filmstillgalore

 

 

Aan het begin van de coronalockdown van 2020 ben ik begonnen met het elke dag op facebook plaatsen van een filmstill,  vergezeld door een (meestal korte) beschrijving. Om dit projectje een wat minder vluchtige status te geven zet ik ze hier op een rijtje, in alfabetische volgorde, waarbij ik meestal de internationale titel hanteer bij films uit landen met een taal die bij ons wat minder vaak over de lippen komt.

De lijst waaraan ik meermaals refereer vind je op de home page.

De hier geplaatste stills vallen binnen 3 categorieën:

1/ de 10 beste films aller tijden (die zijn genummerd)

2/ de 28 films die ex aequo op nummer 11 staan

3/ een in principe eindeloze lijst van films die in mijn herinnering zijn blijven hangen, films die ik onlangs gezien heb, op tv of netflix of uit mijn eigen collectie, en waarover ik iets te zeggen heb, of wanneer de actualiteit er aanleiding toe geeft. Ook films die ik zag tijdens de 20 keer dat ik het Filmfestival Rotterdam heb bezocht gaan hier hun plaats vinden. Omdat die stukjes in een heel andere context geschreven zijn (zie voor meer hierover deze pagina) zijn ze ook iets anders van karakter.

In de oorspronkelijke reeks ging het om de foto en gaf ik er summiere informatie bij. Toen die "klaar" was ging ik door met "duidingen" (geen recensies) met uitgebreidere teksten van de films die ik recent zag.

Enkele statistieken over mijn  oorspronkelijke lockdownfilmstillreeks. Ik heb toen in totaal 136 stills geplaatst van films uit 30 verschillende landen. Europa was de grootste leverancier, met 55 films, daarna het hele Amerikaanse continent met 46. De rest kwam uit Azië en Afrika. De landen down under ontbreken tot mijn verbazing, maar dat had net zo goed anders kunnen zijn. Landen met meer dan 5 films in de lijst zijn (natuurlijk) de VS, verder Frankrijk, Italië, Engeland, Duitsland, China, Iran en Japan. Senegal en de Sovjet Unie blijven steken op 4.

Per decennium:

34 uit 2000,

21 uit 1990,

17 uit 1970,

14 uit 1960,

12 uit 1980,

11 uit 1940,

10 uit 1950,

10 uit 2010,

5 uit 1930,

1 uit 1920.

Bij het opzetten van deze site, speciaal voor de filmstills omdat ik bij mijn oorspronkelijke site https://tejomerkus.wixsite.com/lectuur qua opslagruimte aan mijn max van 500MB zat, heb ik opnieuw geteld en zit nu op 343 titels in totaal. Het blijkt wat betreft de herkomst van de films relatief geen verschil te maken, behalve dat Australië en Nieuw-Zeeland nu wel vertegenwoordigd zijn.

Wel zijn de verhoudingen tussen de decennia veranderd. De meeste films zijn nu uit

de jaren 2010 (89), gevolgd door

de jaren 70 (54),

de jaren 2000 (50),

de jaren 90 (37),

de jaren 60 (32),

de jaren 80 (26),

de jaren 50 (21),

de jaren 40 (15),

de jaren 2020 (13)

de jaren 30 (9) en

de jaren 1920 (1).

 

Op de volgende pagina's vind je de filstillgalore:

#-B

C-F

G-K

L-O

P-S

T-Z

 

recente toevoegingen zijn:

 

Ik herinnerde me niets meer van AS TEARS GO BY, het debuut van Wong Kar-wai uit 1988, dus tijd om deze weer eens te kijken. Het speelt zich af in Kowloon en Lantau, allebei deel van Hong Kong. Ah Wah (Andy Lau) is een kleine crimineel, die verbonden is aan een bende waar de onderlinge concurrentie moordend is, op het letterlijke af. Zijn “kleine broer” Fly (Jackie Cheung) wil zich bewijzen, wil naam maken en daagt daarbij de anderen voortdurend uit, met soms bijna fatale gevolgen. Ah Wah moet telkens voor hem in de bres springen. Wanneer zijn nicht Ah Ngor (de nog zeer jonge maar wel al betoverende Maggie Cheung) hem bezoekt en ze verliefd op elkaar worden begint Ah Wah te dromen van een ander bestaan, van liefde en zonder hectiek en geweld de dag doorbrengen, maar zijn loyaliteit naar Fly zit in de weg. AS TEARS GO BY is een rauwe, bij vlagen erg gewelddadige film, waarin soms al het camerawerk doorschemert dat Wong in latere films met Christopher Doyle zal uitwerken en perfectioneren: vreemde kleurstellingen, hectiek, stop motion (alsof de camera de hik heeft). Er zit een scène in die ik me goed herinnerde, hoewel ik dacht dat deze in Wong Kar-wai’s volgende film DAYS OF BEING WILD zat (waarin overigens hetzelfde trio meespeelt): het moment waarop Ah Ngor en Ah Wah bij de bushalte afscheid van elkaar nemen, en zij zich realiseert dat ze hem nooit meer zal zien, eindigend met een minutenlange close up van haar gezicht, waarover uiteindelijk een traan stroomt. Een moment van intense treurigheid die diep in de ziel snijdt.

zie ook bij MEAN STREETS, die de inspiratie vormde voor deze film.

Nadat ik gisteren het stukje over AS TEARS GO BY (zie aldaar) had geschreven las ik dat Wong Kar-wai voor die film geïnspireerd was geweest door MEAN STREETS uit 1973 van Martin Scorsese over het dagelijkse, richtingloze leven van een paar kleine criminelen in Little Italy, New York. Dus aanleiding om die weer eens te bekijken, en inderdaad, ik zie de sterke overeenkomsten. Met name het geschetste milieu en de relatie tussen Charlie (Harvey Keitel) en Johnny Boy (Robert De Niro) komen sterk overeen. Ook hier probeert Charlie de zaak te sussen telkens als onberekenbaar en ongeleid projectiel Johnny Boy bij de mensen met wie samengewerkt moet worden het bloed onder de nagels vandaan treitert. Charlies preocuppatie met religie zien we bij Wong echter niet terug en ook zijn relatie met Teresa (Amy Robinson) is heel anders dan die tussen Ah Wah en Ah Ngor, hoewel ook zij een nicht is, deze keer van Johnny Boy. MEAN STREETS betekende de grote doorbraak voor Scorsese, voor Keitel en voor De Niro. MEAN STREETS is cinematografische geschiedenis, waarin Scorsese put uit zijn eigen jeugd, wat hij om zich heen zag, met Johnny Boy als personificatie van zijn oom, en ijzersterke deels geïmproviseerde performances van Keitel en vooral De Niro, maar, hoe goed ook, stiekem prefereer ik AS TEARS GO BY, omdat het personage van Ah Ngor extra diepgang toevoegt.

Maar als ik abusievelijk dacht dat de mooiste scène uit AS TEARS GO BY in Wong Kar-wai’s volgende film DAYS OF BEING WILD uit 1990 zat, waar gaat die laatste film dan echt over? De zo betreurde Leslie Cheung speelt Yuddie, een mooie jongen die niets uitvoert, opgevoed is door een prostitué die weet dat de ouderdom toeslaat en ze niet lang meer in het vak zal kunnen blijven maar hem weigert te vertellen wie zijn echte moeder is, en die zijn vriendinnen slecht behandelt, tegen hen mooie praatjes verkoopt maar hen dumpt als ze zich willen binden. Dat gaat eerst zo met de schuchtere Su Li-zhen (Maggie Cheung), die in een voetbalstadion werkt, en daarna met de brutale nachtclubdanseres Mimi (Carina Lau). Andy Lau speelt de politieagent die verliefd wordt op Su Li-zhen wanneer ze haar hart bij hem uitstort over hoe ongelukkig ze is, maar hij wordt matroos en komt later op de Filipijnen Yuddie tegen, die daar op zoek is naar zijn moeder. DAYS OF BEING WILD is wellicht de meest deprimerende film van Wong, alles is in koud groen opgenomen, het regent voortdurend, humor ontbreekt totaal, de eenzaamheid is absoluut en het noodlot niemand gunstig gezind. In de laatste scène introduceert de film Chow Mo-wan (Tony Leung Chiu-wai), zo een brug slaand met IN THE MOOD FOR LOVE, waar hij een personage met dezelfde naam speelt, dat verliefd wordt op Su Li-zhen (opnieuw Maggie Cheung). Ook spelen ze met die naam allebei in 2046, maar dat is feitelijk het vervolg op IN THE MOOD FOR LOVE. Of het bij DAYS OF BEING WILD om dezelfde personages gaat wordt niet duidelijk, maar in 2046 verschijnt ook Carina Lau weer als Mimi. Ik wil weten of ik indertijd het verband tussen deze film en de andere twee gemist heb, dus ziet het ernaaruit dat de komende tijd veel Wong Kar-wai in mijn speler te vinden zal zijn, maar dat is geenszins een straf.

Woody (Bruce Dern) is een oude chagrijnige man met een alcoholprobleem (“Wat moet je hier anders?” legt vroegere vriendin Peg Nagy (Angela McEwan) later in de film uit) die ervan overtuigd is dat hij een winnend lot van een miljoen dollar in handen heeft, dat hij wil verzilveren. Hij wil daarom vanuit Billings, Montana, naar Lincoln, Nebraska, om de prijs op te halen, zo'n vijftienhonderd kilometer, te voet omdat iedereen weet dat het nep is, hij niet meer mag rijden en niemand hem wil brengen. Omdat zijn vrouw Kate (June Squibb) helemaal gek van hem wordt neemt zoon David (Will Forte) hem mee en rijden ze samen naar Lincoln. Omdat ze onderweg Hawthorne passeren, waar ze vandaan komen en waar Woody’s broer nog woont, doen ze het stadje aan en wordt een familiereünie georganiseerd. Ook Kate en Davids broer Ross (Bob Odenkirk) gaan erheen. Ze ontmoeten allerlei mensen van vroeger, onder wie zijn oude zakenpartner Ed Pegram (Stacey Keach), met wie hij indertijd gebrouilleerd is geraakt, en terecht ontdekt nu ook David. NEBRASKA van Alexander Payne uit 2013 is een tragikomische roadmovie, waarin David veel meer te weten komt over zijn ouders dan een kind ooit over zijn ouders wil weten, met uitstekend spel van vooral Dern en Squibb, en in prachtig zwartwit de weidse landschappen van het midwesten, een treurige regio vol achterlijk volk, en je snapt goed waarom Trump president van dat land is. Mijn god, je zult er maar opgroeien, en wonen. Al verpakt hij het in humor, in alles merk je dat Payne er net zo over denkt, hoewel hij wel met sympathie kijkt naar Woody en David. En naar Peg Nagy. En, al is het met sardonisch plezier, naar Kate.

Binnen de familie is Hannah (Mia Farrow) de betrouwbare rots in de branding, die almaar geeft, en wel uit de goedheid van haar hart. Haar flegmatische zus Lee (Barbara Hershey) heeft een relatie met de misantropische kunstschilder Frederick (Max von Sydow) en de andere zus Holly (Dianne Wiest) is een onzekere onsuccesvolle actrice met een coke-verleden die het nu probeert in de catering, samen met de onbetrouwbare April (Carrie Fisher). Ook Hannah is actrice, net als hun moeder Norma (Maureen O’Sullivan, ook in het echt Farrows moeder). Hannah is getrouwd met Elliot (Michael Caine), die verliefd is op Lee. En dan loopt er ook nog Hannah’s ex Mickey (Woody Allen) rond, een hypochondrische tv-producent, die de zin van het leven onderzoekt (en vindt wanneer hij in de bioscoop naar DUCK SOUP van The Marx Brothers kijkt). Om deze personen draait het in Woody Allens HANNAH AND HER SISTERS uit 1986. We volgen hen voor een jaar, tussen twee Thanksgivingdinners in in Hannah’s huis, waarvoor Mia Farrows echte appartement werd gebruikt. “Ik was er toch al de hele tijd, dus waarom de film niet daar opnemen,” zei Allen hierover, in die tijd in een relatie met Farrow. Het is een van de topfilms binnen Allens oeuvre geworden, gezeur van zeer hoge kwaliteit, wat vooral te danken is aan het uitzonderlijke acteerwerk van de drie zussen, Wiest voorop (maar wanneer is zij niet goed?) die er dan ook een Oscar voor kreeg, net als Allen voor het uitstekende scenario. Ook Caine kreeg een Oscar, terwijl ik hem, of liever zijn personage, erg vervelend vind.

