filmstillgalore G-K
Aan het begin van de coronalockdown van 2020 ben ik begonnen met het elke dag op facebook plaatsen van een filmstill, vergezeld door een (meestal korte) beschrijving. Om dit projectje een wat minder vluchtige status te geven zet ik ze hier op een rijtje, in alfabetische volgorde, waarbij ik meestal de internationale titel hanteer bij films uit landen met een taal die bij ons wat minder vaak over de lippen komt.
De lijst waaraan ik meermaals refereer vind je op de home page.
De hier geplaatste stills vallen binnen 3 categorieën:
1/ de 10 beste films aller tijden (die zijn genummerd)
2/ de 28 films die ex aequo op nummer 11 staan
3/ een in principe eindeloze lijst van films die in mijn herinnering zijn blijven hangen, films die ik onlangs gezien heb, op tv of netflix of uit mijn eigen collectie, en waarover ik iets te zeggen heb, of wanneer de actualiteit er aanleiding toe geeft. Ook films die ik zag tijdens de 20 keer dat ik het Filmfestival Rotterdam heb bezocht gaan hier hun plaats vinden. Omdat die stukjes in een heel andere context geschreven zijn (zie voor meer hierover deze pagina) zijn ze ook iets anders van karakter.
In de oorspronkelijke reeks ging het om de foto en gaf ik er summiere informatie bij. Toen die "klaar" was ging ik door met "duidingen" (geen recensies) met uitgebreidere teksten van de films die ik recent zag.
In de Franse film GADJO DILO van Tony Gatlif gaat een jongeman (Romain Duris) in Roemenië op zoek naar de zangeres naar wie zijn vader luisterde op zijn sterfbed. Hij blijft hangen in een zigeunerdorp en wordt verliefd op een meisje (Rona Hartner). Komedie vol (vaak onscreen) prachtige muziek die grimmig begint en grimmig eindigt. Ondanks de heerlijke vertolkingen van Duris en Hartner een matige film die overigens alle zigeunerclichés bevestigt. Opmerkelijk omdat Gatlif zelf zigeunerbloed heeft en er al eerder films over heeft gemaakt (LES PRINCES en LATCHO DROM).
GANDU is een West-Bengaalse film die in India verboden werd vanwege de expliciete seks. Het zijn welgeteld twee scènes. Gandu betekent mislukkeling en is de naam van het hoofdpersonage, tenminste iedereen noemt hem zo, zelfs zijn moeder, bij wie hij nog steeds woont en op wie hij vegeteert. Hij is rapper en haat zijn leven. Zijn beste vriend Rickshaw vereert Bruce Lee als een hindoe God. In deze experimenteel opgezette film spat de lamlendigheid vol energie van het scherm in prachtige zwartwit fotografie (alleen de ontmoeting met de Engel is in oververzadigd kleur opgenomen). Je moet de film even de kans geven om eraan te wennen, maar gelukkig sleept de muziek van Five Little Indians je erdoorheen. Op de een of andere manier kreeg ik hetzelfde gevoel als toen, en geloof me, deze twee films kunnen niet meer van elkaar verschillen, PERMANENT VACATION van Jim Jarmusch uitkwam. Een zelfde soort energie.
