde Su Li-zhen uit DAYS OF BEING WILD dezelfde is als die uit IN THE MOOD FOR LOVE. In 2046 zit ze maar in één scène, een herinnering. Ondanks de weerbarstige constructie is als puntje bij paaltje komt 2046 een visueel verbluffende reflectie op de verloren geliefde, een zoektocht naar de verloren tijd. Liefde is een hopeloze onderneming en leidt slechts tot ontgoocheling. Via zijn nieuwe levensstijl, zijn herinneringen en het sciencefictionverhaal wil Chow afrekenen met het verleden, maar hij blijft een gevangene van datzelfde verleden. Dat wordt treffend uitgedrukt door de androids (opnieuw Faye Wong en Carina Lau), die niet in staat zijn het moment zelf te ervaren maar er pas later, al reflecterend, op kunnen reageren en de erbij passende emoties vertonen. Net als in CHUNGKING EXPRESS steelt Faye Wong de show, ondanks de aanwezigheid van China’s vrouwelijk topacteertalent (Wong Kar-wai is een echte vrouwenregisseur), terwijl voor Faye Wong acteren altijd maar een bijbaantje is geweest, naast haar zeer succesvolle zangcarrière.
2046 was Wong Kar-wai’s laatste samenwerking met Christopher Doyle, die, op AS TEARS GO BY na, bij al zijn films de camera hanteerde. Misschien waardeer ik persoonlijk CHUNGKING EXPRESS hoger, maar 2046 is Wong Kar-wai’s meesterwerk, zijn pièce de résistance.
Toen de film in de theaters kwam (ik had zelfs de gelegenheid een voorpremière bij te wonen) heb ik hem niet gekeken. Ik had DAMNATION al gezien en was bang dat de ruim 7 uur van wat de Hongaarse filmmaker Béla Tarr ons zou voorschotelen te veel zou zijn voor mij, dus liet ik in 1994 ergens rond kerstmis SÁTÁNTANGÓ aan me voorbijgaan. Ik heb hem inmiddels wel op dvd en nam me voor dat ik de film zou kijken tijdens een hittegolf. Ik was niet van plan om hem aan één stuk te kijken, de film werd uitgebracht met 2 officiële pauzes, en staat dus op 3 schijfjes. Als je zo'n lange film in één lange sessie kijkt word je erin ondergedompeld, word je als het ware in het gepresenteerde universum gezogen en raak je in een soort roes, vandaar het idee om het tijdens een hittegolf te doen; ook dan bestaat een bepaalde eenheid van omstandig-heden. En het contrast natuurlijk met de grauwe regen in zwart-wit die je al die uren over je heen gestort krijgt. De film speelt zich af in een soort kolchoz die sterk in verval is. De koeien zijn verkocht en het geld gaat verdeeld worden onder de bewoners. Hoe weinig samenhang er is tussen de mensen wordt duidelijk wanneer twee van hen plannen er met al het geld vandoor te gaan, en de rest in de stront te laten zakken, in dit geval zo goed als letterlijk. Maar dan komt een vroegere bewoner terug, van wie iedereen dacht dat hij dood was. In een gloedvol betoog legt hij de vinger op hun pijnlijke plekken en belooft hun gouden bergen als ze hem al het geld geven. Hij doet zich voor als een soort Jezus, lijkt ook op hem, maar is een politiespion die moet onderzoeken of en waar en bij wie gevaar dreigt voor de staat. De film speelt zich af in drie dagen en kent hoofdstukken van ongeveer een half uur met lang aangehouden shots van soms wel 10 minuten, waarin telkens iemand anders uit deze desintegrerende gemeenschap gevolgd wordt. Het is geen gemeenschap meer, maar een verzameling illusieloze en apathische individuen met verlopen koppen die hun tijd in ledigheid en met heel erg veel alcohol doorbrengen. Het is een en al treurigheid, modder en regen. Het sterkste en moeilijkst te verteren hoofdstuk gaat over een meisje van tien, dat beseft dat de jeugd allerminst de toekomst heeft, net zo min als de generaties boven haar. Het gesol met de kat is niet om aan te zien, en Tarr moest om de film in Engeland vertoond te krijgen bewijzen dat het dier niets was aangedaan. Het ziet er dan ook erg echt uit. Al met al was het een goede keuze om de film tijdens deze dagen van uitzonderlijke hitte te kijken. Het werd zo een bijzondere kijkervaring die bijblijft. En hoe lang is 7 uur en een kwartier überhaupt?
Mary Anning was in het begin van de negentiende eeuw een belangrijke paleontoloog en fossielenzoekster aan de Zuid-Engelse kust. Tijdens haar leven kreeg ze er niet de erkenning voor, mannelijke collega's aan wie ze de fossielen verkocht om te overleven, gingen met de eer strijken. In de verder volkomen fictieve film AMMONITE uit 2020 van Francis Lee wordt ze gespeeld door Kate Winslet. Ze wordt neergezet als een stugge, stuurse, in zichzelf gekeerde vrouw die met haar moeder (Gemma Jones) een winkeltje runt waarin schelpen worden verkocht. De geoloog en paleontoloog Murchison draagt de zorgen voor zijn zieke vrouw Charlotte (Saoirse Ronan) over aan Mary wanneer hij naar het buitenland gaat om onderzoek te doen. Charlotte is depressief en krijgt ook nog hoge koorts. Mary zorgt voor haar en langzaam ontstaat een band tussen hen. Wat heet, ze worden verliefd op elkaar. De hele film is in grauw grijs, groen en blauw geschoten, maar als hun liefde opbloeit wordt tijdens intieme scènes warm geel en rood aan het palet toegevoegd. Opmerkelijk dat wanneer Mary voor een potje zalf bij een vroegere geliefde terechtkomt, gespeeld door Fiona Shaw, die scène ook kleurrijk geschoten is, met bloeiende bloemen. De film is verwant aan PORTRAIT DE LA JEUNE FILLE EN FEU van Céline Sciamma, die een jaar eerder uitkwam, maar wordt totaal anders uitgewerkt. AMMONITE is directer, veel minder filosofisch, en gaat vooral over hoe mensen zich tot elkaar verhouden, zonder dat er veel gesproken wordt. Het zet de mensenschuwe bijna autistische Mary tegenover de mondaine stadse Charlotte. De laatste kwijnde weg onder het gebrek aan aandacht en komt nu weer volop tot leven; de eerste zit te diep in haar schulp om nog echt te veranderen. Winslet en Ronan spelen hun rol ingetogen, met veel onderhuids gevoel.
De Japanse-Britse Nobelprijswinnende schrijver Kazuo Ishiguro schreef een nieuw scenario op de film IKIRU van Akira Kurosawa uit 1952 en verplaatste de handeling naar het Londen van de jaren vijftig. Oliver Hermanus regisseerde het in 2022 als LIVING, met Bill Nighy als de al op leeftijd zijnde gemeenteambtenaar Mr. Williams die, net als alle anderen, de kantjes ervanaf loopt en kampioen is in het van het kastje naar de muur sturen van burgers die iets gerealiseerd proberen te krijgen, zoals de drie moeders die een speelplek voor hun kinderen willen. Dan krijgt hij te horen dat hij nog maar kort te leven heeft. Hij komt tot het besef dat hij nooit echt geleefd heeft en besluit de laatste maanden van zijn leven plezier te hebben, te leven en, uiteindelijk, iets na te laten. Hij komt niet meer opdagen op werk, verkent met een gemankeerde schrijver het nachtleven en ruilt zijn bolhoed in voor een fedora, maar echt leven gaat hij pas als hij toevallig een ex-collega tegenkomt, de nog jonge Ms. Harris (Aimee Lou Wood), die hem altijd spottend Mister Zombie noemde. Voor het eerst sinds zijn jeugd maakt hij werkelijk verbinding met een ander persoon, iets wat zelfs met zijn inwonende zoon en schoondochter niet het geval is. Nighy speelt zijn rol gereserveerd, aarzelend, met diepe doorleefdheid, en het is misschien lekker gemakkelijk om hem tegenover de warme en levendige Wood te plaatsen, maar het werkt wel want het is geen effectbejag. Hij gaat terug naar zijn werk, maar alleen om met wilskracht en doorzettingsvermogen de kinderspeelplaats eindelijk gerealiseerd te krijgen. Dat is zijn nalatenschap. Wat me opviel was hoe gemakkelijk de Japanse setting verplaatst kon worden naar de Engelse, bijna één op één; de omgangsvormen zijn bijna identiek. LIVING is, net als IKIRU, een diep humane film geworden die aan jou zelf, zeker als je ook op leeftijd begint te raken, relevante vragen stelt.
Om films goed met elkaar te kunnen vergelijken moet je ze kort na elkaar zien, dus na eergisteren LIVING (zie aldaar voor het verhaal) gezien te hebben haalde ik het origineel IKIRU uit 1952 van de Japanse regisseur Kurosawa Akira uit de kast. De nieuwe versie duurt bijna drie kwartier korter maar volgt de oude vrij secuur op de voet. Het origineel geeft meer achtergrond over het verleden van kantoorklerk Watanabe Kanji (Shimura Takashi), waardoor het verhaal extra diepgang krijgt, en is maatschappijkritischer. Ook de overpeinzingen en terugblikken van de collega's na zijn dood komen uitgebreider aan bod. Verder een compliment voor de casting van LIVING want Aimee Lou Wood lijkt uiterlijk heel veel op Odagiri Miki als Toyo; wel is Toyo een stuk assertiever in haar houding tegenover Watanabe. Voor de hedendaagse kijker is vanwege de modernere acteerstijl en de, hoewel in de jaren vijftig gesitueerde, niettemin herkenbaardere look LIVING misschien wat beter te behappen maar uiteindelijk heeft IKIRU als vertelling en als film meer te bieden. Zelf beschouwde Kurosawa dit als zijn beste film.
Zo ongeveer de eerste film in het subgenre dat bekend zou worden als blaxploitation was COTTON COMES TO HARLEM uit 1970 van Ossie Davis, die we vooral kennen als acteur in heel veel Spike Lee films, vaak samen met zijn vrouw, actrice Ruby Dee, met wie hij van 1948 tot aan zijn dood in 2005 getrouwd was. De twee zwarte politieagenten Grave Digger Jones (Godfrey Cambridge) en Coffin Ed Johnson (Raymond St. Jacques) zitten achter dominee Deke O'Mally (Calvin Lockhart) aan, die bij de arme zwarte bewoners overal in de VS geld inzamelt voor een Terug Naar Afrika campagne. De agenten verdenken de dominee ervan een oplichter te zijn, terwijl de dominee zichzelf voordoet als een nieuwe Marcus Garvey. Zelfs wanneer O'Malley tijdens een rally onder hun ogen beroofd wordt denken ze dat er opzet in het spel is en dat O'Malley samenwerkt met de maffia. We hebben zwart zelfbewustzijn, eigenzinnige zwarte agenten die door de witte leiding niet vertrouwd worden, de ene bedachtzaam, de ander opvliegend van aard, en werkend volgens het principe “het konijn wordt gevangen door de vos en de vos wordt gevangen door de wolf”, opkomen voor de eigen gemeenschap, schiet- en vechtpartijen, auto-achtervolgingen, de verleidelijke vrouw voor wie zelfs de witte man onherroepelijk valt (hier gespeeld door Judy Pace, in die tijd vaak de mooiste vrouw op aarde genoemd, wat je een klap in het gezicht kon opleveren omdat ze gewaardeerd wilde worden als de goede actrice die ze was; ze overleed eerder dit jaar) en veel humor, waarbij zelfspot geenszins wordt geschuwd. Je ziet, alle blaxploitation vinkjes kunnen afgestreept worden. Ondanks het niet erg strakke scenario een erg genietbare film.