In 2046 van Wong Kar-wai uit 2004 volgen we Chow Mo-wan (Tony Leung Chiu-wai) direct na de gebeurtenissen van IN THE MOOD FOR LOVE, maar vóór de eindscène in Phnom Penh, die zich later afspeelt, in 1972. Chow komt terug uit Singapore en betrekt een kamer in een hotel in Hongkong. Hij is geen journalist meer maar schrijft erotische verhaaltjes, en leidt een leven als gokker (net als in DAYS OF BEING WILD) en houdt er veel vriendinnetjes op na. Hij wordt vaste klant van Bai Ling (Zhang Ziyi), een prostituée die in dezelfde stijl gekleed gaat als Su Li-zhen in IN THE MOOD FOR LOVE, en naast hem in kamer 2046 verblijft, en ze krijgen een relatie, maar zij maakt het uit omdat ze jaloers is op zijn andere vrouwen en eist trouw van hem. Wang Jing-wen (Faye Wong) is de dochter van de hoteleigenaar, is verliefd op een Japanner en leert de taal. Voor haar schrijft Chow een science fiction roman, waarvan scènes binnen de film gevisualiseerd worden. Wanneer zij definitief naar Japan is vertrokken denkt Chow terug aan zijn tijd in Singapore, waar hij een relatie had met professioneel gokker Su Li-zhen (Gong Li), misschien wel omdat ze dezelfde naam had als zijn verloren geliefde Su Li-zhen (Maggie Cheung), zo mooi verbeeld in IN THE MOOD FOR LOVE. Daarin werd gesuggereerd dat hun relatie strikt platonisch bleef, maar dat blijkt nu geenszins het geval te zijn geweest. De scènes met Mimi, die zich nu Loulou noemt (Carina Lau), verbinden 2046 met DAYS OF BEING WILD, maar het is nog steeds niet duidelijk of de door Maggie Cheung gespeelde Su Li-zhen uit DAYS OF BEING WILD dezelfde is als die uit IN THE MOOD FOR LOVE. In 2046 zit ze maar in één scène, een herinnering. Ondanks de weerbarstige constructie is als puntje bij paaltje komt 2046 een visueel verbluffende reflectie op de verloren geliefde, een zoektocht naar de verloren tijd. Liefde is een hopeloze onderneming en leidt slechts tot ontgoocheling. Via zijn nieuwe levensstijl, zijn herinneringen en het sciencefictionverhaal wil Chow afrekenen met het verleden, maar hij blijft een gevangene van datzelfde verleden. Dat wordt treffend uitgedrukt door de androids (opnieuw Faye Wong en Carina Lau), die niet in staat zijn het moment zelf te ervaren maar er pas later, al reflecterend, op kunnen reageren en de erbij passende emoties vertonen. Net als in CHUNGKING EXPRESS steelt Faye Wong de show, ondanks de aanwezigheid van China’s vrouwelijk topacteertalent (Wong Kar-wai is een echte vrouwenregisseur), terwijl voor Faye Wong acteren altijd maar een bijbaantje is geweest, naast haar zeer succesvolle zangcarrière.

2046 was Wong Kar-wai’s laatste samenwerking met Christopher Doyle, die, op AS TEARS GO BY na, bij al zijn films de camera hanteerde. Misschien waardeer ik persoonlijk CHUNGKING EXPRESS hoger, maar 2046 is Wong Kar-wai’s meesterwerk, zijn pièce de résistance.

Totdat ik de film gisteren weer eens zag behoorde THE UNTOUCHABLES (1987) voor mij tot de goede films van Brian De Palma. De film is nu behoorlijk in mijn waardering gedaald. De straten van Chicago, de interieurs, het ziet er allemaal nogal nep uit, veel te clean of te gemaakt rommelig. Het scenario van David Mamet gaat met zevenmijlslaarzen door het verhaal heen om dan binnen de scène spanning op te bouwen, zoals het wachten in de hut bij de Canadese grens, en blijkt dan soms totaal overbodig, zoals de zo geroemde trappenscène op het Centraal Station van Chicago. Is het nooit iemand opgevallen dat die kinderwagen helemaal niet de trappen af hoefde te donderen, Elliot Ness had hem al helemaal boven en hoefde hem nog maar een klein duwtje van de trap weg te geven, maar hij duwt hem de verkeerde kant op. Puur effectbejag. Verder is Kevin Costner als Elliot Ness wel ideaal gecast, degelijker en saaier kom je ze nauwelijks tegen, maar Sean Connery speelt zijn personage Malone met veel te veel superieure zelfingenomenheid, wat niet bij het personage past. En waarom wordt de Cubaan Andy Garcia altijd gecast als Italiaan? Hij doet het, voor zover hij ruimte krijgt van Costner en Connery, trouwens prima. De show wordt gestolen door Robert De Niro, over the top maar toch binnen de perken. Wat me opviel was dat hoe De Niro zijn rol van Al Capone invult bijna één op één gekopieerd is door Trump, de warrige logica, de onvoorspelbaarheid, het narcisme, tot aan de typische handgebaren toe. Dat is lachwekkend en tegelijkertijd griezelig, eng zelfs, maar er zit een zekere logica in. Trump is inmiddels zo ver heen dat het me niet zal verbazen als hij eerstdaags zal toegeven dat Al Capone zijn grote voorbeeld is.

Dix Steele (Humphrey Bogart) is een scenarioschrijver in Hollywood die al heel lang geen succes heeft gehad, omdat hij creatief is en weigert lopendebandwerk te leveren. Hij is cynisch en een opvliegend heethoofd. Hem wordt een boek aangeboden om te bewerken maar omdat hij geen zin heeft om het te lezen nodigt hij een meisje uit dat het boek al kent, om het hem te vertellen. Vlak nadat ze bij hem weggegaan is wordt ze vermoord. Natuurlijk valt de verdenking direct op Dix, maar zijn overbuurvrouw Laurel Gray (Gloria Grahame) heeft gezien dat de vrouw alleen wegging. Dix en Laurel worden oprecht verliefd op elkaar en hij begint koortsachtig te werken aan een nieuw scenario. In het begin zijn ze dolgelukkig met elkaar maar de innerlijke demonen van Dix komen weer bovendrijven en Laurel wordt steeds banger voor hem, hoewel ze nog steeds van hem houdt. In IN A LONELY PLACE uit 1950 van Nicholas Ray levert Bogart misschien wel zijn beste acteerprestatie uit zijn carrière, het lijkt alsof hij niet eens acteert maar gewoon zichzelf is, en wellicht is dat ook wel zo. Hij speelt zijn rol doorleefd en subtiel, daarbij geholpen door het intelligente scenario van Andrew Solt, dat zich niet zozeer bezighoudt met het oplossen van de moord (wat overigens uiteindelijk wel gebeurt), maar met welke impact het heeft op de betrokkenen, en door erg sterk tegenspel van Grahame. Saillant detail: Gloria Grahame en regisseur Nicholas Ray waren getrouwd, maar gingen scheiden tijdens de opnames, zonder het iemand te vertellen omdat ze bang waren dat anders een van hen van de film zou worden gehaald.

Je ziet Dix worstelen met zichzelf, in de fout gaan door weer een gewelddadige woedeuitbarsting, er oprecht spijt van krijgen, proberen zich te beteren, en falen. De film is perfect samen te vatten met een citaat, uitgesproken tijdens de scène van de still: I was born when she kissed me. I died when she left me. I lived a few weeks while she loved me. IN A LONELY PLACE is misschien een beetje vergeten maar is een van de beste films uit die periode, en kent het droevigste einde dat ooit in Hollywood op celluloid is gezet, samen met de film die Ray twee jaar ervoor maakte, THEY LIVE BY NIGHT (zia aldaar).

In Roman Polanski’s CHINATOWN (1974) onderzoekt privédetective Jake Gittes (Jack Nicholson) in 1937 corruptie en moord met betrekking tot de watervoorziening van woestijnstad Los Angeles. Centraal in de zaak staat Evelyn Mulwray (Faye Dunaway), de weduwe van de vermoorde eigenaar van de waterleiding-maatschappij en dochter van de oprichter ervan, Noah Cross (John Huston), die op de achtergrond nog alle touwtjes in handen heeft, ook bij de politie. Vader en dochter zijn echter ernstig gebrouilleerd. Het scenario van Robert Towne vertelt een nogal ondoorzichtig verhaal maar het zit perfect in elkaar en was goed voor een Oscar. De hele geschiedenis wordt, net zoals bij een klassieke hard-boiled detective, met de nodige sarcastische humor verteld vanuit één personage, in dit geval dus Gittes. Zijn vertellende voice over is op het laatste moment geschrapt, zodat de kijker zelf niet meer weet dan Gittes zelf. Hoewel hij het bed deelt met Evelyn Mulwray blijft Gittes haar mevrouw noemen. Cross vraagt hem op een gegeven moment op agressieve wijze of Gittes met zijn dochter slaapt. Saillant detail: in werkelijkheid waren Nicholson en Hustons dochter Anjelica net een relatie begonnen. De fatalistische eindscène speelt zich af in Chinatown, waar Gittes vroeger als politieagent gewerkt heeft. Het was lang voordat Nicholson zichzelf ging parodiëren en hij speelt hier overtuigend en krijgt prima tegenspel van Dunaway en Huston. Het moet voor Polanski, die zelf ook nog even meedoet als degene die met een mes Gittes’ neus bewerkt, een hell of a job zijn geweest te werken met de altijd lastige Dunaway, de luie en eigenzinnige Nicholson en de als bully bekend staande iconische grootheid Huston, en dan nog wel in de stad waar niet lang ervoor zijn vrouw vermoord werd. Het leverde in elk geval een fantastische film op.

In zijn extreem lange carrière speelde Harry Dean Stanton maar weinig hoofdrollen. Bijna niet te bevatten voor een acteur die elke film waarin hij al is het maar een kleine bijrol speelt meerwaarde geeft, maar waar. Net voor zijn dood kreeg hij nog eenmaal de kans in LUCKY (zie aldaar), die prachtige ode aan hem als negentigplusser, maar zijn rol als Travis in Wim Wenders’ PARIS, TEXAS (1984) is en blijft zijn meest iconische acteerprestatie. Na vier jaar rond-gezworven te hebben keert Travis terug in de bewoonde wereld van Los Angeles, waar zijn broer Walt (Dean Stockwell) en zijn vrouw Anne (Aurore Clement) zijn zevenjarige zoon Hunter (Hunter Carson) opgevangen hebben, en opgevoed alsof het hun eigen zoon is. Na weer te zijn geacclimatiseerd gaan Travis en Hunter op zoek naar Jane (Nastassja Kinski), de verdwenen geliefde van Travis en moeder van Hunter. Ze vinden haar in Houston, waar ze in een peepshow-gelegenheid werkt. De scène waarin hij in de derde persoon zijn verhaal doet over hun relatie en waarin Jane er gaandeweg achterkomt wie zich aan de andere kant van het spiegelende glas bevindt blijft extreem hartverscheurend. En de hereniging van Hunter met Jane niet minder. Al heb ik de film al ontelbare keren gezien, ik houd het dan niet droog, zelfs niet in gezelschap zoals deze keer. Het scenario van Sam Shepard en L. M. Kit Carson (Hunter Carsons vader) is op het randje, eigenlijk erg simpel maar ook bijzonder effectief. Menig regisseur had er een sentimentele draak van gemaakt, maar de briljante regie van Wenders, het prachtige camerawerk van Robby Müller, de sterke soundtrack van Ry Cooder en het uitmuntende, doorleefde spel van zowel Stanton als Kinski tillen de film ver boven zichzelf uit en maken er een superieure tearjerker van.

Dr Vollin (Bela Lugosi) is behalve een briljant arts ook geobsedeerd door Edgar Allan Poe, de dood en folteringen. Hij identificeert zich met de raaf en in zijn kelder bevinden zich martelwerktuigen zoals beschreven in de boeken van Poe, waaronder the pit and the pendulum en de kamer waarvan de muren zich naar elkaar toe bewegen. Nadat hij het leven van Jean Thatcher (Irene Ware) gered heeft, dochter van een belangrijk rechter (Samuel S Hinds), wordt hij verliefd op haar en nadat de rechter dat geweigerd heeft omdat hij Vollin maar een eng mannetje vindt bedenkt Vollin een plan om wraak te nemen op de rechter en zich Jean alsnog toe te eigenen. Als instrument gebruikt hij de misdadiger Bateman (Boris Karloff), die hij aan de linkerkant van zijn gezicht mismaakt heeft om hem met de belofte de schade te herstellen in zijn macht te krijgen en houden. Maar bankrover en moordenaar Bateman heeft nog wel degelijk moreel besef. THE RAVEN (1935) van Lew Landers aka Louis Friedlander is een klassieke Universal horror die nog steeds erg genietbaar is. Opmerkelijk is het verschil tussen de twee horroriconen: terwijl Lugosi het moet hebben van zijn sinistere voorkomen en vertrouwt op overdreven theatraal acteren, speelt Karloff subtiel, is in staat achter zijn mismaakte gezicht voorzichtig te laten doorschemeren wat in hem omgaat, je ziet zijn morele worsteling. Ik heb het al eens eerder gesteld: Boris Karloff was een briljant acteur, die wat mij betreft niet onderdoet voor, pak ‘m beet, Brando of De Niro. Overigens heeft deze THE RAVEN inhoudelijk niets te doen met Roger Cormans gelijknamige film van dertig jaar later, behalve natuurlijk de connectie met Poe, en het gegeven dat Karloff in beide films speelt, maar wel heel andere rollen.