Tijdens het kijken naar GANGSTER SQUAD kwam ik er achter dat ik de film al eens gezien had, maar dat is niet erg want zelfs bij de eerste keer kijken is het net alsof je de film al vaak gezien hebt. Niets nieuws onder de zon dus, niets wat je niet al bij Scorsese en De Palma gezien hebt. Dat de film toch boeit ligt aan het lekkere, goed vertelde verhaal over de (echt bestaan hebbende, hoewel de film grotendeels fictie is) gangster Mickey Cohen (Sean Penn) die eind jaren veertig probeert Los Angeles onder zijn controle en in zijn macht te krijgen en daarbij tegengewerkt wordt door een klein, in het geheim opererend team van politiemannen: de rechtschapen maar niet erg slimme Josh Brolin, gladde jongen Ryan Gosling, ijzervreter Robert Patrick en nerd Giovanni Ribisi, aangevuld met een zwarte agent (Anthonie Mackie) en een latino (Michael Peña), allemaal verrassingsloos getypecast dus. Ook Nick Nolte als commissaris, die het team aanstuurt, en gangster-liefje met het gouden hart Emma Stone zijn prima op hun plek. De chemie tussen Gosling en Stone is zo pregnant dat ze later in LA LA LAND opnieuw en alweer succesvol aan elkaar gekoppeld worden. Alleen Sean Penn detoneert en acteert als een parodie op James Cagney. Ik zie Penn liever in rollen met wat meer inhoud, zoals 21 GRAMS of MYSTIC RIVER.
Een politieagent verkracht een minderjarig meisje en gaat hiervoor zes jaar de bak in. Wanneer hij vrijkomt wordt hem een baan als privédetective aangeboden. Dan krijgt hij een zaak waarbij de spil een jonge vrouw is die het bewuste meisje van toen blijkt te zijn, maar onder een andere naam. LA GARCE uit 1984 van Christine Pascal lijkt in alles op een film noir, het onderwerp, de moreel gecompromitteerde privédetective, de femme fatale, de voice over, de melancholische saxofoon, het camerawerk (van Raoul Coutard), maar de felle Franse kleuren die me doen denken aan de films van Godard uit midden jaren zestig zoals PIERROT LE FOU en MADE IN USA, waarbij inderdaad ook Coutard de cinematografie verzorgde, verhinderen het ware film noir gevoel. Richard Berry is oké als de privédetective en Isabelle Huppert is subliem als la garce (vertaald: de slet) en ik kan bijna niet geloven dat ze toen al bijna dertig was. Regisseur Christine Pascal zou hierna nog het wondermooie LE PETIT PRINCE A DIT maken, voordat ze in een depressie zelfmoord pleegde, waarvoor haar behandelend arts wegens nalatigheid in de gevangenis belandde.
Toen ik GATTACA van Andrew Niccol in 1998 zag schreef ik: “Goed gemaakte, verzorgde, inhoudelijk zeer interessante maar zielloze science fiction. Had een goede film kunnen zijn met een bevlogen regisseur vol pit en met visie. Nu goed voor de tv en dat is zonde van de mooie art direction en van het cinemascopeformaat. Tussen de opnames door sloeg de vonk tussen Ethan Hawke en Uma Thurman wel over en ze verwachten nu hun eerste baby.” Hier sta ik na weerzien nog steeds achter, hoewel ik nu het woord zielloos zou vervangen door afstandelijk. Wel wil ik eraan toevoegen dat de film draait om de relatie tussen Hawke en degene wiens identiteit hij overneemt (Jude Law), en uiteindelijk tussen Hawke en zijn broer (Loren Dean). De jeugdige competitiedrang tussen de volmaakte broer en de gewone Hawke tegenover de samenwerking tussen de eveneens volmaakte Law, die echter door een ongeluk verlamd is geraakt, en de naar volmaaktheid strevende Hawke. Als zijn broer in zijn leven terugkomt als de politierechercheur die hem verdenkt van moord is de cirkel rond. Overigens, die baby werd ook actrice, Maya Hawke, bekend van o.a. Stranger Things.
In de Japanse film GEMINI (SOSEIJI) van Tsukamoto Shinya uit 1999 huwt een arts een vrouw met geheugenverlies. In een “eerder” leven, tussen het lompenproletariaat, was ze echter de vrouw van de verstoten tweelingbroer van de arts. Nadat de vrouw ook is verstoten door zijn stiefvader komt ze terecht bij de arts en wordt gelukkig. De verstoten broer zint op wraak op zijn familie en wil zijn vrouw terug.