De Poolse cineast Krzysztof Kieślowski werd in de jaren tachtig tot halverwege de jaren negentig, toen hij op vijfenvijftigjarige leeftijd aan een hartaanval stierf, als een van de belangrijkste Europese regisseurs beschouwd. Zijn laatste project was een trilogie over de waarden van de Franse vlag. Deel 1, TROIS COULEURS: BLEU, over vrijheid, kwam uit in 1993 en heeft Juliette Binoche in de rol van Julie, die bij een auto-ongeluk haar man en haar dochter verliest, terwijl ze het zelf overleeft. Ze doet radicaal afstand van alles wat haar aan het verleden herinnert en gaat ergens anders in Parijs in volledige anonimiteit leven, helemaal niets doend. Haar man Patrice was een belangrijke componist, die bezig was aan een symfonie voor de Europese eenheid; zelf leverde ze ook belangrijke bijdrages aan zijn werk. Omdat hun assistent Olivier (Benoît Régent) van plan is de compositie af te maken wordt ze haar oude leven weer ingetrokken. Juliette Binoche schittert in wat bijna een one-woman show is, en je ziet haar langzaam weer tot leven komen. Het verhaal is nogal geconstrueerd, zoals eigenlijk alle films van Kieślowski, maar dat hindert nauwelijks. Wat wel enorm afbreuk doet aan de film is de pregnant aanwezige muziek, fragmenten van Patrice's onvoltooide werk, in werkelijkheid gecomponeerd door Zbigniew Preisner, achterhaalde neoromantiek van een derderangs Beethoven. Emmanuelle Riva heeft een klein maar prachtig rolletje als Julies demente moeder.
Na BLEU pakt Krzysztof Kieślowski het bij het tweede deel van zijn TROIS COULEURS trilogie, BLANC uit 1994, over gelijkheid, heel anders aan, hij maakt er een komedie van. De sullige Poolse kapper Karol (Zbigniew Zamachowski) is getrouwd met de cynische Franse kapster Dominique (Julie Delpy), maar speelt sinds hun huwelijk op fysiek vlak niets meer klaar, dus sleept ze hem voor de rechter om te scheiden. Hij vindt dat er geen sprake is van gelijkheid is, omdat hij een buitenlander is die de taal niet goed spreekt en hem de tijd niet wordt gegeven, maar zij is genadeloos. Hij gaat terug naar Polen en zet een ingenieus en omslachtig plan in werking om wraak op haar te nemen. Nu hij terug is in zijn eigen land, waar hij de taal spreekt en de zeden en wetten kent, blijkt Karol helemaal niet zo bleu en naïef te zijn, en hij weet op geslepen wijze in korte tijd steenrijk te worden. Dan laat hij in zijn testament al zijn geld na aan Dominique, om haar bij zijn dood, die hij vervolgens fingeert, naar Polen te lokken en daar toe te slaan. BLANC is heel wat minder gedragen en werkt prima als cynische komedie, vooral dankzij het geweldige spel van Zamachowski die met verve zowel de onnozelaar uithangt als de sluwe zakenman speelt maar niet zo cynisch blijkt te zijn als het plan dat hij heeft uitgewerkt.
Bij zijn TROIS COULEURS trilogie bewaarde de Poolse regisseur Krzysztof Kieślowski het beste voor het laatst, want ROUGE uit 1994, over broederschap, steekt met kop en schouders uit boven de eerdere delen. Door onze moderne manieren van communicatie is de sociale cohesie verdwenen. Let wel, dat beweert hij hier in 1994, voor de tijd van internet en smartphones. Er wordt in de film voortdurend getelefoneerd en toch leeft men langs elkaar heen. Het jonge fotomodel Valentine (Irène Jacob) rijdt per ongeluk een hond aan en komt zo in contact met de eigenaar, een rechter in ruste (Jean-Louis Trintignant), een misantroop die de telefoons van de buren afluistert om voor zichzelf bevestigd te krijgen hoe miserabel het met de mensheid gesteld is. Ze laat haar afkeuring duidelijk blijken en dat zet bij hem iets in beweging. Er ontstaat een zekere verstandhouding tussen hen en ze praten langdurig en diepgaand over allerlei dingen, zoals de zaken in zijn verleden als rechter die hem gevormd hebben, met als gevolg dat zij wat minder naïef wordt en hij wat minder bitter. Terwijl in de vorige delen telkens slechts één persoon centraal stond, gaat het hier juist om de interactie, elkaar in de ogen kijkend, tussen twee personen, gelukkig gespeeld door Jacob en Trintignant, die allebei een sublieme vertolking neerzetten. In alle drie de delen zit een scène waarin een oude, kromme vrouw probeert een fles in een glasbak te deponeren, maar ze kan niet bij de opening. Kijken de hoofdpersonages in BLEU en BLANC slechts toe, in ROUGE gaat Valentine haar helpen. Kennelijk heeft Kieślowski zoveel vertrouwen in de mensheid dat hij bij de scheepsramp op het laatst zijn hoofdrolspelers uit de trilogie, die allemaal op de boot zitten, laat overleven. Het was zijn laatste film. Hij had naar eigen zeggen alles verteld wat hij te vertellen had, en was vermoeid. Nog geen twee jaar later stierf hij aan een hartaanval.
Een verzekeringsagent (Griffith Jones) heeft zich voor een zaak in de gevangenis laten opsluiten. Wanneer hij vrijkomt wacht een mooi blondje (Zena Marshall) hem op en vraagt hem om een gunst. Hij hapt toe en voordat hij het doorheeft wordt hij gezocht voor moord. Hij ontvlucht de plaats delict en het is nu aan hem en aan zijn baas (Hazel Court) om de zaak te ontrafelen. Was THE SCARLET WEB uit 1954 een Amerikaanse film geweest hadden we wellicht naar een cynische film noir gekeken, maar de film is Engels en hun benadering is door en door ironisch en met name Jones speelt zijn rol zo tongue-in-cheek dat de angel eruit wordt gehaald.
THE BIG COUNTRY van William Wyler uit 1958 is een western van bijna epische proporties in technicolor en handelt over James McKay, een geciviliseerde voormalige scheepskapitein uit Baltimore, die naar de ranch komt van zijn verloofde Patricia (Caroll Baker) in het verre westen. Haar vader Henry Terrill (Charles Bickford) staat op voet van oorlog met een familie in de buurt, de Hannassey's, onder leiding van patriarch Rufus (Burl Ives); vooral diens zoon Buck (Chuck Connors) bezorgt veel overlast. Het conflict gaat over de toegang van het vee tot een stuk land waar water is, in bezit van onderwijzeres Julie (Jean Simmons). Al meteen in het begin maakt Henry aan James duidelijk dat de Hannassey's uitschot zijn die uitgeroeid moeten worden. Hij houdt er een oud-testamentische moraal op na zodat de vredelievende James meteen tegenover zijn aanstaande schoonvader komt te staan. En tegenover zijn verloofde. Vanaf dat moment zie ik een parallel met Israël. Dat laat me niet meer los en ik bekijk de hele film als een metafoor, met de Hannassey's als de Palestijnen. In deze metafoor is James de Verenigde Naties en vertegenwoordigt Julie de Arabische buurlanden. Het valt op dat zij twee de enigen zijn die vriendelijk, zelfs vriendschappelijk omgaan met het Mexicaanse personeel. Henry, en met hem Patricia en hun voorman Steve Leech (Charlton Heston), denkt dat ze de beschaving in het westen vertegenwoordigen, James weet wel beter, Julie stiekem ook, en in werkelijkheid zit er nota bene in Rufus veel meer wijsheid en gevoel voor rechtvaardigheid. Ik kan deze vergelijking redelijk goed volhouden tot aan de slotscène, en zo zie je maar weer dat bij herzien een film in een heel ander licht kan komen te staan. Los van dat alles, en zonder deze er nooit door Wyler zelf ingelegde metafoor, blijft THE BIG COUNTRY een mijlpaal in de geschiedenis van de western, en nog steeds een genot om naar te kijken. Fantastisch om te zien dat Wyler in zo'n episch werk met een mythisch, bijna Bijbels onderwerp zich kan blijven concentreren op de personages zelf, en aandacht blijft hebben voor wat hen motiveert, zelfs het eigenlijke thema van de film maakt. De uitmuntende cast maakt dat in elk geval een stuk gemakkelijker.
De ondraaglijke leegheid van het bestaan, in elk geval voor de superrijken en gepriviligeerden, zo kun je de Zweedse film TRIANGLE OF SADNESS uit 2022 van Ruben Östlund in één zin samenvatten. Een satirische aanval op het kapitalisme. Dan ben je eigenlijk al ver in mijn waardering voor een film, ik heb zelfs in mijn nog uit te komen boek De Vogel Met Hoogtevrees aandacht aan het onderwerp besteed. Toch weet Östlund er, net als bij zijn vorige films, een vervelende film van te maken, vol ongemakkelijke ruzies die nergens over gaan, een overbodige en mislukte poging om LA GRANDE BOUFFE van Ferreri naar de kroon te steken, en LORD OF THE FLIES voor volwassenen om het geheel af te sluiten. Dat juist dan de enige die de slechts paar overlevenden in leven kan houden de Filipijnse toiletjuffrouw (Dolly de Leon) is, omdat zij alleen de benodigde kwaliteiten als vuur maken en vis vangen bezit, is ironie ten top, maar wel waar natuurlijk. De bedoelingen zijn goed, de boodschap is sympathiek, de uitwerking te dik erbovenop liggend, te grof en te gemakkelijk. Woody Harrelson speelt een grappige rol als de marxistische, altijd dronken kapitein van het cruiseschip, Iris Berben een vrouw die alleen maar In die Wolken zeggen kan; hoofdrolspeelster Charlbi Dean (links op de foto) overleed kort na de opnames aan een bacteriële infectie.
LA PEAU DOUCE is een film van François Truffaut uit 1964, waarin Pierre Lachenais (Jean Desailly) een literatuurcriticus is die met vrouw (Nelly Benedetti) en dochtertje (Sabine Haudepin, die meermaals met Truffaut zou samenwerken) in Parijs woont. We zijn in Frankrijk, het enige land ter wereld waar een droge literatuurcriticus een sterrenstatus kan hebben, zelfs aanbeden wordt door jonge meisjes. Hij reist door heel Europa om lezingen te geven. Terugkomend van Lissabon, waar hij gesproken heeft over Balzac en zijn financiën, wordt hij verliefd op de stewardess Nicole (Françoise Dorléac), die ook in Parijs woont. Hij begint een affaire met haar, die vanaf het begin ongemakkelijk verloopt en vele hindernissen kent, bijvoorbeeld omdat hij niet in het openbaar met haar gezien wil worden, maar vooral vanwege het enorme verschil tussen hen: zij is veel jonger, levendiger en maar een eenvoudig meisje, niet op zoek naar een serieuze verbintenis op de lange termijn. Toch wordt hij zo verliefd op haar dat hij wil scheiden. Zijn vrouw vindt echter foto's van haar man met Nicole en is hem voor. Natuurlijk was het Truffauts opzet om een sterke maar kleurloze acteur als Desailly voor de hoofdrol te kiezen, maar hij steekt wel erg bleek af tegenover de ravissante Dorléac. Nogmaals, dat was natuurlijk precies de intentie en het werkt uitstekend, maar het maakt deze fijnzinnige nouvelle vague komedie, die op scèneniveau vaak verrast door een detail, een blik, een klein handeling, laten we eerlijk zijn, ook wat saai.