In een film noir doet het hoofdpersonage vaak vanuit een terugblik via een voice over zijn verhaal; dat is meestal een niet erg betrouwbare vertelwijze, maar Johnny Farrell (Glenn Ford) maakt het in GILDA (1946) van Charles Vidor wel erg bont. Hij is een aan lager wal geraakte gokker die gered wordt door Ballin Mundson (George Macready), die in Buenos Aires een illegaal casino bezit, en vandaaruit andere schimmige zaakjes doet. Johnny klimt vlug op en is al snel Ballins vertrouweling en plaatsvervanger. Op een dag komt Ballin na een reis terug met zijn nieuwe vrouw, Gilda (Rita Hayworth). Het is meteen duidelijk dat Johnny en Gilda een verleden hebben en dat zulks niet goed afliep. Gilda wordt in de film neergezet als de femme fatale, maar dat lijkt slechts zo omdat we haar zien door Johnny’s ogen, wat de kijker niet meteen doorheeft. Wanneer de film vordert en we Gilda en wat haar motiveert beter leren kennen blijkt ze dat helemaal niet te zijn. Johnny is een trouw werknemer van Ballin, die eruit ziet als een SS’er zonder uniform. Dat hij zich ook zo gedraagt weten we via Gilda, terwijl Johnny loyaal aan de man blijft. Haat en liefde liggen in de film erg dicht bij elkaar, zo dicht dat het onderscheid niet meer te maken valt, want haat is geperverteerde liefde. De hartstocht die Johnny en Gilda in hun haat voor elkaar leggen is zinderend, gepassioneerder dan de meeste liefdesscènes in welke film dan ook. De onderlinge chemie tussen Ford en Hayworth spat bijna letterlijk van het scherm en genereert zoveel spanning dat het de kijker hartkloppingen bezorgt. Hoewel Hayworth in veel films zingt horen we nooit haar eigen stem, behalve in één scène in GILDA, wanneer ze met de gitaar in de hand Put the Blame on Mame zingt, en dan snap je niet (en zij zelf trouwens ook niet) waarom ze niet vaker zelf mocht zingen. Dat liedje raakt trouwens de kern waar de film om gaat.

Onder de Limburgse crew die elk jaar het Filmfestival Rotterdam bezocht ontstond een gezamenlijke afkeer van de films van Olivier Assayas. Hij stond voor ons symbool voor navelstaarderig geneuzel, was voor ons een prominent exponent van wat wij de relatiezeurfilm noemden. De door ons slechtst beoordeelde film van het festival kreeg in ons jaarlijks verslag ervan de Assayas Award. Neem nou IRMA VEP uit 1996. Je zou gezien het thema denken dat hij het deze keer anders sou aanpakken. Het gaat over een filmregisseur, René Vidal (Jean-Pierre Léaud), het symbool voor de Franse intellectuele film, die zijn beste tijd heeft gehad en alleen nog maar prutswerk aflevert. In THE HEROIC TRIO, een martial arts film uit Hongkong, ziet hij de actrice Maggie Cheung en hij haalt haar naar Parijs om een film met haar te maken, een remake van LES VAMPIRES, een klassieke Franse serial uit de tijd van de zwijgende cinema. Hij wil Maggie in de hoofdrol, of eigenlijk, hij wil Maggie in een strak latex pakje filmen. We volgen Maggie, die dus zichzelf speelt, hoe ze in een haar volkomen vreemde omgeving terechtkomt en zich er verloren voelt, al doet een deel van de crew nog zo zijn (voornamelijk: haar, Nathalie Richard) best haar erin te betrekken. De opnames van de film verlopen rampzalig en Vidal krijgt een zenuwinzinking. In werkelijkheid zag Assayas Maggie Cheung tijdens een festival en werd meteen verliefd op haar; hij deed de jaren erna alle mogelijke moeite om contact met haar te krijgen om een film met haar te maken. Het is dus niet eens een film over het maken van een film, maar een film over het maken van de film die gemaakt wordt. Het lijkt wel Mohsen Makhmalbaf, maar in tegenstelling tot de Iraanse meester maakt Assayas er een potje van, met vooral geneuzel en oninteressant en irritant gedoe. Met de muziek op de soundtrack (Sonic Youth, Serge Gainsbourg, Ali Farka Touré met Ry Cooder) is niets mis, en Maggie Cheung is haar gracieuze zelf, een genot om haar te zien, vooral als ze gewoon een beetje om zich heenkijkt en het geneuzel om zich heen lijdzaam ondergaat. Je ziet bij haar achter het beleefde lachje en pogingen om deel van het gezelschap te worden de wanhoop toenemen, en is dat wel geacteerd? Niettemin krijgen Cheung en Assayas een relatie maar tijdens de volgende film die ze samen maken, het best wel aanvaardbare CLEAN, overhandigt ze hem tijdens de opnames de echtscheidingspapieren. Soms is de film moeilijk te volgen omdat tegen en met Cheung Engels gesproken wordt en Fransen die Engels spreken, dat is bijna een taal op zich.

Welke film ga ik kijken op kerstavond? Ik had NIGHT OF THE LIVING DEAD en LET THE RIGHT ONE IN klaarliggen om uit te kiezen, maar wilde toch een beetje in de kerststemming komen met iets luchtigs, voor de hele familie. Een film die je zomaar met kerstmis op de tv zou kunnen zien. Nee, geen SISSI of IT’S A WONDERFUL LIFE. Wat dacht je van HOW TO MARRY A MILLIONAIRE van Jean Negulesco uit 1953? Het was een van de eerste cinemascopefilms en zo ongeveer de eerste in stereo. Het gaat over drie modellen die een miljonair aan de haak willen slaan en daarvoor samen een duur penthouse in New York huren: de slimme wat hooghartige Schatze (Lauren Bacall), de oliedomme Loco (Betty Grable) en de, als ze haar bril niet draagt en die draagt ze nooit met een man in de buurt, stekeblinde Pola (Marilyn Monroe). Het is een onbezorgde en nog steeds erg leuke komedie, prima geacteerd door de drie sterren, daarbij ondersteund door Rory Calhoun, David Wayne, Fred Clark, Cameron Mitchell en William Powell. Natuurlijk eindigt Schatze bij de man tegen wie ze, een rode draad gedurende de film, talloze malen zegt dat ze hem hierna nooit meer wil zien, die geen ‘grease monkey’ blijkt te zijn maar een echte miljonair. Ook de andere twee vinden de liefde. Zo hoort dat in dergelijke films. De film levert enkele knipogen naar de wereld buiten het gesloten romantisch realisme, zeker in die tijd nog een sine qua non in Hollywood. Wanneer Pola (Monroe) een rood badpak showt wordt gezegd dat diamonds are a girl’s beste friend, daarbij refererend aan Monroe’s vorige film GENTLEMEN PREFER BLONDES, waarin ze het bewuste liedje zingt. Het leukst is wanneer Schatze (Bacall) zegt dat ze van oudere mannen houdt, zoals, hoe heet die oude vent uit THE AFRICAN QUEEN alweer? Ze doelt natuurlijk op Humphrey Bogart, Lauren Bacalls man. Je zou verwachten dat met drie sterren samen er gegarandeerd onderlinge heibel zou komen maar de drie werden vriendinnen en trokken samen op, en dat zie je in de film. Puur gedachteloos entertainment, maar als het zo goed gemaakt wordt als deze film, niets op tegen, integendeel.

Met de fatalistische sombere woorden die al meteen bij het begin door George Loomis (Joseph Cotton) worden uitgesproken is de toon van NIAGARA (1953) van Henry Hathaway onherroepelijk gezet. We komen er gaandeweg achter dat hij een met psychische problemen teruggekeerde soldaat uit Korea is. Hij heeft een hutje gehuurd met uitzicht op de Niagara watervallen, samen met zijn vrouw, de flirterige Rose (Marilyn Monroe), met de bedoeling dat hij er wat zou opknappen. Rose heeft echter meer dan genoeg van zijn gedrag, de somberheid en de woede-uitbarstingen, en heeft zijn moord gepland, uitgevoerd door haar minnaar (Richard Allan). Intussen is een nieuw paartje gearriveerd in het vakantiepark, Polly (Jean Peters) en Ray (Casey Adams) Cutler, op een verlate huwelijksreis en omdat hij een prijs op werk heeft gewonnen en de grote baas mag ontmoeten, want het hoofdkantoor bevindt zich ook daar. George vindt een luisterend oor bij de empathische Polly, maar of hiermee het noodlot gekeerd kan worden? NIAGARA is een film noir in technicolor, kent een prima script (van Charles Bracket), goed spel van de drie hoofdpersonages Cotton, Monroe en Peters, en is zeker spannend, vooral omdat je niet weet welk pad de film precies gaat volgen. De Niagara watervallen zijn een uitstekende locatie, als achtergrond en er midden tussen, overdonderend mooi natuurgeweld dat, al wordt het geprobeerd, niet door mensenhand getemd kan worden en in een handomdraai een bedreiging kan gaan vormen. Hetzelfde kan gezegd worden over Rose, en de film trekt dan ook die parallel. Uiteindelijk kan George de ene bedwingen, de andere echter niet.

Casey Adams (aka Max Showalter) acteert als een kind en dat is erg irritant, gênant zelfs, vooral omdat je aanvoelt dat Adams niet tot veel beter in staat is, en zijn baas Kettering (Don Wilson) maakt er met zijn overdreven joviale gedrag helemaal een potje van. Zonder deze twee, die ongetwijfeld in de film zitten om wat lucht toe te voegen maar de kijker telkens ergeren en uit de film trekken, was NIAGARA een erg goede film geweest.

Aan alles bij SOLARIS (1972, naar de roman van Stanislas Lem) kun je zien dat regisseur Andrej Tarkovski totaal niet geïnteresseerd is in science fiction, dus lapt hij alle techniek en alle regels die met ruimtevaart te maken hebben aan zijn laars. Het zou zich net zo goed op een afgelegen deel van de Aarde waar andere natuurwetten gelden kunnen afspelen, wat hij een paar jaar later met STALKER, de beste film ooit gemaakt, inderdaad zou gaan doen. De psycholoog Kris Kelvin (Donatas Banionos) komt aan op een ruimtestation dat de planeet Solaris observeert. Van de 85 bemanningsleden zijn er nog 3 over, twee eigenlijk omdat een van hen zelfmoord heeft gepleegd. Al lang geleden is door wetenschappers de route om de wetten van Solaris te onderzoeken en proberen te begrijpen losgelaten, en Kelvin is er om te bekijken in hoeverre de vreemde verschijnselen, die voortkomen uit de planeet, een grote oceaan die een bewust wezen lijkt te zijn, het geestelijke welbevinden van de bemanningsleden hebben aangetast, en om het ruimtestation te ontmantelen. Hij treft wanorde aan, en de twee wetenschapper aan boord reageren vreemd.

Kelvin komt er al snel achter dat het planeetbewustzijn mensen uit de herinneringen van de individuele mens kan materialiseren. Hij wordt wakker en zijn ex-vrouw Hari (Natalya Bondarchuk), die tien jaar eerder zelfmoord heeft gepleegd, is weer tot leven gewekt. Via haar, door haar te beschouwen als een echt mens en een (hernieuwde) liefdesrelatie met haar aan te gaan probeert Kelvin tot het bewustzijn van de planeet door te dringen. En inderdaad wordt ze steeds meer mens, wordt ze zich bewust van haar eigen situatie en van wie ze in werkelijkheid is, maar dat gaat ten koste van hem. In feite houdt de film ons een spiegel voor en reflecteert op ons mens-zijn. Dr. Snaut, een van de twee overgebleven wetenschappers, zegt: “Wetenschap? Onzin! In deze situatie zijn middelmatigheid en genialiteit allebei nutteloos. Ik moet vertellen dat wij helemaal niet verlangen om welke kosmos dan ook te veroveren. Wij willen de Aarde uitbreiden tot de grenzen van het universum. We weten niet wat te doen met andere werelden. We hebben geen andere werelden nodig. We hebben een spiegel nodig. We worstelen om contact te maken, maar het lukt ons nooit. We bevinden ons in de belachelijk positie dat we een doel nastreven waar we bang voor zijn en dat we niet eens nodig hebben. Het gaat om de mens in relatie tot de mens.” De film probeert liefde te doorgronden, niet slechts liefde als intermenselijke relatie, maar vooral Liefde als het allesomvattende en verstandelijk onbegrijpelijke begrip waar Christus het over heeft, hier verbeeld als de liefde tussen mens en projectie (Kris en Hari). De eindscène van deze contemplatieve, de grote levensvragen stellende film is troostend en tegelijkertijd zeer verontrustend.

SOLARIS uit 2002 van Steven Soderbergh is geen remake van de gelijknamige film van Tarkovski (zie direct hierboven) maar een nieuwe verfilming van het boek van Stanislas Lem. Omdat beide films hetzelfde bronmateriaal gebruiken komen de verhaallijnen grotendeels overeen, al wijkt het einde nogal af (maar blijft in essentie overigens gelijk). Ook hanteert Soderbergh hier een bedachtzame stijl, net als Tarkovski, vol onderhuidse dreiging, daarbij geholpen door de magnifieke muziekscore van Cliff Martinez (drummer bij de laatste incarnatie van Captain Beefheart & The Magic Band). Hoewel de verklaarde atheïst Soderbergh wel degelijk zo nu en dan een religieuze, existentialistische insteek laat doorschemeren is zijn SOLARIS meer een verhaal over schuldgevoel, menselijke liefde en moraal. Hij concentreert zich veel meer op de voorbije relatie tussen Chris Kelvin (George Clooney) en Freya, zoals Hari nu heet (Natascha McElhone), en spiegelt deze aan wat tussen Kelvin en de Solaris-Freya gebeurt. Sterker nog, de Solaris-Freya spiegelt zichzelf voortdurend aan de Aarde-Freya. Dat maakt deze film meer een onconventioneel liefdesverhaal in een science fiction setting dan de abstractere, een uur langer durende versie van Tarkovski. Dat wil niet zeggen dat Soderberghs interpretatie niet geslaagd is. Integendeel, hij maakt er een sterke film van, met prima spel van Clooney en McElhone, naast de, als altijd, erg krachtig spelende Viola Davis en de mafketel Jeremy Davis.