Fascinerende mengeling van psychologisch drama, horror en ghost-story, visueel zeer aantrekkelijk.
In GÉNÉALOGIES D'UN CRIME uit 1997 van Raúl Ruiz verdedigt de advocate Solange (Catherine Deneuve) de jonge René (Melvil Poupaud), die zijn tante (ook Catherine Deneuve) vermoord zou hebben, maar hij geeft de schuld aan de sektarische Franco-Belgische Psychoanalytische Sociëteit onder leiding van Michel Piccoli, waar zijn tante deel van uitmaakte. Solange raakt diep onder de indruk van René en begint een relatie met hem. Voor wie het oeuvre van de Chileense, in Frankrijk werkende regisseur Ruiz kent zal het geen verrassing zijn dat alles anders in elkaar zit dan op het eerste gezicht lijkt (bezie alleen al Deneuves dubbelrol), want hij blijft zijn Zuid-Amerikaanse magisch-realisme trouw.
Een twintigtal zwarte mannen maakt met de bus een tocht van zes dagen dwars door Amerika om bij the Million Men March van 1995 in Washington te kunnen zijn. In GET ON THE BUS gebruikt Spike Lee dit gegeven door alle thema's die Afro-Amerikaanse mensen bezighouden aan bod te laten komen, tot aan onderling racisme en waarom zwarte mensen in hemelsnaam Republikein kunnen zijn toe. Lee doet dat op zijn moralistische en prekerige manier en bespeelt het sentiment soms wel gemakkelijk, maar hij blijft ook kritisch en de film is altijd op zijn minst onderhoudend. Er is wat onbegrip en (terechte) verontwaardiging dat geen Nederlandse distributeur de film wil uitbrengen. We zien onder de passagiers Ossie Davis, Charles S. Dutton, Albert Hall, Bernie Mac en Isaiah Washington.
In GET OUT wordt het begrip cultural appropriation heel erg ver doorgevoerd, en uitgebreid tot ver voorbij het culturele aspect. Een zwarte man bezoekt met zijn witte vriendin voor de eerste keer haar ouders. Hij wordt hartelijk ontvangen hoewel met name de vader te hard zijn best doet om duidelijk te maken dat hij geen racist is. Als haar broer arriveert slaat de stemming echter om en zeker op het feest de dag erna begint de man zich extreem ongemakkelijk te voelen. Er is heel erg duidelijk iets heel erg niet in de haak. Zeer sterke horrorfilm, het debuut van Jordan Peele die hierna de eveneens uitstekende films US en eerder dit jaar NOPE maakte. Zijn films zijn niet alleen spannend en eng maar GET OUT maakt tevens op intelligente wijze duidelijk hoe de van oorsprong Europese immigrant en zijn cultuur parasiteert op de cultuur en fysieke kracht van de Afro-Amerikaan en zich die toe-eigent, terwijl US (zie aldaar) een meer algemene en Jungiaans- psychologische benadering kent.
Een jaar voordat de Britse actrice en regisseur Ida Lupino naar Hollywood vertrok speelde ze in de film THE GHOST CAMERA (1933), geregisseerd door Bernard Vorhaus, die later THE AMAZING MR. X zou maken met Cathy O'Donnell (ook op deze site te vinden). Een wereldvreemde apotheker, zo’n type dat een halve eeuw later Hugh Grant wereldberoemd zou maken, vindt een camera, ontwikkelt de foto’s, een waarop een moord gepleegd wordt, en gaat op zoek naar de eigenaar. Hij komt terecht bij een jong meisje (Lupino was 15 toen de film gemaakt werd en lijkt nog totaal niet op de beroemde actrice van later), wier broer de camera bezat en die is verdwenen. Die broer wordt gespeeld door de toen nog heel jeugdige gerenommeerde Britse acteur John Mills (vader van Hayley). Aan de hand van de andere foto’s gaan de apotheker en het meisje verder zoeken. Een curiosum, met 66 minuten net lang genoeg om te amuseren. Vooral door de totaal miscaste Henry Kendall als apotheker lijkt de eerste helft eerder een komedie dan een spannend mysterie. Alleen voor Mills of Lupino fans.