Blijkbaar had ik het een en ander gemist want ik had na TO THE WONDER uit 2012 geen film meer gezien van Terrence Malick, wist niet eens dat hij er gemaakt had. A HIDDEN LIFE uit 2019 sluit echter precies aan op de stijl die hij altijd al gehanteerd heeft, uitgezonderd zijn debuut BADLANDS uit 1973. A HIDDEN LIFE gaat over het leven van Franz Jägerstätter (August Diehl), een Oostenrijkse boer die in de tijd na de Anschluss samen met zijn vrouw Fani (Valerie Pachner) en haar zus Resi (Maria Simon) en drie kleine dochters een vrij zorgeloos leven leidt. Ze zijn overduidelijk gelukkig. Maar dan moet Franz onder de wapenen, want het is oorlog. Hij weigert, omdat het in zijn ogen een onrechtvaardige oorlog is en hij vertikt het de eed te zweren aan Hitler. Hij komt in de gevangenis. Het dorp keert zich tegen zijn familie. Alleen Fani's vader en de molenaar blijven ze aan hun zijde vinden. Hun liefde voor elkaar en hun geloof houdt hen op de been, en de overtuiging dat het beter is te lijden dan leed te berokkenen. Via hun voice over horen we de brieven die ze aan elkaar schrijven, maar ook hun overpeinzingen. Zoals gewoonlijk hanteert Malick door de hele film heen een dromerige doch gedragen stijl, gebruikt hij nagenoeg uitsluitend natuurlijk licht, ook bij de binnenscènes, en is de camera vrijwel voortdurend in beweging, maar zeer traag, met in de voice over filosofische bespiegelingen. Ook speelt de natuur weer een overweldigende rol, maar was het koren goudgeel in DAYS OF HEAVEN (1978), nu is het aards groen. Franz wordt voortdurend voorgehouden dat zijn actie (in feite het ontbreken ervan) geen enkele impact heeft op wie of wat dan ook, behalve op hem en zijn familie, en dat het daarom beter is toe te geven, maar hij blijft trouw aan zichzelf, en dat is, ook gezien het citaat van George Eliot op het einde, wat er werkelijk toe doet. De film is precies op de plek opgenomen waar Jägerstätter en zijn gezin echt gewoond hebben en zijn dochters hebben de opnames van de film bijgewoond. Wel jammer dat in de film Engels gesproken wordt, hoewel de cast vrijwel geheel Duitstalig is. Het was Bruno Ganz' laatste filmrol. Johan Leysen heeft ook nog een fijn bijrolletje.
Op het einde van zijn carrière greep regisseur Robert Altman met GOSFORD PARK (2001) weer terug op ensemblefilms, en dat was een terugkeer in vorm na het miserabele DR. T AND THE WOMEN (maar wat wil je met Richard Gere in de hoofdrol, die behoudens DAYS OF HEAVEN vroeg in zijn carrière bijna garant staat voor slechte films). GOSFORD PARK speelt zich af ergens in de jaren dertig op een Engels kasteel, waar Sir William McCordle (Michael Gambon) en Lady Sylvia McCordle (Kristin Scott Thomas) selecte gasten ontvangen voor een weekendje jagen. Onder hen een Amerikaanse filmproducer Morris Weisman (Bob Balaban, van wie het idee voor deze film kwam), die er inspiratie wil opdoen voor een film die hij in zo'n milieu gaat maken. Er zijn drie lagen, zoals gewoon in de Britse klassenmaatschappij: de adellijke gasten, hun persoonlijk personeel en het vaste personeel van het kasteel. Er wordt over en weer volop geroddeld, er zijn veel geheimen tussen elkaar en verledens waar niemand weet van heeft. Ze hebben één overeenkomst: iedereen haat Sir William, en heeft er reden toe. Precies wat Weisman aan het diner als het plot van de film uitlegt, gebeurt: Sir William wordt vermoord en er zijn veel verdachten. Aan de sullig overkomende politie-inspecteur Thompson (Stephen Fry) de taak om de dader te ontmaskeren. De film zit werkelijk boordevol bekende Britse en Ierse acteurs en actrices, teveel om op te noemen. Ik licht er eentje uit, Kelly Macdonald als Mary, de persoonlijke bediende van de snobistische tante van Lady Sylvia, Constance (Maggie Smith); ze lost puur observerend de moord op. Met haar zwaar maar bevallige Schotse accent en haar ingetogen spel dat onderhuids vuur verbergt is Macdonald zoals gewoonlijk onweerstaanbaar.
RETURN TO DUST (YIN RU CHEN YAN) is een Chinese film uit 2022 van Li Ruijun. Zijn vaste hoofdrolspeler Wu Renlin speelt IJzer, de Vierde Broer, na Goud, Zilver en Brons. Hij is een ambitieloos keuterboertje en een last voor de familie. Hij wordt gekoppeld aan Guiying (Hai-Qing), een timide vrouw die mank loopt, een tremor in de hand heeft, onvruchtbaar is en incontinent, dus een last voor haar familie. Ze zitten met elkaar opgescheept maar hij maakt er het beste van; zij doet niet veel. Hij werkt hard, met behulp van zijn ezel, en zorgt voor haar. Er wordt nauwelijks gesproken. Toch groeit er langzaam genegenheid tussen hen. Door zijn zorgzaamheid bloeit Guiying op, ze wordt actiever, gaat ook voor hem zorgen, en er verschijnt zowaar af en toe een glimlach op haar lippen. Ze leven in een harmonieuze relatie. Wanneer ze in het kader van de vooruitgang gedwongen worden te verhuizen bouwen ze eigenhandig een nieuw huis naast hun akker. Helaas is de film geen sprookje. Regisseur Li Ruijun observeert het tweetal rustig en objectief, als fly-on-the-wall, neemt bijna een documentaire-achtige positie in en vermijdt elk greintje sentimentaliteit. Hij maakt zo een werkelijk prachtige film over ware, onbaatzuchtige liefde, een film die diep raakt, zelfs als het slechts een voorzichtige glimlach betreft. Films zijn meestal spielerei, deze beroert echter de essentie van ons mens-zijn.
Helemaal aan het begin van mijn filmhuistijd was de Braziliaanse film DONA FLOR E SEUS DOS MARIDOS uit 1976, van Bruno Baretto en met Sônja Braga in de titelrol, een groot succes. Een aantal jaar later maken ze opnieuw samen een film, gebaseerd op de succesvolle telenovela Gabriela waarin Braga ook de titelrol had vervuld. GABRIELA, CARVO E CANELA uit 1983 speelt zich af in een klein dorp in Bahia, in het noordoosten van Brazilië, in 1925. Het dorp wordt geregeerd door een paar gepensioneerde kolonels, maar die krijgen steeds meer tegenstand van een jongere generatie, die de stad wil opstoten in de vaart der volkeren. Nacib (Marcello Mastroianni) runt er een pub en is op zoek naar een nieuwe kok. Tussen een groepje dat de droogte van de binnenlanden ontvlucht is ziet hij een wel erg mooie vrouw. Hij vraagt haar of ze kan koken, ze zegt 'ja' en hij neemt haar mee. Gabriela is inderdaad een goede kok maar ze is vooral een spectaculaire verschijning, zo vinden in elk geval alle mannen van het dorp. Naci krijgt echter een vurige relatie met haar. Met al die concurrentie wil hij haar aan zich binden en jawel, ze trouwen. Maar dan verdwijnt ook het vuur uit hun liefdesleven. Ze scheiden en hun liefdesleven bloeit weer op. GABRIELA is een zeer matige liefdeskomedie met een licht maatschappijkritische inslag en moet het vooral hebben van al de pracht die Braga heet; ze zou een jaar later internationaal echt doorbreken met KISS OF THE SPIDER WOMAN.
Advocaat Linda Westinghouse (Ewa Strömberg) werkt bij de dependance van een verzekeringsmaatschappij in Istanbul. Ze heeft terugkerende erotische dromen over een vrouw. Haar psyichiater raadt haar aan een betere minnaar te zoeken. Om een vreemde nalatenschap te onderzoeken wordt ze naar het Aziatische deel van Turkije gestuurd, om nadere informatie te vragen aan deze gravin Nadine Carody (Soledad Miranda, hier onder de naam Susann Korda). Bizar genoeg is deze gravin dezelfde vrouw als die in Linda's dromen. Ze is de erfgenaam van Dracula en heeft in werkelijkheid Linda gelokt om haar in haar invloedssfeer trekken. VAMPYROS LESBOS uit 1970 is een erotische horrorfilm van veelfilmer Jesús (Jess) Franco (hier regisserend onder het pseudoniem Franco Manera) waar het origineel van Bram Stoker duidelijk herkenbaar in is verwerkt, al dan niet als antithese. Het is volgens een filmvriend de beste film ooit gemaakt. Dat ben ik totaal niet met hem eens maar het is wel de beste film van Franco die ik gezien heb. Dat zijn er zo'n tien, dus dat zegt niks want is slechts een fractie van de films die de man op zijn naam heeft (of op dat van een van zijn pseudoniemen), veel meer nog dan 150. De supermooie Soledad Miranda was al een bekend actrice in Spanje. In de film CERVANTES stond ze tegenover Gina Lollobrigida, die het merendeel van de scènes met Miranda uit de film liet knippen omdat ze zich geïntimideerd voelde door haar talent en schoonheid. Toen ze Franco's muze werd maakten ze samen in een jaar tijd iets van zes films, totdat zij stierf in een auto-ongeluk. Ze wordt vaak niet in het rijtje genoemd maar behoort ook tot de Club van 27. Zelf speelt Franco zoals vaak in zijn eigen films een rolletje als engerd, een rol die hem vanwege zijn uiterlijk het beste past. Fun fact: het uiterlijk van Yoda uit STAR WARS is naar hem gemodelleerd. De film heeft een erg sterke jazzy psychedelische originele muziekscore, met veel orgel, gitaar en sitar.
UNA LUCERCOLA CON LA PELLE DI DONNA (LIZARD IN A WOMAN'S SKIN) is een giallo uit 1971 van Lucio Fulci. Carol Hammond (Florinda Bolkan) is de dochter van een advocaat (Leo Genn) en ook getrouwd met een advocaat (Jean Sorel), in Londen. Ze heeft vreemde dromen over haar vrijgevochten buurvrouw Julia (Anita Strindberg), die in haar appartement seks- en drugsorgies geeft. In een ervan vermoordt Carol de buurvrouw, en enige tijd later wordt deze op precies dezelfde manier, tot op het kleinste detail nauwkeurig, vermoord. Carol gaat ernstig aan zichzelf twijfelen, maar de met de zaak belaste politieagent (Stanley Baker) denkt dat ze onschuldig is. Tenslotte heeft ze de droom in haar dagboek opgeschreven, dat haar stiefdochter heeft gelezen, en heeft ze deze aan haar psychiater verteld, die er bandopnames van heeft. Maar wat doen die hippies, die in haar droom getuige waren van haar misdaad, dan in het echt, haar intimiderend en bedreigend? In UNA LUCERCOLA CON LA PELLE DI DONNA veegt Fulci de vloer aan met zowel hippies als bourgeoisie, twee zijdes van dezelfde hypocriete medaille en hij doet dat op kleurrijke wijze, met bizarre scènes, vreemde locaties, een warrig plot en dito ontknoping. Maar wel spannend af en toe en erg onderhoudend. Voor de mensen die bij de titel meteen aan een vroeg voorbeeld van de huidige complotgekte denken: het is slechts iets wat een door drugs verwarde man zegt. Inderdaad, precies hetzelfde als die complotwappies van tegenwoordig.
In het begin van ECOLOGIA DEL DELITTO uit 1971 van Mario Bava ligt de baai er zo idyllisch en vredig bij. De gravin (Isa Miranda) die de baai en de oevers ervan bezit wil dat zo houden. Haar man denkt er anders over. In feite denken heel veel mensen er anders over, van familie tot omwonenden tot projectontwikkelaars. De gravin wordt als eerste vermoord, zo goed als ieder ander volgt, inclusief vier toevallig passerende tieners die in een van de huizen een feestje willen bouwen. Bava was een belangrijk figuur in de Italiaanse film, het startpunt in de ontwikkeling van genrefilms als de giallo. Deze film, ook bekend onder de Engelse titel BAY OF BLOOD, kan gezien worden als het startpunt en de blauwdruk van de slasherhorror (en bevat al elementen als 'het meisje dat naakt gaat zwemmen en vermoord wordt'). Dat is het belang van deze film, want Bava heeft betere gemaakt. Moraal van het verhaal: laat je kinderen nooit achter in een caravan met een geladen geweer. We herkennen Claudine Auger als de gravins stiefdochter en Laura Betti als de waarzeggende buurvrouw van de gravin.