De Duitse expressionistische film was geen lang leven beschoren, minder dan tien jaar in de jaren 20 van de vorige eeuw, maar bleek van grote invloed voor de ontwikkeling van de cinema. Enkele kenmerken ervan zijn de zeer contrastrijke belichting, veelal met slechts één spot op slechts één punt gericht, de zware makeup van de acteurs, het expressieve acteren, de duistere onderwerpen (zoals gekkenhuizen) en de geschilderde decors, altijd chaotisch en schots en scheef, het doolhof dat het menselijke brein is aldus als omgeving gevisualiseerd. De film noir en de horror zijn niet denkbaar zonder het Duits expressionisme. Met het vroege meesterwerk DAS KABINETT DES DR. CALIGARI uit 1920 van Robert Wiene begon het zo ongeveer. Het is een raamvertelling, waarin Franzis (Friedrich Fehér) vertelt over hoe eens in zijn geboortestad een Dr. Caligari (Werner Krauß) op de kermis een act had met de somnambule Cesare (Conrad Veith), die als hij wakker was voorspellingen deed die uitkwamen. Zo voorspelde hij dat Franzis’ vriend bij het ochtendgloren zou sterven, en inderdaad, hij wordt dan vermoord. Meer moorden vinden plaats. Hun vriendin Jane (Lil Dagover) wordt ontvoerd door Cesare maar hij kan het niet over het hart verkrijgen haar te vermoorden. Dan ontdekt Franzis wie Caligari echt is: de directeur van het gekkenhuis. Maar dan komt de vraag op of de verteller van het verhaal eigenlijk wel een betrouwbare bron is. De versie die ik heb is, ondanks de Franse uitgave, de Amerikaanse versie die twintig minuten korter is dan het origineel van 72 minuten, terwijl nota bene op de hoes staat dat hij 100 minuten duurt. Met de andere film op de dvd, GENUINE, ook van Wiene uit dezelfde periode, wordt het nog bonter gemaakt: de 88 minuten durende film duurt hier slechts 3 minuten. Conrad Veidt zal later in CASABLANCA spelen; ook Fehér en Wiene zullen de nazi’s ontvluchten, terwijl Krauß zich zal ontpoppen als rasechte nazi en Dagover op zijn aardigst gezegd een nazi-meeloper wordt.

Topregisseur en Oscarwinnaar Asghar Fahradi heeft gelukkig uit het totaal mislukte Spaanse uitstapje van TODOS LO SABEN (zie aldaar) de conclusie getrokken dat hij beter op zijn plek is in Iran, en neemt daar revanche met het opnieuw sterke A HERO (GHAHREMAN, 2021). Zijn films zijn weliswaar universeel maar ook diep geworteld in de Iraanse cultuur en zeden. In deze film zit Rahim (Amir Jadidi) in de gevangenis omdat hij een schuld aan zijn voormalige schoonbroer niet kan afbetalen. Hij krijgt twee dagen verlof om de schuld te vereffenen. Zijn vriendin Farkhondeh (Zahar Goldoost) heeft een tas met gouden munten gevonden en hij komt in de verleiding die te verkopen, maar zijn geweten speelt op en hij onderneemt actie om de eigenaar van de tas te vinden. Dat gebeurt en de tas met goud wordt teruggegeven. Wanneer het management van de gevangenis dit ter ore komt zoeken ze de publiciteit op en wordt Rahim tegen wil en dank een held. Een NGO die de belangen van gevangenen behartigt zamelt geld voor hem in, maar het is niet het hele bedrag. De schuldeiser gaat niet akkoord, vindt de ophemeling van Rahim hypocriet (en heeft daar een punt) en is onbarmhartig. Dan verschijnen berichten in de sociale media die Rahims verhaal in twijfel trekken en moet Rahim de vrouw van wie de tas met goud is terugvinden. Dat lukt niet. Niet alleen de goedgelovige naïeve Rahim is slachtoffer van de sociale media campagne, maar ook de gevangenisdirectie en de NGO. En door het gebrek aan empathie krijgt de schuldeiser zijn geld niet. Iedereen verliest. Het is een verhaal over geweten en eer geworden waarin kleine leugentjes om bestwil door toedoen van de geruchtenmachine die sociale media heet desastreuze gevolgen krijgen. De film vertoont veel overeenkomsten met Fahradi’s vroege film THE BEAUTIFUL CITY (zie aldaar).

Vanwege het overlijden deze week van de Hongaarse regisseur Béla Tarr trok ik een dvd uit de kast met een vroege film van hem die ik nog niet gezien had. THE OUTSIDER (SZABADGYALOG) speelt zich eind jaren zeventig af en concentreert zich op András, een ambitieloze jongeman die viool speelt, werkt als verpleger, ontslagen wordt vanwege zijn alcoholgebruik, en in een draadstaalfabriek terechtkomt, en uiteindelijk diskjockey wordt in een treurig buurtcentrum. Hij heeft een pasgeboren zoon bij een vrouw die hem afwijst. Hij is de beroerdste niet maar het is de rode draad in zijn leven: afgewezen worden (vrouwen) en weggestuurd worden (werk, conservatorium). Hij krijgt een relatie met Kata, ze trouwen maar vanwege geldproblemen en zijn passiviteit loopt dat ook niet bepaald op rolletjes. Op de bruiloft is er geen gezicht te zien waar een glimlach vanaf kan. András’ beste vriend overlijdt tijdens de bruiloft aan een overdosis. De priester zegt op de begrafenis: “Doordat hij zo jong gestorven is blijft hem tenminste een zwarte toekomst bespaard.” Ten slotte wordt András opgeroepen voor militaire dienst. De titel slaat minstens net zo op de plek die de film inneemt in Tarrs oeuvre als op het hoofdpersonage. De film is opgenomen in kleur, hoe vaal ook, en werkt vooral in close ups; een typisch grauwe Oostblokfilm. Tarr heeft zijn eigen stijl nog niet gevonden, geen magnifieke zwart-wit totalen, geen tijd die bevroren lijkt. Wat me opvalt is de gelijkenis met mij en de mensen om me heen uit die tijd: hetzelfde lange haar, scheiding in het midden, baard, soms woest zoals bij András’ broer, en dezelfde lamlendigheid: No Fun, No Future. Dat leefde dus net zo in het Oostblok als in het westen.

Een tijdje geleden bij de beschrijving van IRMA VEP (zia aldaar) noemde ik Olivier Assayas’ CLEAN (2004) best wel aanvaardbaar, geheel de lijn volgend dat Assayas naar mijn oeroude mening niet in staat is goed werk af te leveren. Is dat wel zo? Denk ik er nu nog steeds zo over? Tijd dus om CLEAN uit de kast te pakken en in de dvd-la te schuiven. De film gaat over Lee Hauser en Emily Wang, een rockmuzikantenechtpaar dat aan de heroïne is. Dat hij een junkie is geworden, niet meer in staat is goede muziek te maken en er geld mee te verdienen is volgens iedereen om hem heen aan haar te wijten. Wanneer hij aan een overdosis sterft komt zij in de gevangenis. Hierna wil ze breken met het verleden, zweert de drugs af en wil hun zoontje, die bij Lee’s ouders in Canada opgroeit, weer zien. Maar iedereen laat haar in de steek, al is de bitch van weleer getemd en een schuchtere vrouw geworden. We volgen Emily en zien de tegenslagen, zien haar opkrabbelen en haar leven weer op orde krijgen. Het eerste deel van de film is vintage Assayas, een hoop maar matig interessant gedoe rondom verziekte onderlinge relaties, maar dan, op driekwart van de film, wanneer Emily mede dankzij de schoonvader met het gouden hart haar zoontje weer ziet, gebeurt er iets magisch. Het weerzien van Emily met haar zoontje is zo vanzelfsprekend gefilmd, zo ontdaan van elk (melo)drama dat het juist sterk ontroert. De scène erna, wanneer ze de dierentuin bezoeken, is juist door de eenvoud en natuurlijkheid het hoogtepunt van de film. De rol van Emily is door Assayas speciaal voor zijn toenmalige bijna ex-vrouw Maggie Cheung geschreven en zij draagt de hele film met prachtig spel, waarvoor ze in Cannes de prijs voor beste actrice won; het bleek haar laatste rol te zijn voordat ze zich uit de filmwereld terugtrok. Nick Nolte zet als haar schoonvader een sterke, diep empathische rol neer. Verder met Don McKellar, Jeanne Balibar en Béatrice Dalle. De soundtrack van vooral Brian Eno is magnifiek, het gastoptreden van Tricky is erg leuk, en op het laatst mag Maggie Cheung zich nog begeleid door David Roback (Mazzy Star) bewijzen als zangeres, een verrassing van Assayas voor Cheung, wier lang gekoesterde wens om in een film te mogen zingen in vervulling ging, een soort echtscheidingscadeau. Ze is dus ook een goede zangeres!

Voor THE BLACK CAT (1934) gebruikte regisseur Edgar G. Ulmer de verwijzing naar Edgar Allan Poe alleen maar om publiek te lokken, want het verhaal had maar weinig te maken met de Amerikaanse schrijver. Boris Karloff en Bela Lugosi spelen hier voor het eerst samen, nog zeven films zullen volgen. Een pas getrouwd Amerikaans paar Peter en Joan Alison (David Manners en Jacqueline Wells) strandt op hun huwelijksreis in Hongarije. Medepassagier Dr Vitus Werdegast (Lugosi) brengt hen naar het huis van architect Hjalmar Poelzig (Karloff), waar hij zelf op weg naartoe is. Werdegast verdenkt Poelzig van misdadige praktijken tijdens de oorlog, waaronder zijn eigen gevangenschap en het verdwijnen van zijn vrouw Karen (Lucille Lund). Wanneer Poelzig Joan ziet wil hij haar gebruiken voor zijn geplande satanische nieuwemaansritueel. Peter en Joan doen vergeefse pogingen te ontsnappen, terwijl Poelzig Werdegast uitdaagt voor een partij schaak om de ziel van Joan. Joan ontdekt intussen dat Poelzig getrouwd is met de dochter van Karen en Werdegast (opnieuw Lucille Lund). THE BLACK CAT moet het niet zo hebben van het verhaal, dat niet erg logisch en consistent is, maar valt vooral visueel op, vanwege de belichting en de krankzinnige architectuur van Poelzigs huis, geïnspireerd door het Duitse expressionisme. Ook de botsing van de twee horrorgiganten, beiden hier op hun sinistere best, maakt van de film een bezienswaardigheid.

Voor een echte verfilming van Poe's THE BLACK CAT, door Dario Argento, zie TWO EVIL EYES

Zoals zo veel Amerikaanse regisseurs van zijn generatie begon ook Martin Scorsese in de stal van producent Roger Corman. Hij maakte er BOXCAR BERTHA (1972), naar de autobiografische roman van Bertha Thompson, hoewel eraan getwijfeld wordt of deze vrouw echt bestaan heeft. De film speelt zich af in het zuiden van de VS tijdens de Grote Depressie. De titelrol is voor Barbara Hershey in pas haar tweede hoofdrol. Na haar vaders dood waar een rijke landeigenaar schuld aan is, komt ze in contact met Big Bill Shelly (David Carradine, in die tijd in een relatie met Hershey), een communistische vakbondsman die strijdt tegen de uitbuiting door de spoorwegen (geleid door Sartoris, gespeeld door zijn vader John Carradine). Uiteindelijk vormen zij een kwartet met de yankee gokker Rake (Barry Primus) en de zwarte spoorwegarbeider Von (Bernie Casey), om de rijken te beroven, van hen te stelen en hen te overvallen, en de buit aan de onderdrukten te geven, waarbij ze achternagezeten worden door een soort Jansen en Janssen, maar wel van de schietgrage en meedogenloze soort (onder wie we Victor Argo herkennen, die heel vaak in films van Scorsese zal gaan meespelen). De film drukt ons bij hernieuwd zien met de neus op het feit dat wat we nu bij de VS zien, niets nieuws onder de zon is: het is altijd een racistische schurkenstaat geweest, en ICE heeft er, al was het toen onder een andere naam, altijd Gestapo-achtige praktijken op nagehouden. Men beweert wel dat waarlijk grote kunst alleen ontstaat in miserabele omstandigheden, en, al ben ik het maar beperkt eens met de stelling, inderdaad: de kunst is in de VS altijd van een zeer hoog niveau geweest. Toen ik de film voor het eerst zag was ik echter 13 en had ik alleen oog voor de engelachtige en onschuldige uitstraling van Hershey. Behalve het reizen per trein in lege goederenwagons waren haar twee naaktscènes ook zo ongeveer het enige wat ik me van de film kon herinneren. Zelfs de choquerende slotscène was ik vergeten. De film past in het rijtje van BONNY & CLYDE, BLOODY MAMA en BADLANDS, is vaak gewelddadig maar kent ook komische momenten en geeft ruimte aan Scorsese’s dan al ontluikende filmische talent.

In OUT OF TIME (2003) speelt Denzel Washington Matt Whitlock, een goedgelovige en weinig ambitieuze sheriff op een van de Florida Keys. Hij staat op het punt om te scheiden van Alex (Eva Mendes), die wel meer wil en rechercheur in Miami is geworden, en hij heeft een stiekeme relatie met Ann Merai (Sanaa Lathan), die getrouwd is met Chris, een agressieve ex-sporter (Dean Cain). Zij heeft echter kanker en hij steelt in beslag genomen drugsgeld uit de politiekluis voor haar behandeling. Wanneer het huis van Anne Merai en Chris uitbrandt, twee verkoolde lijken worden gevonden en het opzet blijkt, weet Matt dat alles naar hem zal wijzen en hij moet zich tot het uiterste inspannen om de zich opstapelende sporen in zijn richting weg te werken voordat Alex, die op de zaak gezet is, ze ontdekt. Hoe hij dat klaarspeelt, meer dan of hij het klaarspeelt, bepaalt de voortgang van de film (en de titel). Het is een gelikte politiefilm met neo-noir elementen geworden, met prettige acteurs, er zit vaart in en, zoals gebruikelijk in dit soort Hollywoodfilms, een enorme plottwist. Niet bijzonder, maar je verveelt je niet. Als de slonzige komische sidekick zien we John Billingsley (dokter Phlox in Star Trek: Enterprise) als patholoog-anatoom. De eindscène, een geforceerd happy ending, verziekt echter met terugwerkende kracht al het popcornplezier dat je aan de film hebt beleefd.

Hoewel zowel de film die ik gisteren weer zag (OUT OF TIME, zie aldaar) als die van vanavond als neo-noirs te boek staan, kan het verschil niet groter zijn. ROMEO IS BLEEDING uit 1993 van Peter Medak, die eerder THE KRAYS maakte, is een groezelige film over corrupte, moreel uitgebluste politieman Jack Grimaldi (Gary Oldman), die in de zak zit bij maffiabaas Falcone (Roy Scheider) en de opdracht krijgt huurmoordenaar Mona Demarkov (Lena Olin) om te brengen. Hoewel Grimaldi getrouwd is met Natalie (Annabella Sciorra) en er ook een vriendinnetje op na houdt (Juliette Lewis) wordt hij verliefd op de o zo gevaarlijke, maniakale maar ook erg verleidelijke Mona. Hij komt tussen twee vuren, beide meedogenloos en niet van plan hem ergens mee weg te laten komen. ROMEO IS BLEEDING behoort tot de in die tijd erg populaire Nouvelle Violence substroming en is nihilistisch deprimerend van toon, daarbij geholpen door de sterke jazzy muziekscore van trompettist Mark Isham. Met name Oldman, Sciorra en Scheider zetten prima rollen neer, maar Olin is me te zeer over the top. “Je weet best het verschil tussen goed en kwaad,” zegt Falcone tegen Grimaldi, “alleen interesseert het je niet.” Falcone heeft niet helemaal gelijk, want Natalie vertegenwoordigt voor Jack het goede, waar het werkelijk om gaat, en de scènes tussen Jack en Natalie zijn de enige momenten in de film waarin je iets anders voelt dan leegte en cynisme, namelijk melancholie en de laatste resten van liefde. De eindscène, en daar heb je het totale contrast met OUT OF TIME weer, is van een gruwelijke verlorenheid en doet pijn in je hart.

Film is manipulatie. Film dwingt de kijker bewust in een richting die bij volle verstand nooit genomen zou worden, zelfs verafschuwd. Neem nou A TIME TO KILL (1996) van Joel Schumacher, een bombastische legal thriller naar een boek van John Grisham. Mississippi, heden. Carl Lee (Samuel L Jackson) vermoordt de twee redneck nazi’s die zijn 10-jarige dochter Tonya gruwelijk mishandeld en verkracht hebben. De jonge gepriviligeerde advocaat Jake Brigance (Matthew McConaughey) verdedigt hem. Freddie Lee (Kiefer Sutherland), de broer van een van de verkrachters, richt een nieuwe afdeling van de Ku Klux Klan op, in feite omdat een zwarte man een proces krijgt. De film is zo gemaakt dat alle sympathie bij Carl Lee ligt. Dat is ook niet moeilijk want de film kent weinig subtiliteit en stelt de liefhebbende zorgzame zwarte bewoners van het dorp recht tegenover de van haat en racisme doordrenkte kring rondom Freddie Lee. Bovendien is wat het meisje overkomt enorm gruwelijk en begrijpen we helemaal waarom de man het recht in eigen hand neemt. Dat argument komt in de film verschillende keren naar voren. Maar begrijpen, met iemand sympathiseren, is niet per se het recht laten prevaleren. We bevinden ons als kijker dus in de situatie dat we met hart en ziel eigenrichting goedkeuren, er zelfs bij juichen. Want, zo stelt de film, als we in een rechtstaat hadden geleefd zou eigenrichting niet nodig zijn. Dat moge zo zijn, en de VS zijn nooit een rechtstaat geweest en nu al helemaal niet meer, maar precies dat argument hanteert de andere kant ook. Ook de lynchers zijn ervan overtuigd dat ze met hun acties de krakkemikkige rechtspraak corrigeren. En wat als het andersom was geweest, dezelfde truc toepassend waarmee Brigance in zijn slotpleidooi de jury uiteindelijk overtuigt? Door het ijzersterke acteren van Jackson en McConaughey en de manipulatieve kracht van Schumacher (en Grisham) keren we de rechtstaat de rug toe en begeven we ons in een moreel moeras. Ook ik, al heb ik het voorrecht wel in een redelijk functionerende rechtstaat te leven, waarin bovendien de gruwel van juryrechtspraak niet voorkomt.

Omdat de mensheid er niets van bakt besluit de Chairman zijn dienaren, mannen met hoeden, naar beneden te sturen om ervoor te zorgen dat, als de mens te zeer afwijkt van de uitgestippelde route, zij kunnen ingrijpen zodat de mens het pad weer gaat dat voor hem bepaald is. THE ADJUSTMENT BUREAU uit 2011, naar een verhaal van Philip K Dick, geeft een erg bureaucratische interpretatie van God en zijn engelen. David Norris (Matt Damon) is een veelbelovend maar ook te impulsief politicus en verliest de verkiezingen, maar het is de bedoeling dat hij ooit president wordt. Dan mag hij echter geen relatie krijgen met veelbelovend danseres Elise (Emily Blunt), want hun liefde voor elkaar zou zo allesbepalend zijn dat beider maatschappelijke ambities uit het oog verloren raken. Maar ook engelen maken foutjes en zo ontmoeten de twee elkaar toch en hoe hard ze ook worden tegengewerkt met aanpassingen van hogerhand, hun zich aangetrokken voelen tot elkaar, daar valt niet tegen op te corrigeren, zelfs niet als Thompson (Terence Stamp), een soort aartsengel, ingeschakeld wordt. In feite is de film niet meer dan een uitwerking van de spreuk die in elk geval vroeger in elke schoolagenda stond, zelfs bij Mavo-gangers: Amor Omnia Vincit. Liefde overwint alles, en noopt zelfs de Chairman het beoogde plan voor hen aan te passen. De film wordt met vaart verteld en op de een of andere manier past de bonkige charme van Damon goed bij de natuurlijke charme van Blunt, en is een originele manier gevonden om het cliché van de ware liefde die zich niet laat beteugelen in een fris jasje te steken. De andere, filosofische vraag, in hoeverre de vrije wil bestaat en in welke mate we zelf bepalen wat we doen, blijft onderbelicht.

DRÔLE DE DRAMA uit 1937 is een volkomen maffe komedie van regisseur Marcel Carné en schrijver Jacques Prévert, ook samen verantwoordelijk voor LES ENFANTS DU PARADIS (ooit door een vriendin uitgeroepen tot beste film aller tijden). Het speelt zich af in Engeland en gaat over een bisschop die ten strijde trekt tegen misdaadlectuur, en als getuige zijn neef opvoert, een botanist die boeken schrijft over mimosa, niet wetend dat de neef onder pseudoniem de misdaadboeken schrijft waar hij zo tegen te hoop loopt. Dan verdenkt de bisschop op bezoek bij zijn neef hem ervan zijn vrouw te hebben vermoord (die hem slechts ontloopt vanwege diens nare karakter), en schakelt Scotland Yard in, die onder het motto ‘de misdadiger keert altijd terug naar de plaats van het misdrijf’ gewoon in het huis gaat zitten wachten. Totale chaos breekt uit, tot oproepen tot lynchpartijen aan toe, want de massa waait met elke wind en elke nieuwe verdachte mee. Verder loopt er een jongeman rond die altijd een fiets bij zich heeft, ook als hij ergens naar binnen gaat, een slachter die geen dieren slacht omdat hij van dieren houdt en daarom juist de slagers vermoordt, een misdaadjournalist die altijd dronken is en slaapt en in zijn dromen de misdaden oplost, de melkman die omdat hij verliefd is op het dienstmeisje elke dag melk komt brengen, zodat de hele keuken vol staat met wel honderd flessen melk, en de extreem rijke tante van de twee neven, die voortdurend haar hond Canada zoekt, die al jaren dood is, zo Engeland in zijn hemd zettend. Een onmogelijk na te vertellen, bizarre komedie.

De Franse nouvelle vague regisseur François Truffaut was een groot bewonderaar van Hitchcock. Hij interviewde hem uitgebreid, wat resulteerde in het boek Le Cinéma selon Hitchcock. Een paar jaar erna maakte Truffaut LA MARIÉE ÉTAIT EN NOIR (1968), naar een boek van Cornell Woolrich, die ook Hitchcocks REAR WINDOW geschreven had. Ook huurde Truffaut Hitchcocks vaste componist in, Bernard Herrmann. Het is meer een hommage aan dan een film in de stijl van Hitchcock. Julie Kohler (Jeanne Moreau) vermoordt tijdens de film doelgericht vijf mannen, en reist daarvoor heel Frankrijk door. Na de derde wordt uit de doeken gedaan waarom, en wat de mannen met elkaar verbindt. Tijdens de openingsscène hebben we al gezien dat ze geen koelbloedige psychopaat is maar gekweld wordt door wat die vijf mannen haar, zonder haar te kennen, hebben aangedaan. Voor de slachtofferrollen zijn niet de minste Franse acteurs geselecteerd: Claude Rich, Michel Bouquet, Michael Lonsdale, Charles Denner en, de enige die ik niet kende, Daniel Boulanger. Voor de laatste moet ze veel moeite doen, zelfs in de val lopen van Corey (Jean-Claude Brialy), die bevriend was met de eerste en ook met de vierde, wanneer hij haar herkent. Ze laat zich opzettelijk arresteren om nummer vijf te kunnen vermoorden. LA MARIÉE ÉTAIT EN NOIR is een zeer amusante film geworden, en om geen van de mannen hoeft getreurd te worden (ik zeg dat natuurlijk binnen de context van de film), want ze zijn achtereenvolgens misogyn, zielig, arrogant, opnieuw misogyn en misdadig.

Genoeg van de winter probeer ik de seizoenen achter de vodden te zitten en misschien helpt het kijken naar EARLY SPRING (SÔSHUN) uit 1956 van Ozu Yashujirô wel. Sugiyama, door iedereen Sugi genoemd (Ikebe Ryô), werkt op een kantoor. Zijn huwelijk met Masako (Chikage Awashima, vaker in films van Ozu te zien) is op een dood spoor beland en zij brengt meer tijd door met haar moeder en de buurvrouw dan met haar man. Hij komt sowieso steeds later thuis. Hij krijgt een relatie met Chiyo, een vrouw die elke ochtend dezelfde trein naar werk neemt als hij, die Goudvis genoemd wordt (Kishi Keiko), en bekend staat als een flirt. Hoewel ze alles heimelijk doen wordt er al snel flink geroddeld, zowel door zijn als door haar collega’s. Ook Masako begint iets te vermoeden. In deze film onderzoekt Ozu de veranderende man-vrouwverhouding in de Japanse maatschappij. De mannen mogen dan wel denken dat ze de baas zijn en zich ook zo gedragen, zo eist Sugi dat het eten klaar is als hij thuiskomt en laat hij de kleren achter waar hij ze uittrekt, van Masako verwachtend dat zij die opraapt en ophangt of in de was doet, de vrouwen pikken het gedrag niet langer. Dat zien we bij uitstek bij Goudvis, een moderne jonge vrouw die haar eigen leven bepaalt, maar ook bij de huiselijke Masako, die als ze het zat is gewoon bij hem weggaat. EARLY SPRING is een boeiende film, met mooi ingetogen acteerwerk, en wat stijl en camerawerk betreft een typische Ozu (zie daarvoor bij TOKYO STORY op deze site), maar duurt met zijn tweeëneenhalf uur wel erg lang.

Op de foto boven Masako, onder Sugi met Goudvis en enkele collega's

In CHINA MOON (1994) is Kyle Bodine (Ed Harris) rechercheur moordzaken ergens in Florida. Hij heeft rookie Lamar Dickie (een nog erg jonge Benecio del Toro) onder zijn hoede genomen. Bodine is een degelijke, zelfs ietwat saaie man met veel ervaring die denkt dat er geen verrassingen meer voor hem zijn. Dan ontmoet hij Rachel Munro (Madeleine Stowe) en ze worden verliefd op elkaar, maar zij zit vast in een slecht huwelijk met een bankier (Charles Dance), een arrogante klootzak die nog vreemdgaat ook. Ze wil hem vermoorden maar Kyle haalt haar over om er samen vandoor te gaan. Dan loopt alles anders dan gepland en blijkt alles ook nog eens heel anders in elkaar te zitten dan Kyle denkt. CHINA MOON is een degelijke filmnoirachtige thriller met aardig acteerwerk, met name van Harris natuurlijk, en een verrassende plotontwikkeling. Let op de bijrol van Pruitt Taylor Vince, met haar en bril, dus nog zonder zijn kenmerkende oogbewegingen, wat overigens geen acteerkeuze is maar een fysieke aandoening. Om misverstanden te voorkomen: de titel heeft niets met China te maken, er wordt porselein mee bedoeld. De film past in de categorie plezierig tijdverdrijf.