Mengde de Senegalese acteur en regisseur Mati Diop in haar geweldige speelfilm ATLANTIQUE al verschillende genres, met de verbluffende documentaire DAHOMEY (2024) flikt ze hetzelfde. Het gaat over het door Frankrijk teruggeven van enkele door hen uit Benin geroofde kunstwerken (26 van de 3000), maar het is opgezet als een reeks poëtische en existentiële overpeinzingen van de kunstwerken zelf in een voice over, samengesteld door heel veel stemmen die klinken als één. Het wordt bijna een spookachtig geheel, zelfs als je de nauwgezette voorbereidingen van het transport aan het bekijken bent. De beelden van oude koningen en goden vragen zich af of ze nog wel thuishoren in een door de eeuwen heen zo veranderd land. Ze zijn ervan vervreemd, letterlijk ontheemd, al worden ze met veel vrolijkheid en feestelijkheden verwelkomd in het land waar ze vandaan komen en thuishoren. Tijdens het tweede deel zien we een discussie onder studenten over de waarde van deze teruggave. Is het feit dat Frankrijk er maar zo weinig teruggeeft niet een belediging? Kan Benins maatschappelijke infrastructuur de verantwoordelijkheid ervoor wel aan? Wat is de waarde van deze beelden als het merendeel van het volk niet genoeg te eten heeft, en geen geld om vanuit afgelegen streken de musea te bezoeken? Keert met de beelden (een deel van) de ziel van het volk terug? En nog veel meer legitieme vragen, waarop uiteraard geen sluitend antwoord op te geven valt, al moeten dergelijke discussies uiteraard gevoerd worden. Een documentaire verpakt als een complex impressionistisch gedicht dat essentiële vragen stelt over de ziel van een volk, en dat in nauwelijks meer dan 1 uur. Overweldigend en briljant.
Beginnend schrijver Brian (David Duchovny) is geobsedeerd door moorden gepleegd door psychopaten. Samen met zijn vriendin, fotografe Carrie (Michelle Forbes), besluit hij dwars door Amerika te rijden om beruchte moordplekken te bezoeken. Met zijn teksten en haar foto's zou hier een boek uit moeten komen. Om de kosten te drukken plaatsen ze een advertentie om iemand mee te nemen. Dat worden nu niet bepaald mensen die ze aanvankelijk voor ogen hadden: white trash koppel Early (Brad Pitt) en Adele (Juliette Lewis). Adele is een naïeve domme gans, Early een onberekenbare gast. Terwijl een bromance ontstaat tussen de twee mannen, ontdekt Carrie door gesprekjes met Adele wat voor vlees ze met Early in de kuip hebben. Zonder dat de anderen het in de gaten hebben laat Early op deze trip door Amerika op weg naar Californië een spoor van lijken achter. KALIFORNIA van Dominic Sena kwam uit in 1993, en is een typisch voorbeeld van de nouvelle violence hype die destijds in de Amerikaanse maar ook Europese film huishield. Ook stond de film redelijk aan het begin van de 'serial killer' rage. De hoofdrolspelers waren nog geen sterren maar wel al bekende gezichten, Pitt van THELMA AND LOUISE en A RIVER RUNS THROUGH IT, Duchovny van Twin Peaks, Lewis van CAPE FEAR en Forbes van Star Trek: The Next Generation. Terwijl Duchovny zijn rol een beetje kleurloos speelt, overtuigt Lewis door haar personage als een even dom en irritant als aandoenlijk kindvrouwtje neer te zetten, en terwijl Pitt te opzichtig zijn best doet om de white trash psychopaat uit te hangen om geloofwaardig over te kunnen komen, komt alles uiteindelijk neer op Forbes, die met de juiste mix van dedain en betrokkenheid de eerste is die onraad ruikt en de enige die het hoofd koel houdt.
Seydou is zestien en woont in Senegal in een dorp, samen met zijn moeder, die weduwe is, en een stuk of vijf jongere zusjes, in een hut met twee kamers. Hij zit op school en hoewel hij geen slecht leven leidt is er weinig tot geen perspectief. Samen met zijn neef Moussa spaart hij geld om naar Europa te gaan. Hij wil zijn familie een fatsoenlijk onderkomen geven en dat is de manier om het gedaan te krijgen. Iedereen waarschuwt hen, Europa is niet zo idyllisch als het op de sociale media wordt voorgesteld, er leven mensen op straat, de reis erheen is levensgevaarlijk, letterlijk, maar de droom om een wereldberoemd rapper te worden en voor zijn familie te zorgen is te groot. We volgen hen als ze met anderen dwars door de Sahara reizen naar Lybië, vanwaar ze de overtocht naar Italië zullen gaan maken. De Sahara is meedogenloos, en zo zijn de mensen die hen erdoorheen leiden, maar dat is nog niets vergeleken bij de bendes die de grensgebieden van Lybië onveilig maken. De “gelukszoekers” worden gemarteld en gedood voor een klein beetje geld, en als slaaf verkocht. Met IO CAPITANO (2023) laat de Italiaanse regisseur Matteo Garrone (GOMORRA) het perspectief zien van degenen die hun thuis ontvluchten voor een betere toekomst, die we dagelijks op het nieuws zien wanneer ze op gammele bootjes de Europese kusten bereiken, of die dagelijks op de Middellandse Zee verdrinken, de dobbernegers zoals onze fascistische parlementariër Nanninga van JA21 ze noemt. Om het niet zozeer vanuit zijn eigen Europese perspectief te vertellen sprak Garrone met talloze vluchtelingen en stelde zo dit specifieke verhaal samen. Seydou is een mooie jongen met een enorm groot hart en onwrikbaar optimisme en dat is misschien soms een beetje teveel van het goede, maar er moet contrast zijn met de gruwelijke ellende die degenen die de overtocht naar Europa wagen meemaken, een positief ijkpunt als het ware. Op de foto droomt Seydou dat hij de vrouw, die hij ondanks verwoede pogingen om haar weer op de been te helpen in de Sahara heeft moeten achterlaten, alsnog redt. Iedereen moet voordat hij weer begint over vluchtelingen, gelukszoekers en veilige-landers eerst deze film kijken voor een wat evenwichtiger en menselijker perspectief.
Frida (Naomie Ackie) en Jess (Alia Shawkat) zijn vriendinnen en werken bij de catering van een bijeenkomst van een groot tech-bedrijf, geleid door Slater (Channing Tatum), op wie Frida een oogje heeft. Tot haar verbazing is Slater ook gecharmeerd van haar en hij nodigt beiden uit om mee te gaan feesten op zijn privé eiland. Daar gaat het los, met drank en drug en uitgelezen maaltijden. Onder de andere gasten herkennen we Christian Slater, Haley Joel Osment, Geena Davis en Levon Hawke (omdat hij sprekend lijkt op grote zus Maya). Op een gegeven moment begint Jess zich ongemakkelijk te voelen, alsof iets niet klopt. Ook Frida had al een vreemde ontmoeting met de vrouw die als taak heeft de slangen op het eiland te doden. En dan is Jess opeens verdwenen, maar behalve Frida herinnert niemand zich Jess, alsof ze er helemaal niet is geweest. En we komen er langzaam achter waarom we wel flirten gezien hebben maar verder geen seks. Met haar regiedebuut BLINK TWICE (2024) schiet actrice Zoë Kravitz, dochter van Lisa Bonet, meteen in de roos. Ze bouwt de film langzaam op, van alledaags tot het lege vertier van de superrijken, en dan wordt het steeds vreemder, ongrijpbaarder, akeliger, om te eindigen als een volbloed slasher. O, nee, er is nog een staartje, dat alles weer op losse schroeven zet. Het uitstekende acteerwerk doet de rest. Ook Kyle MacLachlan doet nog eventjes mee. En dat Kravitz wel degelijk relevant maatschappelijke thema's in de film verwerkt maakt het meer dan alleen maar prima horrorvermaak. Met andere woorden, de film zal niet gewaardeerd worden door oude witte mannen die al over de rooie gaan van Sophie Straat, al zouden juist zij de film moeten kijken, voor wat perspectief zeg maar. En de film schreeuwt als het ware 'Release the Epstein Files'.
Ooit was Elisabeth Sparkle (Demi Moore) een gevierd actrice maar nu wordt ze zelfs te oud bevonden om het ochtendfitnessprogramma op tv nog langer te presenteren. Ze ontdekt een middel waardoor ze in tweeën gesplitst wordt: zij zelf en een jonge versie van haar. Ze moeten elkaar in een nauw vastgestelde cyclus afwisselen, als de ene actief is moet de andere regenereren. Dat gaat goed, haar jonge ik Sue (Margaret Qually) krijgt zelfs haar eigen oude baan en maakt er zo'n gigantisch succes van dat ze een nationale beroemdheid wordt. Sue wil het leven ten volle leven en neemt het niet zo nauw met de cycli. Dat heeft echter afgrijselijke gevolgen. Met een verhaal dat niet misplaatst zou zijn in een jaren 50 B-film horror (denk bv aan THE WASP WOMAN van Roger Corman maar ook films met Lugosi of Karloff als gekke geleerde komen in herinnering, hoewel in deze film de gekke geleerde nagenoeg ontbreekt en slechts een afgemeten stem is) levert de Franse regisseur Coralie Fargeat in het strak vormgegeven THE SUBSTANCE (2024) kritiek op het gegeven dat oudere vrouwen er niet meer toe doen en vervangen dienen te worden door frisse jonge nieuwe gezichten (en lijven). Zo willen de producers en de geldschieters het, allemaal witte mannen op leeftijd, hier vooral vertegenwoordigd door Dennis Quaid, een personage waarmee Fargeat haar eigen ruiten ingooit want door er zo'n karikatuur van te maken ondergraaft ze vanaf het begin het serieuze en steekhoudende thema van de film. Wat doet Quaid er trouwens bij, deze boodschap moet hem als trouw aanhanger van Trump immers behoorlijk tegen de borst stuiten? Wanneer we bij het bodyhorrordeel aanbelanden, duidelijk geïnspireerd door David Cronenbergs THE FLY, verdwijnt de maatschappelijk relevante laag naar de achtergrond. De film eindigt in een bloedfontein waarbij vergeleken CARRIE een bescheiden sneetje bij het scheren wordt. Er was alom lof voor Demi Moore, en terecht want ze zet een uitstekende prestatie neer, maar vervolgens vallen veel van hen door de mand omdat ze wat de film wil vertellen ongegeneerd bevestigen: ze roemen Moore namelijk om het lef dat ze heeft om haar 60 jaar oude lichaam naakt te laten zien. Alleen al het blootleggen van dergelijke hypocrisie geeft de film bestaansrecht. Buiten dat prima horrorvermaak maar THE SUBSTANCE legt het in het aan de kaak stellen van maatschappelijke misstanden ontegenzeggelijk af tegen BLINK TWICE uit hetzelfde jaar, dat ik een dag eerder zag. Als film ook, trouwens.
TORI ET LOKITA uit 2022 van de Belgische regisseurbroers Jean-Pierre en Luc Dardenne vertelt op de hun bekende sociaal-realistische, bijna documentair aandoende wijze het verhaal, dat zich ook nu in Séraing afspeelt, van de 11-jarige Tori (Pablo Schils) en de 16-jarige Lokita (Joely Mbundu). Hij komt uit Benin, zij uit Kameroen en ze hebben elkaar op de boot op weg naar Italië leren kennen en voelen zich broer en zus. Hij krijgt wel een verblijfsvergunning, zij echter niet. Ze houden zich in leven met het afleveren van drugs van restauranthouder Betim (Alban Ukaj). Ze krijgen er een habbekrats en wat foccaccia voor. Niet genoeg om van te leven, degene te betalen die hen het land in gesmokkeld heeft en geld naar Lokita's moeder te sturen nodig om haar broertjes naar school te kunnen laten gaan. Om ook nog een vals identiteitsbewijs voor Lokita te kunnen betalen gaat ze als 'tuinier' in Betims wietplantage werken, waar ze opgesloten, zonder buitenlucht te zien en zonder enig contact met de buitenwereld, dag en nacht verblijft. Tori vindt een manier om haar toch te zien. Dan eten ze samen en zingen ze samen en zijn gewoon samen. Dat maakt de uitbuiting en de vernederingen en het seksuele misbruik voor eventjes draaglijk. De manier waarop Tori en Lokita met elkaar omgaan, voor elkaar opkomen, onvoorwaardelijk van elkaar houden (wat Goethe Wahlverwandtschaft noemde) maken deze intens kwaadmakende film draaglijk maar voorkomt niet dat je als empathische kijker stevige klappen te verwerken krijgt die behoorlijk nadreunen. Ik voel ze een dag later nog steeds. Joely Mbundu lijkt sindsdien een carrière als actrice op te bouwen, ze is onder andere ook in de volgende film van de Dardenne-broers te zien; we zien misschien wel de nieuwe Déborah François of Émilie Dequenne, twee bekend geworden actrices die ook bij de broers debuteerden.