In COP LAND van James Mangold uit 1997 zijn honderden politieagenten van de NYPD net over de Hudson in een dorpje in New Jersey gaan wonen; ze vormen daar een soort onaantastbare gemeenschap, onder leiding van Ray (Harvey Keitel). De plaatselijke sheriff Freddy (Sylvester Stallone) is half doof geworden toen hij als tiener Liz (Annabella Sciorra) van de verdrinkingsdood gered heeft en wordt door de ‘echte’ politieagenten niet serieus genomen, geminacht, genegeerd. Hij vermoedt corruptie, drugshandel en connecties met de maffia maar is niet bij machte op te treden. Binnen de politie-gemeenschap is het allesbehalve koek en ei. De agressieve agent Joey (Peter Berg), getrouwd met Liz, staat buiten de hechte kring rondom Ray, en ook Figgis (Ray Liotta) staat lijnrecht tegenover Ray. Als de jonge agent ‘Superboy’ Murray (Michael Rapaport), een neefje van Ray, twee zwarte jongemannen doodschiet en zich schuil moet houden in Cop Land komt er een onderzoek door Moe Tilden (Robert De Niro) van Interne Zaken, en begint het steeds meer te broeien bij Freddie. Tot hoever kan hij getergd worden? Als zelfs Liz, met wie hij een bijzondere, beschermende vriendschap is blijven onderhouden, hem afvalt ontwaakt de sullige Freddie uit zijn apathische slaafse volgzaamheid. Hoe regisseur James Mangold pas na één film, HEAVY, de crême de la crême onder de New-Yorkse acteurs zo ver kreeg om slechts voor een schijntje in dit project te stappen is me een raadsel. Het resultaat is een ijzersterke film geworden, met iedereen in topvorm en Stallone in het bijzonder. Hij varieert op zijn rol uit FIRST BLOOD en zet wat mij betreft de beste acteerprestatie uit zijn carrière neer.

Plotseling was ze er, Adrienne Shelly, in THE UNBELIEVABLE TRUTH van Hal Hartley (zie aldaar), als actrice, en dat sloeg voor menigeen in als een bom; ze had een betoverende présence. Later ging ze ook regisseren, WAITRESS was haar derde speelfilm, die ze overigens ook schreef, toen ze zwanger was van haar dochter Sophie, die in het laatste shot als Jenna’s dochter Lulu een rolletje heeft. Daarin speelt Shelly zelf een bijrol als Dawn, want de hoofdrol is voor Keri Russell, die Jenna speelt. Samen met Becky (Sheryl Hines) werken ze alle drie in een dorpje in Californië als serveerster in een diner, eigendom van Joe (Andy Griffith), een oude brompot met wie niemand overweg kan, behalve Jenna, en die aan alles en iedereen een hekel heeft, behalve aan Jenna. Hun scènes samen zijn kleine juweeltjes. Jenna zit vast in een slecht huwelijk met Earl (Jeremy Sisto), een egoïstische gewelddadige klootzak, maar het verzinnen en maken van taarten is haar hobby en haar redding, en ze is er heel erg goed in. Ze verwerkt erin haar situatie en geeft ze passende namen, zoals ‘I Can't Have No Affair Because It's Wrong And I Don't Want Earl To Kill Me Pie.’ Jenna ontdekt dat ze zwanger is en dat is wel het laatste wat ze wil. Ze komt terecht bij dokter Pomatter (Nathan Fillion), een gynaecoloog die nieuw is in het stadje, en ze worden verliefd op elkaar. WAITRESS is een bitterzoete komedie geworden, die qua stijl en gevoel voor humor wel wat lijkt op de films van Hal Hartley, maar veel minder droog en intellectueel absurd is, en heel erg veel menselijker en warmer; een film om in je hart te sluiten. Nog voordat de film uitkwam werd Adrienne Shelly vermoord, toen ze een dief betrapte in haar appartement, wat deze film een onbedoelde extra lading geeft. Haar dood is een blijvend gemis, op persoonlijk vlak natuurlijk voor haar directe omgeving, maar ook voor de cinema.

Op de foto vlnr Sheryl Hines, Keri Russell, Adrienne Shelly.

De nog jonge Senegalese filmmaker Ramata-Toulaye Sy bereikt met haar debuut BANEL & ADAMA uit 2023 meteen al grote hoogtes. Ze blijft dichtbij de Afrikaanse traditie en vertelt een alledaags en tegelijkertijd mythisch verhaal dat zich afspeelt in een klein dorpje aan de Sénégal-rivier in het uiterste noordoosten, aan de grens met Mauritanië. Adama’s vader, het stamhoofd, is overleden en hij moet diens jonge tweede vrouw Banel (Khady Mane) trouwen. Dat komt goed uit, want de twee waren al lange tijd verliefd op elkaar. Ook wordt verwacht dat hij het nieuwe stamhoofd wordt, maar dat weigert hij resoluut. Banel en Adama (Mamadou Diallo) hebben andere plannen en zijn bezig een groot huis net buiten het dorp uit te graven om daar hun eigen leven te kunnen leiden, los van de tradities en de opgelegde sociale conventies. Vooral Banel is daar zeer uitgesproken over; ze gruwt van de rol die de vrouw speelt in de gemeenschap, neemt slechts met tegenzin deel aan het dorpsleven, en wil haar eigen leven leiden, wil zelfs geen kinderen. Wanneer het dorp geteisterd wordt door een langdurige droogte, alle dieren sterven en ook de mensen massaal het loodje leggen, is deze situatie volgens de dorpsbewoners het gevolg van hun eigenzinnige en koppige gedrag.

Behalve in de keuze van de (moderne) kleren vind je nergens in de film een tijdsaanduiding, de film kan inhoudelijk in het heden spelen maar ook honderden jaren geleden plaatsvinden, en sluit zo naadloos aan bij de mythische verhalen die zo’n essentieel deel uitmaken van de orale tradities van zoveel Afrikaanse volken. Dat wordt tevens benadrukt door de gekozen beeldtaal, die soms metafysisch aandoet. Vooral Khady Mane valt op, omdat ze de weerbarstige, allesbehalve innemende Banel, die uit frustratie met haar katapult kleine dieren doodt, zo weet neer te zetten dat je met haar blijft sympathiseren; je snapt haar innerlijke strijd.

De eerste verfilming van Bram Stokers boek Dracula heet NOSFERATU, EINE SYMPHONIE DES GRAUENS, gergisseerd door F.W. Murnau in 1922. Murnau had de titel en alle namen van de personages veranderd omdat hij geen toestemming had om de roman te verfilmen. De weduwe Stoker kwam er toch achter en ging over tot vervolging. Ze eiste dat alle prints van de film vernietigd moesten worden en kreeg haar zin. Overigens was Stoker zelf allerminst origineel geweest en had zijn inspiratie vooral gehaald uit het verhaal The Vampyre van Dr. Polidori, die zijn vriend Lord Byron als inspiratiebron gebruikte, terwijl een kamer verder Mary Shelley Frankenstein verzon (zie bij GOTHIC). Gelukkig voor iedereen op aarde (behalve misschien weduwe Stoker) bleef een enkele kopie bespaard van het gruwelijke noodlot van vernietiging, want de film is een van de allergrootste iconen geworden van het Duits expressionisme, van de horrorfilm, en van de cinema in het algemeen. De Transsylvaanse graaf Dracula heet hier Orlok (Max Schreck, kan een naam toepasselijker zijn?); hij wil in Bremen een huis kopen bij makelaar Knock. Deze zendt zijn assistent Hutter (Gustav Von Wangenheim) naar Orlok om de deal te sluiten. Wanneer Orlok een foto ziet van Hutters verloofde Ellen (Greta Schröder) wordt hij verliefd op haar, laat Hutter achter in zijn krot van een kasteel en gaat met de boot richting Bremen, erin doodskisten met de onheilige grond waarin hij alleen kan gedijen, en talloze ratten. Onderweg maakt hij talloze slachtoffers, allemaal in de nek gebeten. Iedereen denkt dat de pest is uitgebroken. Alleen Knock, in de ban geraakt van Orlok, Hutter en Ellen, met wie Orlok zich op afstand heeft verbonden, weten wel beter. Ellen weet dat ze het ultieme offer moet brengen om Orlok te stoppen. Murnau zet al zijn visuele talent in (en dat is enorm veel) om er een akelige, gruwelijke en macabere film van te maken. De briljante muziekscore op mijn dvd is van Art Zoyd, een Franse artrock band uit de scene van Univers Zero, Henry Cow en Cassiber, en die is onheilspellend en past volmaakt bij de film. Over deze film is in 2000 een heel boeiende soort van ‘making of’ gemaakt, SHADOW OF A VAMPIRE, waarin gesuggereerd wordt dat hoofdrolspeler Max Schreck (dan gespeeld door Willem Dafoe) in werkelijkheid zelf een vampier was. NOSFERATU zelf kreeg remakes van Werner Herzog in 1978 en recent in 2024 van Robert Eggers, terwijl ook Coppola’s BRAM STOKER’S DRACULA (zie aldaar) moeiteloos in het rijtje past. De gothische Universal en Hammer Dracula’s wijken er echter sterk van af.

De Duitse regisseur Werner Herzog noemde NOSFERATU van Murnau de beste en belangrijkste film uit de Duitse filmgeschiedenis, dus dan neem je een enorm risico als je er zelf een remake in een modern jasje van maakt, maar goed, aan het willen nemen van enorme risico’s heeft het Herzog nooit ontbroken. Zijn versie uit 1978, NOSFERATU – PHANTOM DER NACHT, is een zeer geslaagde herverfilming. Omdat hij niet meer bang hoefde te zijn voor de toorn van weduwe Stoker herstelde hij de originele namen, en hij volgde het origineel vrij nauwkeurig maar in een ander tempo, bedachtzamer. En met een ander einde. Omdat ook de muziek, voor het grootste deel van de Duitse band Popol Vuh (dwz Florian Fricke, die veel van Herzogs films van muziek voorzag), soms bijna kerkelijk sereen is en dan weer Indiaas of Tibetaans aandoet, krijgt de film een heel andere sfeer. Overigens zal Kate Bush het Georgische volksliedje dat in de film te horen is later verwerken in haar liedje Hello Earth (de koorstukjes). Bruno Ganz speelt Jonathan Harker, Isabelle Adjani zijn verloofde Lucy, Roland Topor speelt Renfield en Klaus Kinski Dracula. De film is voor een groot deel in Delft opgenomen en daar hebben ze naar ik me herinner nog heel lang last gehad van de miljoenen ratten die er voor de film waren losgelaten. Dat is ook de reden waarom een paar Nederlanders meespelen, zoals Rijk de Gooijer en Lou van Hensbergen. Oorspronkelijk zou Sylvia Kristel Lucy vertolken maar zij weigerde met Kinski samen te spelen, gezien zijn beruchte misogyne gedrag. Kinski noemde Dracula een vertrouwd en sympathiek figuur met wie hij zichzelf goed kon identificeren. Hoewel de film niet kan tippen aan Murnaus versie is het een zeer bezienswaardige remake geworden. Het engste van de hele film vond ik overigens de openingssequentie, een hele rij gemummificeerde slachtoffers van een cholera-epidemie in Mexico.

In 2024 komt de Amerikaanse regisseur met een remake van F.W. Murnau meesterwerk uit 1922 en noemt de film simpelweg NOSFERATU. Het boek van Bram Stoker wordt netjes gevolgd, zoals eerder Werner Herzog, Francis Ford Coppola en F.W. Murnau al deden, dus er valt niets nieuws over het verhaalverloop aan toe te voegen (zie daarvoor mijn beschrijvingen direct hierboven en bij BRAM STOKER'S DRACULA). Om te benadrukken dat hij zich specifiek richt op de eerste verfilming gebruikt hij ook die namen, dus geen Dracula en Harker enz maar Orlok en Hutter. Deze film is explicieter, uitvoeriger en uitleggeriger en er is een veel grotere, zelfs centrale rol weggelegd voor Lucy (die dus nu weer Ellen heet), meer nog dan bij Coppola, met zelfs scènes die uit THE EXORCIST lijken te komen, en dat maakt deze film een prima toevoeging aan de al bestaande films. Lily-Rose Depp speelt haar rol boven verwachting goed. Verder met Nicholas Hoult als Hutter, Bill Skarsgård als graaf Orlok en Willem Dafoe als professor Von Franz (de Van Helsing rol). De cinematografie, het kleurgebruik en het geluidsdesign zijn indrukwekkend, zonder al te zeer over te komen als filmische opschepperij, wat Eggers’ eerdere film THE LIGHTHOUSE zo onuitstaanbaar maakte. Misschien de minste van dit kwartet films dat Bram Stokers boek nauwgezet volgt, maar nog altijd zeer de moeite waard om te kijken.