Susan Moore (Viveca Lindfors) is de agent van singer-songwriter Caroll Barber (Keith Carradine), wiens liedjes opgenomen worden door Eric Wood (Richard Baskin, de echte liedjesschrijver). Als Baskin zijn liedjes zingt is het vreselijk, de man heeft een lelijke onvaste stem en abominabele timing, als Carradine dezelfde liedjes zingt raken ze je, dus het origineel (in de filmcontext) is beter dan de vertolking, die in werkelijkheid juist het origineel is. Rudolph had hier Harry Nilsson voor moeten inhuren, dat was wat ik voortdurend dacht. Of was dat opzet en heeft hij er een bedoeling mee? Moore schakelt makelaar Ann Goode (Sally Kellerman) in voor een appartement voor Carroll en die levert er meteen haar huishoudster bij, Linda (Sissy Spacek), die meteen maar intrekt. Carrolls vader is een rijke zakenman wiens werk in feite gedaan wordt door Ken Hood (Harvey Keitel), die in een gecompliceerd huwelijk zit met Karen (Geraldine Chaplin). De directiesecretaresse wordt gespeeld door Diahnne Abbott, in haar eerste echte rol, en de rol van zijn vaders maîtresse en fotograaf Nona door Lauren Hutton. Op het einde heeft Carroll met alle genoemde vrouwen een onenightstand gehad, behalve met Susan, die er juist zo wanhopig naar verlangt. WELCOME TO L.A. uit 1976 is de eerste film van betekenis van scenarist/ regisseur Alan Rudolph, protegé van Robert Altman, die de film produceerde. Het is een portret van het lege betekenisloze bestaan, waarbij alleen Karen werkelijk substantie heeft. Er wordt door iedereen ook op een verveelde manier geacteerd, wat waarschijnlijk juist Rudolphs opdracht was, en knap om dat met zo'n sterrencast voor elkaar te krijgen. Ook hier is, naast Spacek, Chaplin de enige die zich aan de lamlendigheid onttrekt, en aldus de film naar zich toetrekt. Beiden zijn niet voor niets de enigen die zich open en bloot tonen, letterlijk en metaforisch. Laat in de film laat Ken Hood trouwens ook zijn masker vallen en toont emoties. In de beginscène kijkt Karen in de camera en spreekt de kijker toe; in het eindshot kijkt Carroll recht de camera in. Later zal Rudolph regelmatig met Keith Carradine samenwerken. Zijn bekendste films zijn CHOOSE ME, TROUBLE IN MIND, MRS PARKER & THE VICIOUS CIRCLE en AFTERGLOW.
In het noordwesten van de VS leeft aan de kust een dorp van de zalm. Een groot concern wil er een conservenfabriek bouwen. Zij beloven niet alleen werkgelegenheid maar ook grotere zalmen, dankzij het werk van wetenschapper Susan Drake (Ann Turkel), die bij de presentatie van de plannen aanwezig is in het dorp. Er is wat verzet, vooral van de lokale Indianen, vertegenwoordigd door slechts een man, Johnny Eagle (Anthony Pena), daar weten echter de fervente voorstanders, tegelijkertijd rabiate racisten onder aanvoering van Slattery (Vic Morrow), wel een oplossing voor: ze gooien een molotovcocktail in Johnny Eagles huis en branden het af. Maar de film heet niet voor niets HUMANOIDS FROM THE DEEP dus dat is maar een sideplot. De film werd in 1980 geregisseerd door Barbara Peeters, gespecialiseerd in low budget films en vaak samenwerkend met Roger Corman. Wetenschapper Drake heeft namelijk met DNA zitten knoeien om de zalmen groter te maken en dat genetisch gemanipuleerde spul is per ongeluk in de open zee terechtgekomen. Het gevolg is dat het dorp belaagd wordt door uit coelacanten geëvolueerde mensachtige vissen die het vooral gemunt hebben op jonge meisjes, en opmerkelijk genoeg de techniek geperfectioneerd hebben om hen meteen van hun kleding te ontdoen. Als de monsterlijke vismensen het dorp tijdens het jaarlijkse Zalmfestival aanvallen wordt Slattery door hen belaagd, en gered door Johnny Eagle, dat dan weer wel. Heerlijk ranzig onzinvermaak.
De in Anchorage gestationeerde legerkapitein Patrick Hendry (Kenneth Toby) wordt naar een wetenschappelijk station op de Noordpool gestuurd, omdat daar iets vreemds gesignaleerd is, en sindsdien navigatie afwijkt. Ook zijn liefje Nikki (Margaret Sheridan) werkt er. Ze vinden er een groot gesmolten en opnieuw bevroren gat waarin zich een vliegende schotel bevindt. Er wordt ook een bemanningslid gevonden, een reusachtig haarloos wezen (James Arness). Ze hakken hem met ijs en al uit en brengen hem naar het station, voor meer onderzoek. Ze komen erachter dat het een hoogst intelligent wezen van een andere planeet moet zijn, die volledig plantaardig is. Een soldaat die de wacht houdt krijgt de kriebels van het wezen en gooit een deken over de blok ijs, niet wetend dat het een elektrische deken is die aanstaat. Het ijs ontdooit en het wezen komt vrij, om dood en verderf te zaaien op het station, want hij voedt zich met bloed. THE THING FROM ANOTHER WORLD komt uit 1951, een tijd dat de Koude Oorlog definitief losgebarsten was en het Amerikaanse publiek geobsedeerd was geraakt door vliegende schotels. De film is geregisseerd door Christian Nyby, een protegé van Howard Hawks, die de film produceerde en, zo gingen de geruchten, zelf een stevig potje meeregisseerde. Het is een goed gemaakte, claustrofobische science fiction horror, die eigenlijk draait om het conflict tussen militaire spierballen en wetenschappelijk onderzoek, hier vertegenwoordigd door doctor Carrington (Robert Cornthwaite, die vrijwel altijd een wetenschapper speelde) die met het wezen wil communiceren en ervan wil leren. Hoewel dat onmogelijk is gemaakt door een domme militaire actie blijft Carrington volharden in zijn wetenschappelijke missie. De film bevat veel fouten (eenvoudige ramen met glas en een decoratief gordijntje ervoor midden op de Noordpool, om maar iets te noemen) maar werd een invloedrijke film, later opnieuw gemaakt door John Carpenter, en nog steeds het af en toe opnieuw bekijken waard. De slotwoorden van de film “Keep watching the skies!” zal een iconische uitroep worden.
QUO VADIS, AIDA? uit 2020 van de uit Sarajevo afkomstige Jasmina Zbanic, die eerder al het zeer indrukwekkende GRBAVICA maakte, gaat over de val van Srebrenica. Er was financiering uit twaalf verschillende landen nodig om de film gerealiseerd te krijgen, waaronder Bosnië-Herzegovina en Nederland, maar gelukkig merk je er niets van en is het geen Europudding geworden. Het is Zbanics stem die doorklinkt in de verfilming van de grootste gruweldaad die in Europa sinds WOII heeft plaatsgevonden. Zbanic zet Aida (Jasna Đuričić) in het middelpunt, als tolk van de Nederlandse blauwhelmen tegenover de lokale bevolking, en tegenover de Bosnische Serviërs. We zien de onmacht en lafheid en het vasthouden aan protocollen bij kolonel Karremans (Johan Heldenbergh) en majoor Francken (Raymond Thiry) en we zien de arrogante koele wreedheid van kolonel Mladić (Boris Isakovic, in het echt getrouwd met Đuričić) en zijn soldaten. We zien de mensen in bussen afgevoerd worden en een zekere, gruwelijke dood tegemoet gaan. 8.373 mensen, vrijwel uitsluitend moslims, worden vermoord tijdens deze genocide. We zien hoe Aida wanhopig probeert haar man en zonen te redden, want ze weet wat er gebeuren gaat, terwijl de blauwhelmen vasthouden aan de garanties van Mladić dat iedereen naar veilig gebied gebracht wordt. De film is gebaseerd op een boek van Hasan Nuhanović, de echte tolk van de Nederlandse bevelhebbers daar en, aangezien alles zeer authentiek overkomt en overeenkomt met wat we weten wat toen gebeurd is, zal dus niet ver bezijden de waarheid zijn. Hoop kunnen we putten uit de eindscène, waarin enkele jaren later Aida weer lesgeeft in Srebrenica, zelfs aan de zoon van de Bosnisch-Servische ouders die haar oude huis ingenomen hebben. We zien de ouders van haar leerlingen, een gemêleerd gezelschap van moslims en Serviërs. En omdat Aida gespeeld wordt door een Servische actrice. Een indrukwekkende film, die laat zien waar al die moslimhaat toe kan leiden.
Effi gaat vreemd met Crampas (Uli Lommel)
FONTANE EFFI BRIEST uit 1974 is alleen maar herkenbaar als een film van de Duitse regisseur Rainer Werner Fassbinde vanwege de cast, omdat we veel namen met hem associëren: Hanna Schygulla, Wolfgang Schenk, Uli Lommel, Lilo Pempeit, Karlheinz Böhm, Irm Hermann, Eva Mattes, Hark Bohm en Barbara Valentin. Je zou kunnen zeggen dat als Theodor Fontane, op wiens boek de film gebaseerd is, eind 19e eeuw al een geluidsfilm had kunnen maken de film er zo uitgezien zou hebben: stijf, naturalistisch, afstandelijk, emotieloos, literair, statisch en verzorgd zwart-wit. Zowel de personages als de voice over (Fassbinder zelf) spreken voornamelijk in negentiende-eeuwse literaire volzinnen. Effi Briest is pas 17 als ze trouwt met de veel oudere baron Instetten, die in zijn jonge jaren haar moeder nog het hof gemaakt heeft. Hij is een ambitieuze en plichtsgetrouwe overheidsdienaar en verpersoonlijking van de Pruisische maatschappij: koud, liefdeloos, plichtbewust. De levendige en avontuurlijke Effi voelt het benauwde keurslijf van wat van haar verwacht wordt (en vooral wat juist niet!) steeds strakker om zich heen gespannen worden. Bovendien verveelt ze zich. Ze gaat vreemd met een vriend van haar man. Zeven jaar nadien ontdekt Instetten het overspel van toen, maar al wil hij niet, plichtsbesef en eer noodt hem deze Crampas tot een duel uit te dagen, en Effi te verstoten, waardoor ze nog verder wegkwijnt. Effi Briest past in het rijtje Madame Bovary, Anna Karenina, Eline Vere. Schygulla kwam door deze film in conflict met Fassbinder, omdat ze Effi veel levendiger wilde portretteren, als contrast met alles en iedereen om haar heen, maar Fassbinder hield vast aan zijn visie en het thema, zoals uitgedrukt in de volledige titel: FONTANE EFFI BRIEST ODER VIELE, DIE EINE AHNUNG HABEN VON IHREN MÖGLICHKEITEN UND IHREN BEDÜRFNISSEN UND TROTZDEM DAS HERRSCHENDE SYSTEM IN IHREM KOPF AKZEPTIEREN DURCH IHRE TATEN UND ES SOMIT FESTIGEN UND DURCHAUS BESTÄTIGEN. De film toont Fassbinders enorme veelzijdigheid en vakmanschap, maar je moet er wel voor in de stemming zijn.
Meestal zijn de films van Terry Gilliam een wilde rit van tomeloze fantasie vol macabere humor, en dat geldt zeker voor zijn dystopische inktzwarte komedie BRAZIL (1985), waarin de eenvoudige ambitieloze ambtenaar Sam Lowrey (Jonathan Pryce) 's nachts ontsnapt aan de bureaucratische en totaal inefficiënte dictatoriale Big Brother consumptiemaatschappij, natuurlijk met een pregnant aanwezig ministerie van informatie, om te dromen dat hij een superheld met vleugels is die een jonge vrouw redt uit de armen en uit de kooi van een gigantische robotsamourai. Nadat een geplette kever de overheidsmachinerie gesaboteerd heeft en de verkeerde man aangehouden is voor terrorisme ontdekt Sam dat het meisje uit zijn dromen echt bestaat, het bovenbuurmeisje van de verkeerde man, Jill Layton (Kim Greist), die omdat ze protesteert zelf verdacht wordt van de terroristische bomaanslagen die voortdurend gepleegd worden. Nu moet hij haar in het echte leven beschermen tegen de verpletterende klauwen van zijn eigen ministerie en raakt vervolgens zelf verstrikt in het overheidsweb. De film is simpelweg krankzinnig absurd en bizar, je weet nooit wat er op het volgende moment gaat gebeuren, wel zien we veel elementen in veel van zijn latere films terugkomen, vooral in THE FISHER KING. Zijn ongebreidelde fantasie weet Gilliam uiteindelijk redelijk onder controle te houden zodat we naar een coherent opgebouwd verhaal zitten te kijken met een heldere boodschap. En daar word je niet vrolijk van. Verder met Robert De Niro, Michael Palin, Ian Holm, Jim Broadbent en Bob Hoskins.
Kort na WOII wil een Amerikaanse voormalige majoor een leger van onzichtbare soldaten opbouwen. Hij heeft daarvoor een Duitse wetenschapper ingeschakeld en houdt diens dochter gegijzeld om de onwillige geleerde bij de les te houden. Nadat proeven door middel van radioactieve bestraling met hamsters gelukt zijn, wordt het tijd om het op mensen uit te proberen. Daarvoor helpt hij en zijn assistente een meesterinbreker en bankovervaller uit de gevangenis ontsnappen, maar deze doorgewinterde crimineel laat zich niet zo gemakkelijk voor zijn karretje spannen. Bovendien heeft de majoor de geleerde gedwongen krachtiger radioactief materiaal te gebruiken dat niet voldoende getest is. Dat kan dan ook niet lang goed gaan. Ik keek THE AMAZING TRANSPARENT MAN uit 1960 omdat Edgar G Ulmer hem regisseerde en hij is tenslotte de maker van goede films als RUTHLESS, THE BLACK CAT en vooral de ultieme film noir DETOUR. Deze science fiction behoort niet tot die categorie, maar met 58 minuten lijkt het me ook onmogelijk iets fatsoenlijk uit te werken.
De Franse filmvernieuwingsbeweging nouvelle vague kreeg internationale bekendheid door François Truffauts LES QUATRE CENT COUPS uit 1959 en À BOUT DE SOUFFLE van Jean-Luc Godard uit 1960, maar de beweging was in Frankrijk zelf al enkele jaren gaande met films van Agnes Varda, Claude Chabrol en Jacques Rivette. De laatste debuteerde in 1958 (hoewel de film pas in 1961 uitgebracht werd) met PARIS NOUS APPARTIENT. Daarin laat Rivette zijn voorliefde al zien voor kunst in het algemeen en voor theater in het bijzonder, de arena waarin veel van zijn films zich zullen gaan afspelen. Meegesleurd door haar broer komt eerstejaars student literatuur Anne Goupil (Betty Schneider) terecht bij een groepje snobistische doch succesloze kunstenaars en politieke vluchtelingen, die allemaal rouwen om de dood van een van hen, de Spaanse muzikant Juan. Philip Kaufman, een Amerikaan die het McCarthyisme is ontvlucht, ziet er een wereldwijd complot achter, van duistere fascistische krachten die achter de schermen de macht opnieuw naar zich toe willen trekken. Hij is ervan overtuigd dat iedereen die te veel te weten komt over dat complot zal sterven. Theaterregisseur Gérard zal de volgende zijn, zegt hij. Annes vriendje Jean-Marc (Jean-Claude Brialy) neemt haar mee naar een repetitie van deze Gérard die wel onder de indruk is van Anne en haar vraagt te acteren in zijn productie van Shakespeares Pericles. Hij wil muziek van Juan gebruiken, zijn laatste opnames, maar de banden zijn verdwenen. Anne gaat op zoek. Wanneer op een gegeven moment een Parijs' theater met aanzien interesse toont moet hij zoveel concessies doen dat niets overblijft van zijn oorspronkelijke visie. En pleegt hij zelfmoord. Of is hij vermoord? Anne is zelf inmiddels zo in dit groepje verstrikt geraakt dat ze zelf ook gevaar begint te lopen. De film is meer een portret van Parijs en een groep jonge kunstenaars, hemelbestormers die verstrikt raken in de machinaties van de mainstream en niet kunnen ontkomen aan de duistere krachten waardoor ze ontworteld zijn geraakt, dan een thriller. Claude Chabrol, Jacques Demy en Rivette zelf zijn ook nog even te zien, het meest pregnant echter Jean-Luc Godard, met wie Anne een gesprek heeft op een terras. Toen al waren de tribunalen niet ver weg, en het is in onze tijd nog veel erger geworden.
Stefan (Stefan Gota) is een bouwvakker in Brussel. Nu het bouwvak is wil hij na het weekend naar zijn moeder in Roemenië. Hij loopt van Jette naar Vilvoorde voor zijn auto, die daar in de garage van een mede-Roemeen staat. Hij gaat bij zijn zus op bezoek. Hij loopt veel, heeft last van slapeloosheid, heeft toevallige ontmoetingen. Op weg naar Vilvoorde loopt hij door het bos en ziet een vrouw geknield op de bodem met iets bezig. Deze Shu Xiu (Gong Liyo) is al eerder geïntroduceerd. Ze is van Chinese komaf, doet onderzoek naar mossen en geeft les. Door wat zij over mossen vertelt, en hoe ze het aan hem overbrengt raakt hij geïnteresseerd en blijft bij haar. Met het vrijwel plotloze HERE uit 2023 maakt de Belgische regisseur Bas Devos een film zoals Shu Xiu het mos beschrijft: klein, onooglijk, je loopt er zo aan voorbij, maar als je goed kijkt zie je erin een compleet universum, vol leven. Met nauwkeurig gekadreerde beelden in 4:3 heeft de film veel aandacht voor de omgeving, de natuur, de geluiden daardoor voortgebracht, dat wat we gewoonlijk gedachteloos passeren, en is het een film geworden in de lijn van Wim Wenders' recente meesterwerk PERFECT DAYS, ook uit 2023. Niet zo perfect natuurlijk, maar een klein juweeltje is het wel.
Bij het bezoek aan het graf van hun vader worden Barbra (Judith O'Dea) en haar broer belaagd door een man. Barbra weet te ontsnappen naar een huis. Daar kom al snel Ben (Duane Jones) erbij, en blijken in de kelder zich nog vijf mensen schuil te houden, onder hen een ziek kind. Voor het huis verzamelen zich steeds meer mensen, traag bewegend als in trance. Via de radio horen ze dat deze 'ghouls' overal aan de oostkust van de VS opduiken en mensen eten. Het aantal ghouls buiten het huis neemt snel toe, de dreiging wordt steeds groter, en het gevaar komt niet alleen van buiten. En passant vinden de ondoden ook nog eens de barbecue uit, wat tot op heden massaal navolging krijgt bij doorsneegezinnen tijdens zomeravonden in de tuin. NIGHT OF THE LIVING DEAD uit 1968 is de debuutfilm van George A Romero, een snel en goedkoop gemaakte horrorfilm in zwart-wit Academy-formaat en zal een ware zombie-rage in gang zetten, hoewel de levende doden nauwelijks overeenkomst tonen met de traditionele zombie en in de film nooit zo genoemd worden. Wat opvalt is echter iets heel anders: de hoofdpersoon en degene met het initiatief, degene die de leiding neemt, is een jonge zwarte man, zeldzaam in een film uit die tijd, terwijl zijn tegenspeler, de verongelijkte witte man van middelbare leeftijd, een initiatiefloze lafaard en een gluiperd is, en de derde man een meeloper zonder eigen mening. De film is in dat licht bezien een gedurfde maatschappij-analyse die ook heden ten dage nog hout snijdt. Als dat geen horror is!
Al bij de eerste scène weet je dat Alexia een ettertje is. Ze is een jaar of negen en zit achterin de auto haar vader achter het stuur zo te treiteren dat hij een ongeluk krijgt. Als gevolg ervan moet Alexia verder leven met een stuk titanium net boven haar oor omdat daar een stuk van haar schedel weg is. In de volgende scène van TITANE, de Frans-Belgische film van Julia Ducournau, die in 2021 zo verrassend de Gouden Palm in Cannes won, is ze volwassen (nu gespeeld door Agathe Rouselle) en danst ze op autoshows. Ze doet dat zo gepassioneerd, alsof ze echt seks heeft met de auto, dat ze fans heeft die haar achterna reizen. Dat kunnen ze beter niet doen want Alexia vermoordt ze allemaal. En ze heeft inderdaad echte seks met een auto, ze raakt er zelfs zwanger van. Wanneer een moordpartij in een groot huis uit de hand loopt en eentje ontsnapt wordt ze gezocht door het hele politiekorps. Ze knipt het haar, bindt haar borsten en groeiende buik af en gaat verder als jongen. Ze doet zich voor als de al heel lang geleden als verdwenen opgegeven zoon van Vincent (Vincent Lindon), een macho brandweercommandant die als een sekteleider met zijn personeel omgaat. Dat hij Alexia gewoon accepteert als zijn zoon Adrien, hoewel ze in niets op elkaar lijken, is de volgende aanwijzing dat de man volkomen verknipt is. Het is dat hij gespeeld wordt door Lindon, die het vermogen heeft automatisch sympathie op te roepen bij de kijker, waardoor je erin meegaat. Vincent adoreert zijn teruggekeerde zoon en na verloop begint Alexia echt om Vincent te geven. Bij TITANE moet je als kijker overboord gooien hoe je denkt dat een film dient te verlopen, hoe hij opgebouwd moet worden, en je niet afvragen naar wat voor soort film je eigenlijk zit te kijken. Vergelijkingen met andere films voldoen niet, daar is deze film te eigenzinnig voor. Lang niet altijd leuk om naar te kijken, zoals meestal bij body horror, weinig subtiel maar wel altijd fascinerend, en onvoorspelbaar.
De halve finales voor vrouwen op de US Open worden (voor ons) 's nachts gespeeld, dus een avond geen tennis, dat was lang geleden. Waarom ik dan als film om te kijken de Amerikaanse politiethriller DEADLY IMPACT uit 2010 uitkoos zal altijd een raadsel blijven. Het is niet meer dan een extra lange aflevering van een politieserie zoals er zoveel zijn en die series hebben meestal nog betere scenario's ook. Joe Pantoliano speelt de bommenleggende psychopaat die het gemunt heeft op een politieagent (Sean Patrick Flanery) die zijn operatie frustreert. Met een FBI-agent (Carmen Serano) als partner en love-interest, en een broer (Greg Serano, in werkelijkheid juist Carmens echtgenoot) die gedwongen wordt de kant van de psychopaat te kiezen. Nogmaals, een gemiddelde aflevering van de serie Unforgettable met Poppy Montgomery (de serie die ik momenteel toevallig volg) kent een beter scenario, heeft empathischere personages en kent meer psychologische logica.