SHADOW OF THE VAMPIRE uit 2000 gaat over de cast en crew tijdens het opnemen van de film NOSFERATU uit 1922. Het is het volkomen fictief relaas over megalomaan regisseur Murnau, die aangesproken dient te worden met Herr Dokter (John Malkovich), en alles in het werk stelt om zijn aanstaande meesterwerk te laten slagen. Hij gaat daarbij over lijken, letterlijk. Voor de rol van de vampier heeft hij ene Max Schreck (Willem Dafoe) aangetrokken, een geheimzinnig figuur die alleen ‘s nachts, helemaal geschminkt en in karakter op de set verschijnt. Bij de anderen, onder wie producent Albin Grau (Udo Kier) en schrijver Galeen (Aden Gillett), ontstaat het vermoeden dat deze Schreck een echte vampier is. Murnau kan Schreck nauwelijks of niet in de hand houden, vooral omdat Murnau Schreck als beloning voor zijn rol hoofdrolspeelster Greta Schröder (Catherine McCormack) heeft beloofd en Schreck ongeduldig begint te worden. Cary Elwes speelt de camerman en Eddie Izzard Gustav Von Wangenheim, die de Hutter-rol vertolkte. Regisseur E. Elias Merhige is mij verder onbekend. Ik weet niet of Murnau in werkelijkheid zo’n tiran met aan het psychopathische grenzende obsessie was, maar ik heb geen aanwijzingen in die richting gevonden. Schröder wordt geportretteerd als beroemde en verwende diva, maar ze was een actrice met een bescheiden carrière. Max Schreck was helemaal niet mysterieus, laat staan een echte vampier, maar een gerenommeerd theater- en filmacteur en boomlang, anders dan Dafoe, die nog geen 1.70 meet. Met andere woorden: SHADOW OF THE VAMPIRE, die oorspronkelijk BURNT TO LIGHT heette, is, zoals ik al eerder zei, volkomen fictief. Niettemin een prima film, vanwege de duistere sfeer, het boeiende verhaalverloop en de uitstekende acteerprestaties, met voorop een totaal onherkenbare Dafoe; hij hield er een Oscar-nominatie aan over. Ook was er een nominatie voor de beste make up.

Nu wordt het, na in een week 4 NOSFERATU films te hebben gekeken, tijd voor mij om me een poosje verre te houden van vampieren. Niet dat ik bang ben om verlangend en kwijlend naar elegante halspartijen te gaan kijken, maar er is nog zoveel anders om te zien.

Ik houd van Greta Gerwig. Zoals ze rennend, huppelend, dansend over straat gaat in FRANCES HA, dan word je instant verliefd. Ook in andere films van vooral haar man Noah Baumbach zie ik haar graag acteren. En dan begint ze te regisseren en schiet meteen in de roos: LADY BIRD is een schitterend diamantje, dat haar meteen een Oscarnominatie oplevert; haar volgende, LITTLE WOMEN, de zoveelste verfilming van het boek van Louisa May Alcott, is meteen misschien wel de beste ervan en levert haar opnieuw een Oscarnominatie op. Ook voor haar derde film wordt ze voor een Oscar genomineerd: BARBIE. Ik moet bekennen dat ik huiverig was om deze te kijken. Na het grappige begin, een persiflage op de opening van 2001: A SPACE ODYSSEY, dreig ik gelijk te krijgen: ik krijg spontaan kiespijn en maagkrampen van de superartificiële roze Barbiewereld waarin niets gebeurt en alles voor altijd het saaie seksloze oppervlakkige zelfde zal blijven. Maar dan krijgt Stereotypical Barbie (een heerlijke Margot Robbie) opeens rare gedachtes, over dood en cellulitis, en raken haar hakken opeens de grond, waardoor ze haar evenwicht verliest. Om deze problemen op te lossen moet ze naar de Echte Wereld. De dommige nietskunnende nietsnut Ken (Ryan Gosling) verstopt zich op de achterbank en gaat mee. Dan blijkt BARBIE opeens een feministische film te zijn, die het consumentisme en het patriarchaat aan de kaak stelt, en dat doet op een slimme en grappige wijze die nergens belerend of cynisch wordt, met een centrale rol voor America Ferrera (voor wie ik sinds de maffe sitcom Superstore een zwak heb). Verder een heerlijke cast, Emma Mackey en Connor Swindells uit Sex Education, Dua Lipa als Zeemeerminbarbie, Rhea Perlman als de bedenkster van Barbie, Michael Cera als Allan, de nuffige vriend van Ken, en als de CEO van Mattell, de als altijd irritante Will Ferrell. Nergens wordt BARBIE een echt goede film, maar de boodschap komt over en de humor is bij tijd en wijle subliem.

Janos Rukh (Boris Karloff) speelt een maffe, briljante geleerde in THE INVISIBLE RAY uit 1936. Hij heeft een apparaat ontwikkeld waarmee hij via de door de Andromeda Nevel uitgezonden golven terug kan kijken in de tijd. Zo ziet hij dat miljoenen jaren geleden in Afrika een meteoriet ingeslagen is, die het zeer krachtige element Radium X bevat. Dat de continenten op Aarde er miljoenen jaren geleden heel anders uitzagen dan tegenwoordig nemen we op de koop toe. Hij zet een expeditie op om het element te zoeken. Dat ze naar Nigeria gaan terwijl de inslag plaatsvond in Namibië of Angola nemen we maar even voor lief. Behalve de zeer geëerde wetenschapper Benet (een opmerkelijk ingetogen Bela Lugosi) gaat de geleerde Stevens (Walter Kingsford) mee, samen met zijn vrouw Arabella (Beulah Bondi) en haar zoon Drake (Frank Lawton). Ook Rukhs vrouw Diana (Frances Drake) sluit zich aan; anders dan in de meeste genrefilms uit die tijd is ze een sterke vrouw die weet wat goed voor haar is. Eenmaal aangekomen maakt Rukh zich los van de anderen, vindt het element, raakt ermee besmet en wordt lichtgevend. Iedereen die hij aanraakt sterft. Benet ontwikkelt een antistof die werkt, maar het element tast ook Rukhs hersens aan, waardoor hij aan grootheidswanen gaat lijden, paranoïde wordt en zint op wraak op de anderen van de expeditie, die volgens hem het element van hem gestolen hebben. THE INVISIBLE RAY is een hernieuwde samenwerking tussen Karloff en Lugosi, ditmaal geen horror maar een heel aardige science fiction, en als altijd is het een genot om hen samen te zien spelen.

DOC van Frank Perry uit 1971 is een van de talloze films rondom het beruchte vuurgevecht bij de OK Corral in Tombstone op 26 oktober 1881. Deze film draait, zoals de titel al aangeeft, vooral om Doc Holliday (Stacey Keach), die in een kaartspel met Ike Clanton (Michael Whitney) diens vriendin Kate Elder (Faye Dunaway) wint en met haar naar Tombstone vertrekt, om zijn vriend Wyatt Earp (Harris Yulin) te zien. Earp blijkt in een vete met de Clantons te zijn verwikkeld en probeert Doc erbij te betrekken, maar deze wordt langzaam maar onvermijdelijk in een huisje-boompje-beestje relatie getrokken door Kate. Ook raakt Doc bevriend met een neefje van de Clantons, de jongste van het stel, die Doc enorm bewondert, en leert hem zelfs met een revolver schieten. We weten allemaal hoe het afloopt, en deze revisionistische western blijkt net zo mythisch als de klassieke. Zo is Faye Dunaway natuurlijk bloedmooi, terwijl de echte Kate Elder vooral bekend stond als Big Nose Kate, dus dan weet je het wel. Wyatt Earp wordt in deze film afgeschilderd als een onbetrouwbare gluiperd, wat hij in werkelijkheid ook schijnt te zijn geweest, en niet de brave man-van-de-wet, zoals hij zo vaak wordt neergezet. DOC is een zeer onderhoudende western en eentje die door een iets andere focus (de relatie tussen Doc en Kate) daadwerkelijk wat toevoegt aan al die andere films over het onderwerp.

Een andere film over dit onderwerp op deze site is MY DARLING CLEMENTINE (zia aldaar).

Vanaf zijn eerste film JOE’S BED-STUY BARBERSHOP: WE CUT HEADS (1983) ben ik fan van Spike Lee. Daarna kwam SHE’S GOTTA HAVE IT, een heerlijke seks-komedie, maar geen van deze films kon me voorbereiden op DO THE RIGHT THING in 1989. Ook deze film speelt zich af in Bedford-Stuyvesant aka Bed-Stuy, Brooklyn, een wijk met een lange geschiedenis van rassenrellen. Het is een bloedhete dag en dj Love Daddy (Samuel L Jackson) loodst ons met zijn praatjes en plaatjes door de dag. Centrale plek is de pizzeria van de Italiaan Sal (Danny Aiello) en zijn zoons Pino (John Turturro) en Vito (Richard Edson), en waar Mookie (Spike Lee) werkt als bezorger. Mookie woont samen met zijn jongere zus Jade (echte zus Joie, die in veel films van haar broer meespeelt en meeschrijft), en heeft een kind bij de Puertoricaanse Tina (Rosie Perez). De lontjes zijn kort bij iedereen, door de hitte en door de al lang bestaande sluimerende etnische tegenstellingen. Alleen Da Mayor (Ossie Davis), een ouwe zuiplap, weet het hoofd koel te houden. Zijn admiratie voor Mother Sister (Ruby Dee, in het echte leven al sinds de jaren 40 getrouwd met Davis) wordt telkens resoluut door haar gelogenstraft, maar iets zegt je dat ze wel degelijk iets voor hem voelt. Hoewel pizzaeigenaar Sal een redelijk man is zal als uiteindelijk de bom barst en rellen uitbreken, hij in het middelpunt ervan staan, de zondebok zijn. Het knappe van regisseur Lee is dat hij in deze film observeert maar geen stelling neemt. Hij laat niet alleen het witte racisme zien (in de persoon van Pino), maar ook voor dat van de zwarte bevolking, die de toenemende invloed van de “indringers” (dwz de Italianen, de Puertoricanen, de Koreanen) in de wijk proberen het hoofd te bieden. Hoe absurd dat is laat Lee zien wanneer de Koreanen roepen dat ze ook zwart zijn, het geaccepteerd wordt en zijn buiten schot blijven. Ook bekritiseert hij zijn “eigen” volk, dat al die tijd passief alles op zijn beloop heeft gelaten en nu degenen die met succes en hard werken iets van hun leven maken met een schuin oog aankijken. Als je het dagelijkse, “kleine” racisme laat voortwoekeren en er geen stelling tegen neemt, gaat het op een gegeven moment uit de hand lopen, daar kun je gif op innemen. En dan zijn vaak de onschuldigen het slachtoffer terwijl de werkelijke daders, de vertegenwoordigers van het institutionele racisme, in dit concrete geval de politie die volkomen onnodig een zwarte man vermoordt, buiten schot blijven. Dat maakt dat deze explosieve film niks aan actualiteit heeft ingeboet en, meer dan ooit, ook slaat op de huidige situatie in Nederland. Do the right thing!

SECRET BEYOND THE DOOR uit 1947 was de vijfde en laatste keer dat Joan Bennett in een film van Fritz Lang speelde. Er schijnt nogal wat afgeruzied te zijn op en buiten de set en de film betekende het failliet van de maatschappij die Lang samen met Bennett en haar man, producer Walter Wanger, runde. Deze film noir is is een mix van de Hitchcockfilms REBECCA en SUSPICION en de mythe van Blauwbaard, overgoten met een dikke Freudiaanse saus. Bennett speelt Celia, die architect Mark Lamphere (Michael Redgrave) trouwt zonder hem echt te kennen. Ze begint al snel te twijfelen, en dat maken we mee via haar voice over, die niet alleen het verhaal vertelt maar vooral haar innerlijke stem, als reactie op haar situatie, weergeeft. In zijn huis, ook bewoond door zijn zus (Anne Revere), zijn zoontje en diens nanny (Barbara O’Neil), van wier bestaan ze niet eens op de hoogte was, onderhoudt Lamphere verscheidene kamers waarin moorden zijn gepleegd, geen replica’s maar met de echte rekwisieten nagebouwd. Eén kamer is afgesloten en mag niemand zien, ook Celia niet. Natuurlijk kan Celia de verleiding niet weerstaan en wanneer ze de deur opent slaat de schrik haar om het hart. Maar trekt ze wel de juiste conclusie? In een droomscène wordt de focus verlegd naar Mark, waarin hij terecht staat terwijl hij aangeklaagd wordt door zichzelf, en de rechter en de jury gehuld zijn in schaduwen. Vanaf dat moment weten we niet meer wat in Celia’s hoofd omgaat. De film gaat over schuld(gevoel) en noodlot, een vast gegeven in Langs werk. Als de juiste mensen in de juiste setting samenkomen is moord onontkoombaar, heeft de psycho-analiste, in de eindcredits genoemd als Intellectual Sub-Dem (Anabel Shaw), al eerder uitgelegd. De eindscène is zo opzichtig door de studio verplicht toegevoegd dat je wel een enorme onbenul moet zijn om die serieus te nemen, maar de Hays-code vereiste nu eenmaal een happy ending. “Wie gelooft nu dat een zo getraumatiseerd iemand zo snel geneest?” zei Lang er zelf over. Allesbehalve een perfecte maar wel een fascinerende, prachtig belichte en gefotografeerde film.