Precies een jaar na de aanslagen in New York werd de film 11'09''01 uitgebracht, waarin 11 regisseurs uit 11 verschillende landen in 11 filmpjes die allemaal precies 11 minuten, 9 seconden en 1 frame duren over de aanslagen reflecteren, waarbij de regisseurs van de Franse bedenker en producent Alain Brigand verder alle vrijheid kregen. Het is een indrukwekkende verzameling geworden, soms een puur persoonlijke ervaring (Sean Penn), soms in verband met andere historische gebeurtenissen, zoals de Engelsman Ken Loach die de directe link legt met de moord op de Chileense president Allende op 11 september 1973, waarbij de VS de rol van Bin Laden voor hun rekening namen. De meest abstracte en tegelijkertijd meest intense, choquerende en, jawel!, concrete bijdrage is die van de Mexicaan Alejandro Gonzáles Iñárritu: het beeld is voornamelijk zwart, met op de geluidsband opnames van media en van de directe omgeving terwijl het gebeurde, zoals laatste telefoongesprekken van mensen die in het gebouw waren en afscheid namen van hun geliefden. De ploffen die je hoort krijgen pas betekenis als er flitsen voorbijkomen van mensen die uit het brandende en instortende gebouw springen. De heden ten dage meest pikante bijdrage is die van de Indiase Mira Nair, een korte docu over hoe mensen in New York na de aanslag anders tegen hun islamitische buren gingen aankijken, en hoe iemand van Pakistaanse afkomst eerst bestempeld werd als terrorist, terwijl hij als held omkwam tijdens de reddingsactie. Pikant omdat Nair de moeder is van Zohran Mamdani, de huidige burgemeester van New York. Ook heb je het grappige en tegelijkertijd ontroerende filmpje van Idrissa Ouedraogo uit Burkina Faso over een paar jongens die menen in hun dorp Osama Bin Laden te zien en jacht op hem gaan maken omdat ze van het geld dat ze voor hem krijgen medicijnen kunnen kopen voor de zieke moeder van een van hen, en misschien wel voor alle zieken in het land! De film begint met het beste filmpje uit de reeks, ook omdat deze alles perfect samenvat en in perspectief zet, en is van de Iraanse Samira Makhmalbaf. Een onderwijzeres wil de kinderen van naar Iran gevlucht Afghanen vertellen over het vreselijke wat gebeurd is en hoe er misschien wel een Derde Wereldoorlog van kan komen, maar de kinderen vinden de man die in de put is gevallen en daarbij gestorven is, terwijl de man die hem probeerde te redden zijn been brak, veel belangrijker. En dan beginnen de kleintjes te discussiëren over waarom God mensen maakt en ze dan doodt. Om de kinderen een idee te geven van wat een wolkenkrabber is neemt ze hen mee naar de schoorsteen van de steenfabriek. Verder zijn er bijdrages uit Frankrijk (Claude Lelouch), Egypte (Youssef Chahine), Israël (Amos Gitaï), Bosnië-Herzegovina (Danis Tanovic) en Japan (Imamura Shohei).
Toen ik LICORICE PIZZA (2021) van Paul Thomas Anderson een paar jaar geleden zag wist ik niet wat erover te schrijven, maar dat wilde ik graag dus nu de film opnieuw gekeken, en opnieuw vraag ik me af hoe in een paar woorden te vangen waarom deze film zo geweldig is. De film speelt zich begin jaren zeventig af in LA en gaat over een 15-jarige voormalig kindacteur, de gedreven, brutale, zeer zelfverzekerde Gary (gespeeld door de debuterende Cooper Hoffman, zoon van Philip Seymour), die meteen valt voor de 28-jarige Alana (het debuut van muzikant Alana Haim). Zij is ook niet op haar mondje gevallen, voelt wel wat voor hem maar vindt hem veel te jong. Dat is haar favoriete scheldwoord trouwens: puber. Toch raken ze bevriend, zij gaat mee in zijn overenthousiaste wilde ideeën wanneer hij zich bijvoorbeeld stort op de verkoop van watermatrassen, maar zij wil meer met het leven en gaat campagne voeren voor een jong idealistisch raadslid die burgemeester wil worden. De film is een en al beweging en gaat moeiteloos over van de ene scène in de andere, al hebben ze niets met elkaar te maken. Intussen wordt gehakt gemaakt van het sterrendom, middels de scène met Sean Penn als William Holden en met Bradley Cooper, die toenmalig echtgenoot van Barbra Streisand Jon Peters speelt en hem totaal te kakken zet. Ook met het toen vrij vanzelfsprekende racisme tegen Aziaten wordt genadeloos korte metten gemaakt. LICORICE PIZZA is een coming-of-age off-beat komedie die bruist van de energie en maffe ideeën die elkaar als vanzelfsprekend opvolgen, die het jeugdige enthousiasme en de door drugs ingegeven onberekenbaarheid uit die periode viert en de donkere wolken die zich boven hen aan het verzamelen zijn (Nixon is even te zien, de oliecrisis gaat een bepalend deel uit van hun leven uitmaken) vooralsnog het hoofd bieden. Hoffman en Haim, beiden niet bepaald gezegend met de jeugdige gepolijste schoonheid van de gemiddelde Hollywood jeune premier, acteren zo vanzelfsprekend dat het lijkt alsof ze nooit iets anders gedaan hebben, en zo innemend dat je je gewillig en met plezier op hun gezamenlijke reis laat meevoeren. Trouwens, de zussen van Alana worden gespeeld door haar echte zussen, met wie ze de rockband Haim vormt, en ook hun ouders worden gespeeld door hun echte ouders. Ook met deze op het eerste gezicht vrij pretentieloze film laat Anderson zijn genie doorsijpelen.
Ik vond de tv-serie eigenlijk best wel leuk, dus nu er een film kwam met John Krasinski als Jack Ryan was ik wel benieuwd, zeker omdat de hele cast van de serie meedeed, op Abbie Cornish na. Wanneer ik begin met kijken naar JACK RYAN: GHOST WAR uit 2026 weet ik al meteen dat ik hier niet veel plezier aan ga beleven. Het is één groots opgezet cliché, met lege frases die voor diepzinnigheid moeten doorgaan. Nieuw gezicht Sienna Miller als MI6-agent Emma Marlow zie ik toch liever als Edie Sedgwick in FACTORY GIRL; nu wordt een hoop acteertalent te grabbel gegooid. Als dan ook nog mijn favoriete personage uit de serie Elizabeth Wright (Betty Gabriel) voortijdig omkomt is de lol er helemaal van af. Veel autoachtervolgingen, explosies en schietpartijen later is de film voorbij en is het te laat om nog wat leuks te gaan doen. Je gaat nota bene terugverlangen naar Harrison Ford en dat kan toch nooit iemands bedoeling zijn.
Ook ik ontkwam niet aan een gevoel van walging bij het begin van THE WHALE van Darren Aronofsky uit 2022, maar dat is precies waar de regisseur je wil hebben. Ook door de film zich nagenoeg helemaal in dezelfde ruimte te laten afspelen en in de klassieke beeldverhouding van 4:3 op te nemen manoeuvreert hij de kijker precies in de claustrofobische omstandigheid die hij voor ogen heeft. Het zijn de zachte ogen vol compassie en wanhoop die van de morbide obese Charlie (een geweldige Brendan Fraser) een mens maken met wie je gaandeweg gaat meeleven, ondanks zijn 300 kilo gestalte. Waarom doet een mens zichzelf dat aan? vraag je je af. Hij was niet altijd zo, maar na de zelfmoord van zij vriend Alan, die weigerde te eten, is hij dat gaan overcompenseren. En is dat blijven doen, uit verdriet, schuldgevoel, het gevoel tekort geschoten te hebben, zelfmedelijden, uiteindelijk ook schaamte. De zus van Alan, Liz (Hong Chau), is verpleegster en zorgt voor hem en je kunt aan alles zien dat ze veel van hem houdt. Ze is een heilige, is het eerste wat in me opkomt en hoewel ze overduidelijk ook maar een mens is blijft dat gevoel hangen. Dan staat zijn zeventienjarige dochter Ellie (Sadie Sink, die mijn favoriete personage speelt in de serie Stranger Things) opeens aan de deur. Hij heeft haar en haar moeder negen jaar geleden in de steek gelaten vanwege Alan en mag geen contact met haar hebben. Ellie is rebels, boos, scherp van geest, een pestkop en lijkt wel kwaadaardig, maar Charlie blijft benadrukken hoe geweldig ze is en blijft het goede in haar zien. Er is ook nog een jonge missionaris die hem wil redden via God, en een pizzabezorger, en de moeder van Ellie (eindelijk weer eens een rol voor Samantha Morton) krijgt één scène, die misschien wel het hart van de film vormt. Liefde gaat niet over de mensen die je aardig vindt of aantrekkelijk of mooi, dat is wat Aronofsky en scenarist Samuel Hunter willen zeggen. Liefde heeft pas betekenis als zich die uitstrekt tot degene die je walgelijk vindt, of slecht, de mensen die je haat. De titel heeft betrekking op een opstel dat Ellie ooit schreef over Herman Melville's meesterwerk Moby Dick, dat Charlie verlichting geeft in tijden van doodsangst.
In de bossen van Aveyron wordt in 1800 een jongetje van een jaar of tien gezien en gevangen genomen. Hij is totaal verwilderd, kan nauwelijks rechtop lopen en kan niet praten. Zodra dr Jean Itard (François Truffaut) over hem hoort haalt hij de jongen (Jean-Pierre Cargol) naar het instituut voor doof-stommen waar hij werkt. Hij ziet al snel dat hij daar niet de aandacht en zorg krijgt die hij nodig heeft en als curiosum wordt gezien en behandeld, en hij verzet zich tegen het voornemen om hem in een zwakzinnigeninstituut op te sluiten. Hij neemt de beslissing om de jongen te adopteren en hem samen met zijn huishoudster madame Guérin (Françoise Seigner, tante van Emmanuelle en Mathilde) in huis te nemen en hem op te voeden, want hij is ervan overtuigd dat dit wilde kind een intelligente jongen is. Dat gaat met horten en stoten. Dankzij veel geduld, een positief beloningssysteem, zachte hand en veel genegenheid, boeken Itard en Guérin vooruitgang. Voor de film L'ENFANT SAUVAGE uit 1970 baseerde regisseur François Truffaut zich op de aantekeningen van de echte dokter Itard, die, met zijn pedagogische aanpak en het inzicht hoe belangrijk educatie is in de opvoeding, zijn tijd minstens honderd jaar vooruit was. Tegelijkertijd laat het zien dat als niet vanaf de geboorte begonnen wordt met 'nurture' de achterstand later nooit meer helemaal ingehaald kan worden. Het is met name ontroerend om te zien hoe de jongen, die zij Victor zijn gaan noemen omdat hij sterk reageerde op de 'o'-klank, zich hecht aan zijn opvoeders. Wel vraagt Itard zich af of het wel goed was om het 'wolfskind' uit zijn leven als wilde in de bossen te halen en hem beschaving bij te brengen, maar die vraag wordt beantwoord als Victor er op een gegeven moment vandoor gaat en zijn oude leven hervat, maar na korte tijd bij Itard en Guérin terugkeert.
Hoewel ik The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald in de kast heb staan heb ik het boek nooit gelezen. Wel heb ik drie verfilmingen ervan gezien. De tv-film versie, gewoon THE GREAT GATSBY getiteld, uit 2000 van Robert Markowitz zag ik min of meer per ongeluk. Ik dacht de versie van Jack Clayton te kopen maar de verkoper had zich vergist en ik kwam er te laat achter. Het is goed mogelijk dat Baz Luhrman deze versie zag en op het idee kwam het boek zelf te verfilmen maar dan op precies de tegenovergestelde manier. Zo buitensporig als Luhrmans versie is, zo mat is deze. Er is niets greats aan Gatsby zoals Toby Stephens hem neerzet, als een pratende robot, en je snapt helemaal niet waarom hij Daisy zo graag in zijn buurt wil hebben, want Mira Sorvino portretteert haar als een zouteloos en zeurderig type. Ik heb Sorvino gezien in MIGHTY APHRODITE en zal haar daarom altijd koesteren in mijn hart, maar hier, nee. Ook Paul Rudd als Nick, de verteller en 'ooggetuige', is een zo saaie man dat je je afvraagt waarom Gatsby en Daisy (en Jordan, verveeld neergezet door Francie Swift) hem zo graag om zich heen willen. Alleen Martin Donovan als Daisy's man Tom, ja precies, de hork, weet nog wat vuur en passie en overtuiging in zijn spel te leggen. Zat er valium in al die glazen champagne en whiskey?