Het leek me een goed idee om er de Goede Week mee te beginnen: THE LAST TEMPTATION OF CHRIST uit 1988, een samenwerking tussen de rooms-katholieke regisseur Martin Scorsese, de calvinistische scenarist Paul Schrader en de Grieks-orthodoxe romanschrijver Nikos Kazantzakis. Toch kon toch de film op enorm veel weerstand rekenen uit conservatief-religieuze hoek, terwijl toch in grote lijnen de vertelling uit de Evangeliën aangehouden wordt. Er werden verwoede pogingen ondernomen om de film verboden te krijgen, natuurlijk door mensen die het boek niet gelezen noch de film gezien hadden, met onder andere als argumenten dat de film ofwel gefinancierd was door “de” Joden, ofwel antisemitisch was. Ja, ook toen al. Jezus (Willem Dafoe) is een aan zichzelf en aan zijn opdracht, aan Gods opdracht, twijfelende timmerman, met als kernwoord, volgens hemzelf, angst. Uit teleurstelling heeft zijn vriendin Maria Magdalena (Barbara Hershey) hem verlaten; hij verwijt zichzelf haar de prostitutie ingedreven te hebben. Zijn beste vriend Judas (Harvey Keitel), een lid van het revolutionaire joodse verzet tegen de Romeinse overheersing, probeert hem voortdurend aan te zetten om in actie te komen, maar krijgt tegelijkertijd opdracht uit het verzet (Saulus, gespeeld door Harry Dean Stanton) om Jezus uit te schakelen. Wanneer Jezus de woestijn intrekt om te bidden en te vasten, krijgt hij bezoek van Satan, in verschillende hoedanigheden, en weerstaat de verlokkingen. Gelouterd komt hij terug en gaat in het openbaar spreken. We weten wat volgt. Hangend aan het kruis krijgt hij bezoek van een Engel (Juliette Caton). Zij zegt hem dat God vindt dat hij genoeg geleden heeft. Abraham hoefde toch ook niet zijn zoon te offeren? De Engel haalt hem van het kruis en leidt hem naar Maria Magdalena, met wie hij een gezin sticht. Na haar dood krijgt hij kinderen bij Maria, de zus van Lazarus. Hij komt een prediker tegen, Paulus, de vroegere Saulus, die de mensen hoop wil geven met het verhaal over de aan het kruis gestorven en herrezen Jezus. Dat Paulus een nog levende Jezus ontmoet doet er volgens hem niet toe, zijn boodschap van dood en herrijzenis is sterker. Op zijn sterfbed, terwijl Jeruzalem aan het vallen is, krijgt Jezus bezoek van Petrus (Victor Argo) en Judas. Degene die Jezus volgens Gods plan moest verraden, blijkt degene die het meest trouw is gebleven aan Gods plan: hij prikt door deze laatste verzoeking heen. Concreter worden is een gigantische spoiler. THE LAST TEMPTATION OF CHRIST is een sublieme, diep spirituele film geworden, een doorwrocht en integer verslag van de strijd tussen geest en materie die in de ziel gestreden wordt, met Jezus als degene die namens de mensheid de strijdt levert. De acteerprestaties zijn erg sterk (we zien ook nog John Lurie als apostel, David Bowie als Pilatus en Verna Bloom als Maria, de moeder van Jezus), alles doet erg authentiek aan, en de magnifieke voor de film gecomponeerde muziek van Peter Gabriel behoort tot de sterkste soundtracks ooit voor een film gemaakt en een van de weinige die zonder de beelden overeind blijft en gewoon als muziek beluisterd kan worden. Zoals altijd hebben de zeloten geen gelijk.

De meest integere, zuivere verfilming van het leven van Jezus werd in 1964 gemaakt, nota bene door een homoseksuele, marxistische atheïst, de Italiaanse dichter en filmmaker Pier Paolo Pasolini. IL VANGELO SECONDO MATTEO werd opgenomen in een bar en onherbergzaam Zuid-Italiaans landschap, met voor de camera’s voornamelijk amateurs, onder wie zijn eigen moeder als de oudere Maria, en de lokale bevolking. Pasolini wisselt pans over het landschap af met close ups, altijd recht van voren en nooit en profil. Niets van wat in de film gezegd wordt staat niet in het Evangelie van Mattheüs, en ook voor de rest wilde Pasolini trouw blijven aan dat specifieke boek. Hij kwam daarbij voor een dilemma te staan want in Mattheüs wordt ongegeneerd verslag gedaan van het geloof in Jezus’ goddelijkheid en zijn wonderen en hoe kon Pasolini dat rijmen met zijn eigen opvattingen? Hij loste dat op door te kiezen om alles te filmen vanuit het gezichtspunt van de omstanders, het volk, de gelovigen. Dat maakt Jezus in de film tegelijk een man van het volk en een man voor het volk. Hoewel de net overleden Paus Johannes XXIII, aan wie de film opgedragen is, een verfrissende wind door de katholieke kerk gejaagd had kon de film in die kringen op flinke weerstand rekenen, omdat Jezus in de film niet alleen de Zoon van God is, maar op de eerste plaats een revolutionair, die met scherpe bewoordingen de hypocrisie van de Joodse en Romeinse machthebbers veroordeelt. De film is niet volmaakt, de voetsporen van stilistische voorgangers Dreyer en Bresson zijn nooit ver weg, waardoor de film een zekere stugheid krijgt, wat te voorkomen zou zijn geweest als de film iets korter had geduurd en in kleur was gedraaid (of vloek ik nu in de kerk?). Niettemin ben ik blij dat “wij” deze film hebben; laat de conservatievelingen maar dwepen met THE PASSION OF THE CHRIST, de afzichtelijke geweldsporno van Mel Gibson (zie aldaar).

Bij de beschrijving van BARBIE refereerde ik er al aan en sindsdien lag de film bovenop mijn stapel “snel (weer) kijken”: FRANCES HA van Noah Baumbach uit 2012, geschreven door Baumbach en zijn hoofdrolspeler Greta Gerwig, die ook nog eens een relatie met elkaar hadden (en nog steeds hebben). De film is het absolute hoogtepunt binnen het mumblecore-genre: kleine onafhankelijke films, met eenvoudige apparatuur gedraaid, veelal met deels geïmproviseerde dialogen en zich concentrerend op onderwerpen en omgevingen die één op één met de makers zelf te maken hadden. Kleine films over de alledaagse strubbelingen van jonge, artistieke mensen die net het hoofd boven water houden. Het was meestal nogal navelstaarderig, en in mijn filmhuistijd hebben we er maar eentje van vertoond: HUMPDAY.

Zo is Gerwig zelf een danser, net als Frances, het personage dat ze speelt. Ze woont samen met haar beste vriendin Sophie (Mickey Sumner, vaste kracht bij Baumbach/ Gerwig films, net als Adam Driver, die ook meespeelt). Ze wil professioneel danser worden, met weinig resultaat. Ze raakt haar woning kwijt en vindt tijdelijk onderdak, nu eens hier, dan weer daar. Ze is “undateable” en vindt zichzelf te lang om een relatie te hebben. Te lang ook om een gracieus danser te zijn en die motorische onbeholpenheid uit zich ook in haar personage: onvolwassen, wispelturig, irritant. Maar ze is ook slim en lief en aandoenlijk, en uiterst grappig, maar wel altijd met een melancholische schaduw. Greta Gerwig IS Frances Haliday, zonder haar zou de film in elkaar klappen. Op mijn dvd-hoesje staat dat het onmogelijk is om niet verliefd te worden op Frances Ha, en dat klopt helemaal. Voor de verandering eens niet een foto, maar een clipje, waarin Frances op de tonen van David Bowies Modern Love door de straten van Chinatown, NY, danst. Als je hierna nog niet verkocht bent, nou ja.

In STOLEN FACE uit 1952, geregisseerd door Terence Fisher, is Philip Ritter (Paul Henreid) een integere plastisch chirurg, dat wordt meteen bij het begin van de film duidelijk gemaakt. Hij wordt verliefd op Alice Brent (Lizabeth Scott), een Amerikaanse concertpianiste aan de vooravond van een grote Europese tour. Ze beleven een idyllische tijd samen, maar als hij haar ten huwelijk vraagt gaat ze ervandoor. Ze blijkt al verloofd met haar manager. Hij krijgt haar echter niet uit het hoofd. Dan krijgt hij de opdracht om een vrouwelijke draaideurcrimineel met een door littekens vervormd gezicht die bijna vrijkomt te behandelen. Hij is er namelijk van overtuigd dat mensen als ze een eerlijke kans krijgen hun leven zullen beteren. Dus geeft hij de gevangene het uiterlijk van Alice en trouwt met haar. Al snel ontdekt hij dat met verandering van uiterlijk en status het karakter niet automatisch meeverandert. En bovendien breekt Alice haar verloving af en gaat op zoek naar Philip, die ze niet kan vergeten. STOLEN FACE is een kleine film van nauwelijks 70 minuten uit de Engelse Hammer-studio met een heel interessant thema, dat zowel raakt aan Hitchcocks VERTIGO als aan het Pygmalion-verhaal zoals bijvoorbeeld verfilmd in MY FAIR LADY. Let wel, deze films zijn allebei jaren na STOLEN FACE gemaakt. Henreid en Scott, allebei worstelend met een dip in hun Hollywood carrière, leveren prima prestaties, zeker Scott, die in feite twee totaal aan elkaar tegengestelde personages speelt.

THE VOID is een Canadese horror uit 2016, maar haalt zijn voornaamste inspiratie uit de jaren 80. Een groepje mensen komt vast te zitten in een zo goed als verlaten ziekenhuis, waar nog een dokter, een verpleegster, een stagiaire en enkele patiënten zijn. Politieagent Dave, die in een moeilijk huwelijk zit met de verpleegster en zich zal ontpoppen als de leider, komt binnen met een gewonde man die voor zijn patrouillewagen neerviel. Een hoogzwangere vrouw en haar opa zitten in de wachtkamer. Twee agressieve mannen stormen binnen om de gewonde man te vermoorden. Een grote groep in witte pakken met een zwarte driehoek in plaats van hun gezicht omsingelen het ziekenhuis en beletten iedereen om eruit te gaan. Binnen wordt men al snel belaagd door een in een monster getransformeerde vrouw. Doden komen tot leven en veranderen in afzichtelijke, bloeddorstige monsters. De filmmakers hebben goed naar John Carpenter gekeken en plunderen uit zijn films. Het wordt een groot gorefest. Je hebt dus monsters, een mysterieuze angstaanjagende sekte, onderling gedoe, een vijand in de eigen gelederen, satanische elementen, maar vooral heel erg veel gore en bloed. Wat verbaast is dat dit al jaren aan de gang blijkt te zijn en niemand ooit iets in de gaten had. Men probeert er nog een allesoverkoepelend thema over rouw en het niet kunnen verwerken van verlies aan toe te voegen, en het over de wil om God te overtreffen te laten gaan, maar het is allemaal zoveel, zo’n overdaad aan alles, dat, hoe paradoxaal het ook klinkt, 97 minuten een eeuwigheid lijkt. Wel verrassend is dat de overlevers niet degenen zijn van wie je het gezien de horrorconventies verwacht. Van de acteurs herkende ik Kenneth Welsh, Art Hindle en Ellen Wong.

REKOPIS ZNALEZIONY W SARAGOSSIE, bij ons beter bekend als MANUSCRIPT GEVONDEN TE SARAGOSSA aka THE SARAGOSSA MANUSCRIPT, is een Poolse film uit 1965 van Wojchiech Has. De hoofdrol wordt gespeeld door Zbigniew Cybulski, ook hier bekend van AS EN DIAMANTEN, wat hem indertijd de bijnaam ‘de Poolse James Dean’ opleverde. In de tijd dat de troepen van Napoleon Spanje binnenvallen vindt een Franse soldaat een enorm dik boek en begint erin te lezen. De Spaanse officier verliest bij het zien eveneens elke interesse in de oorlog en samen beginnen ze te lezen, want het gaat over zijn voorvader, de Waalse soldaat Alphonse van Worden. Iedereen die Van Worden ontmoet heeft een verhaal te vertellen, waarin iemand voorkomt die een ander verhaal te vertellen heeft, waarin ook iemand voorkomt die weer een ander verhaal te vertellen heeft enzovoorts, tot zes lagen aan toe. Alsof dat nog niet genoeg is zit Van Worden in een vicieuze cirkel want wordt telkens teruggeworpen op een knekelveld, gaan de verhalen soms zelf in cirkels, en wordt door Van Worden met het gezelschap waarin hij later in een kasteel verblijft zelf gereflecteerd op de verhalen, die zich aaneenrijgen en vergeleken worden met getallen die tot in het oneindige gedeeld kunnen worden. Ook vindt Van Worden in het kasteel het boek dat Van Wordens nazaat aan het lezen is, dat vervolgens snel voor hem verborgen wordt, want stel je voor wat er kan gebeuren als hij het leest! De film is als een verzameling doolhoven verborgen in een labyrint. Dat David Lynch en Luis Buñuel het een exceptionele film vonden zal niemand verbazen, en het zal mij niet verbazen als Buñuel sterk door deze film geïnspireerd was toen hij LE CHARM DISCRET DE LA BOURGEOISIE maakte. Dat niet alle verhaaltjes binnen die verhaaltjes even interessant zijn nemen we op de koop toe, want het is een magnifieke film van drie uur geworden, met veel humor, in de context van de preutse communistische maatschappij van die tijd opvallend verleidelijke vrouwen met diepe decolletés, en prachtig zwart-wit camerawerk dat bijvoorbeeld het desolate woestijnlandschap zodanig vangt in cinemascope dat het is alsof je er zelf in ronddoolt. En een desoriënterende elektronische muziekscore van Krzysztof Penderecki. Een monument!