LOST COS uit 2022 is een film van de Nederlandse regisseur, scenarioschrijver en theatermaker Robin de Levita (“zoon” van de Fabeltjeskrant), die zich afspeelt in New York. Tandartsassistente Eni (de Bulgaarse actrice Evgeniya Radilova, tevens producent) is na een traumatische jeugd dankzij haar vriendin Lia (Zoë Vnak) terechtgekomen in de cosplaywereld en gaat nu door het leven als Vampireniya, een outerspace vampier. Na een extreem gewelddadige verkrachting sterft Lia en wordt Eni gedwongen haar verleden onder ogen te zien. En wraak te nemen. De film is een visueel spektakel, vol cosplayperformances onder andere in underground clubs, afgewisseld met geanimeerde comic book scènes, burlesk theater, komische intermezzo's, zijplots die nergens heengaan, incels die het op Eni voorzien hebben, vuurspuwen en grafische vechtpartijen. Is dit het ei dat De Levita bij Joop van den Ende niet kwijt kon of een heel nieuwe stap in zijn carrière? Laten we hopen het laatste want hoewel verre van perfect al met al een visueel aantrekkelijk en vermakelijk geheel, dat zelfs op momenten Eni's verdriet en eenzaamheid invoelbaar weet te maken.
In ULEE'S GOLD uit 1997 van Victor Nunez is de flegmatische weduwnaar Ulee Jackson (Peter Fonda) een professioneel imker die een vrij teruggetrokken leven leidt met zijn kleindochters, de opstandige puber Casey (Jessica Biel) en de een paar jaar jongere Penny (Vanessa Zima, jongere zus van Madeline). Zijn zoon Jimmy (Tom Wood) zit in de gevangenis en vraagt Ulee om zijn verslaafde vrouw Helen (Christine Dunford) te redden van zijn vroegere criminele partners ergens in Orlando. Met tegenzin doet hij dat en brengt haar naar huis, waar hij hulp krijgt van overbuurvrouw Connie (Patricia Richardson), die verpleegster is, om Helen te laten afkicken. Penny herinnert zich haar moeder niet en kijkt ontzet van een afstand toe hoe zij tekeer gaat; Casey's aanvankelijke haat tegen de vrouw die haar in de steek heeft gelaten slaat snel om en voorzichtig begint na een paar dagen de toenadering. Het lijkt bijna weer een normaal gezin te worden. Maar dan verschijnen de vroegere criminele partners, die de buit van de overval die Jimmy verstopt heeft voordat hij werd opgepakt opeisen. Regisseur Nunez doet niet eens moeite om het dan spannend te maken, want daar is het hem niet om te doen, dat heeft hij alleen scenariotechnisch nodig om de onderlinge band binnen het gezin (en met Connie) uit te werken en te verdiepen. Dat doet hij met heel veel compassie en liefde voor zijn personages, zonder ook maar een moment sentimenteel te worden, op de laatste scène na, maar dat is hem vergeven, dat verdienen zijn personages ook, maar zelfs die ultieme hereniging in de gevangenis registreert hij onderkoeld. Vanwege zijn ingetogen maar doorleefde acteerwerk, waarbij hij zich liet inspireren door zijn vader Henry, die amateurimker was en wiens horloge hij tijdens de opnames droeg, levert Peter Fonda misschien wel de beste rol van zijn carrière af, en dat mag hij doen met dit kleine juweeltje.
In het magnifieke SHANGHAI EXPRESS uit 1932 laat regisseur Josef von Sternberg een bont gezelschap aan passagiers in het luxe gedeelte van de trein van Peiping (zoals Beijing toen genoemd werd) naar Shanghai plaatsnemen. We hebben een Britse dame die zich alleen druk maakt om haar hondje, een predikant met een moraal die alles wat hem niet zint afwijst, een Franse officier die geen woord over de grens spreekt, een Amerikaanse gokker, een Chinees van dubieuze afkomst, een invalide Duitser, de Britse militaire chirurg Harvey (Clive Brook), en twee prostitués: Shanghai Lily (Marlene Dietrich) en Hui Fei (Anna May Wong). In een vorig leven hadden Harvey en Lily een relatie, die allesbehalve fijn afliep, en dat steken ze met stekeligheden van haar kant en zijn stoïcijns verpakt cynisme niet onder stoelen of banken. Maar China is in een burgeroorlog verwikkeld, rebellen nemen Harvey als gijzelaar en Lily is degene die hem uit de netelige situatie kan redden. Het is alsof Von Sternberg voor elk er in die tijd toe doend westers land een passende protagonist heeft gevonden en hij zo de toenmalige toestand van de wereld treffend analyseert. Tegelijkertijd schetst hij met schitterende Oscar-winnende fotografie de verwikkelingen tussen de personages, waarbij de twee heldenrollen weggelegd zijn voor de prostitués. Over Anna May Wong schrijf ik in mijn nog niet uitgebrachte boek De Vogel Met Hoogtevrees In De Mistige Tuin het volgende: “We mochten niet in ons dagelijks kloffie in de opiumkit werken maar moesten altijd speciale kleren aan. Chiu-wan had de associatie met oude Hollywoodfilms zover doorgetrokken dat ik moest lijken op een gangster uit die tijd, inclusief de fedora, en Lynn op Anna May Wong, de enige Amerikaanse actrice van Chinese komaf die het in die tijd tot ster geschopt had, in kleren die regelrecht gejat leken uit Shanghai Express, waarin ze naast Marlene Dietrich stond. Ook de anderen die er werkten kregen dergelijke kleding, alles uit een container die Chiu-wan ergens op de kop had getikt. De mannen moesten allemaal stoer voor zich uitkijken, stoïcijns maar wel met een blik dat er met hen niet te spotten viel, de vrouwen moesten onderdanig en verleidelijk zijn en zich allemaal schuifelend voortbewegen alsof ze lotusvoetjes hadden. Het droeg bij aan de authenticiteit, zei Chiu-wan, waarmee hij zichzelf tegensprak want hij beweerde juist altijd dat dergelijke opiumkits nooit echt bestaan hadden, een verzinsel van Hollywood in een poging films te verrijken met exotische elementen die in wezen racistisch waren. Dan vertelde hij altijd het verhaal van Anna May Wong die de hoofdrol van Chinese vrouw zou spelen in The Good Earth maar die hoofdrol uiteindelijk aan zich voorbij zag gaan, omdat het indertijd verboden was voor een vrouw van kleur om een witte man te kussen en de mannelijke hoofdrol was voor Paul Muni. Vervolgens nam de witte actrice Luise Rainer haar plaats in. Muni speelde overigens, o ironie, een Chinese man, dus net als Luise Rainer in yellowface. Rainer kreeg er, o dubbele ironie, een Oscar voor.
In de animatiefilm YELLOW SUBMARINE uit 1968 van George Dunning wordt het onderzeese kleurrijke, muzikale, vrolijke land Pepperland belaagd door de Blue Meanies, die er een grauwe, kleurloze en muziekloze wereld van maken. De burgemeester stuurt de oude Young Fred eropuit om in zijn gele onderzeeër hulp te gaan zoeken. Hij belandt uiteindelijk in Liverpool, waar hij de depressieve Ringo ziet en achtervolgt. Hij vertelt zijn verhaal en Ringo roept de hulp in van zijn vrienden John, George en Paul om Pepperland te redden. Het moge als kinderverhaaltje bedoeld zijn, maar de film is ronduit psychedelisch, zit vol met spitsvondigheden, absurditeiten, filosofisch-wetenschappelijke grapjes, zoals wanneer ze door The Sea Of Time gaan: “Maybe time's gone on a strike.” “What for?” “Shorter hours.” “I don't blame it. Must be very tiring being time, mustn't it?” “Why?” “Well, it's a twenty four hour day, isn't it?” Vervolgens gaan ze door The Sea Of Holes. Er loopt daar een levende stofzuiger rond, die alles wat binnen zijn bereik komt opslorpt en zo gulzig is dat hij op een gegeven moment eerst de hele wereld opslorpt en daarna, als hij zijn eigen staart ziet, zichzelf. Met hun onderzeeboot komen ze terecht in Nowhere Land, waar ze de Nowhere Man vinden. Ook zit de film vol verwijzingen en van die typische Beatles-woordgrapjes: George: Hey! There's a Cyclops! Paul: Can't be. It's got two eyes. John: Must be a bicycle-ops then. Ringo: There's another one. John: A whole cyclopedia! Met andere woorden: de film richt zich voornamelijk op volwassen publiek. The Beatles hadden weinig te maken met het verhaal en de film, zelfs hun personages hebben niet hun stem (maar wel gelijkend). Wel voorzien ze de film van een aantal liedjes, vooral van de Sgt. Pepper lp, maar ook van Rubber Soul en Revolver, terwijl de nieuwe liedjes op de Yellow Submarine lp een plaatkant volmaken, met als hoogtepunt Hey Bulldog, terwijl op de andere kant de soundtrack van hun vaste producer George Martin staat. Je kunt goed zien dat Terry Gilliam heel goed naar deze film heeft gekeken en ideeën heeft opgedaan voor zijn latere animatiewerk bij Monty Python. Helemaal op het laatst komen The Beatles echt in beeld voor een laatste scène, en laatste liedje. Ringo heeft uit The Sea Of Holes een half (!) gat meegebracht.
Ergens rond 1900 ontmoet de Engelse Anne (Kika Markham, rechts op foto) op doorreis in Parijs Claude (Jean-Pierre Léaud) en vindt hem wel een geschikte huwelijkskandidaat voor haar zus Muriel (Stacey Tendeter). Ze neemt hem mee naar Engeland, en daar ontstaat een vriendschap tussen hen drie. Ze gaan met elkaar om als broer en zussen, maar langzaam begint Claude wat voor Muriel te voelen. Hij vraagt haar ten huwelijk. Ze weigert, is er nog niet klaar voor, wat vooral te wijten is aan haar puriteinse inborst. Hun moeders dwingen hen om een jaar zonder enig contact met elkaar door te brengen, en dan verder te kijken. Claude bouwt intussen een bestaan op in de kunstwereld, heeft allerlei relaties, onder andere met Anne, die beeldhouwster is geworden, terwijl Muriel in Engeland wegkwijnt omdat haar liefde voor Claude groeit en groeit. Met LES DEUX ANGLAISES ET LE CONTINENT uit 1971 wilde François Truffaut een lijfelijke film over liefde maken in plaats van een film over lijfelijke liefde. Hij doet dat op een zeer behoedzame manier, legt nadruk op zeden en gewoontes die nog heel erg negentiende eeuws zijn en onbereikbaar ver af staan van hoe wij er tegenwoordig mee omgaan, zo direct en onomfloerst als we zijn geworden. Zelfs ik, zo bekend met Goethe, Heine en de Schubertliederen, kan hun beweegredenen niet meer helemaal invoelen, laat staan volgen. Wel mooi gedaan, overigens.
Hoe en waarom het zo misging met YELLOWBEARD uit 1983 is me een raadsel. (Mede)schrijver van de film en titelrolspeler Graham Chapman recruteerde Monty Python collega's Eric Idle en John Cleese, en verder komische grootheden als Marty Feldman, Cheech & Chong, Nigel Planer (in dezelfde tijd furore makend als de hippie in The Young Ones), Spike Milligan, Peter Boyle en de vanwege een komische rol voor een Oscar genomineerde Madeline Kahn (PAPER MOON), en vulde dat aan met James Mason, Susannah York, David Bowie en Beryl Reid, en het resultaat is stomweg onleuk. De gevreesde piraat Yellowbeard ontsnapt uit de gevangenis en gaat op zoek naar zijn schat, verstopt op een Caraïbisch eiland waarvan de kaart op de schedel van zijn zoon is getatoeëerd. Hij wordt dwars gezeten door de leiding op zijn eigen schip, achterna gezeten door koninklijke vertegenwoordigers en gehinderd door de Jezuïeten, die over het eiland heersen. Maar niks geen Spanish Inquisition of zo. De leukste grap van de film? Die is er niet. Vooruit dan, om een idee te geven: op het schip is de officier verantwoordelijk voor discipline (dat zijn ze trouwens allemaal) een blonde jonge vrouw (Greta Blackburn) die zich als man vermomt door een zwarte snor boven haar lip te tekenen en zich Mister Prostitute noemt. Benny Hill zou trots zijn. Idle noemde het de slechtste film waarin hij ooit gespeeld had, hoewel hij tijdens de opnames erg veel plezier had gehad, en John Cleese noemde het een van de zes slechtste films ooit gemaakt. Het personage van Yellowbeard was gebaseerd op Keith Moon, die ook de hoofdrol op zich zou nemen, maar ja, die ging dood.
Maak jouw eigen website met JouwWeb