Bij het selecteren van geschikte foto’s voor deze filmstillgalore ontdekte ik dat er een paar bij zitten van kleine meisjes met een schietwapen. Wat zegt dat over mij? vroeg ik me ongerust af. Degene aan wie iedereen natuurlijk meteen denkt is Natalie Portman in LEON, maar eerlijk gezegd dacht ik daar pas aan toen ik het 'thema' ontdekt had. De leukste scènes in GHOST DOG: THE WAY OF THE SAMURAI uit 1999 van Jim Jarmusch zijn die met Camille Winbush, in de still in een minder ontspannen situatie.
Welgestelde Texaans veeboer Rock Hudson reist naar Maryland om een paard te kopen en komt terug met een vrouw. Of Elizabeth Taylors doorbraak tien jaar eerder als paardenmeisje in NATIONAL VELVET daar iets mee te maken heeft weet ik niet. In mijn herinner-ing is het eerste deel van George Stevens' epos GIANT geweldig, het tweede deel, wanneer James Dean rijk is geworden, een stuk minder. Oké, de film begint wat te slepen en zou wat compacter verteld kunnen worden, maar bij herzien vind ik het tweede deel echt beter. Plat gezegd is de hele film een amalgaam van wedstrijdjes ver pissen. De Texaanse machomanieren tegenover de oostelijke verfijning, de oude tijd tegen de nieuwe tijd (de film bestrijkt de eerste helft van de 20e eeuw), de gevestigde orde tegen de nieuwkomer, oud geld tegen nieuw geld. Maar Stevens laat waar het hem om gaat buiten deze kinderlijke machtsspelletjes: de arme bevolking, de Mexicanen, bevinden zich niet in de positie om een strijd aan te gaan, zelfs niet als het om ver pissen gaat. Dat de aristocratische oerconservatieve veeboer uiteindelijk een gevecht voert tegen racisme en dat zijn liberale oostelijke vrouw zich op het eind volbloed Texaanse noemt is bijna Hegeliaans: these – antithese – synthese.
De scène waarin de dan nog voor zijn bestaan ploeterende James Dean een kop thee zet voor de onbereikbare vrouw van zijn dromen Elizabeth Taylor is het aandoenlijke, humoristische en intieme hoogtepunt binnen een gigantische 200 minuten durende productie.
In een film noir doet het hoofdpersonage vaak vanuit een terugblik via een voice over zijn verhaal; dat is meestal een niet erg betrouwbare vertelwijze, maar Johnny Farrell (Glenn Ford) maakt het in GILDA (1946) van Charles Vidor wel erg bont. Hij is een aan lager wal geraakte gokker die gered wordt door Ballin Mundson (George Macready), die in Buenos Aires een illegaal casino bezit, en vandaaruit andere schimmige zaakjes doet. Johnny klimt vlug op en is al snel Ballins vertrouweling en plaatsvervanger. Op een dag komt Ballin na een reis terug met zijn nieuwe vrouw, Gilda (Rita Hayworth). Het is meteen duidelijk dat Johnny en Gilda een verleden hebben en dat zulks niet goed afliep. Gilda wordt in de film neergezet als de femme fatale, maar dat lijkt slechts zo omdat we haar zien door Johnny’s ogen, wat de kijker niet meteen doorheeft. Wanneer de film vordert en we Gilda en wat haar motiveert beter leren kennen blijkt ze dat helemaal niet te zijn. Johnny is een trouw werknemer van Ballin, die eruit ziet als een SS’er zonder uniform. Dat hij zich ook zo gedraagt weten we via Gilda, terwijl Johnny loyaal aan de man blijft. Haat en liefde liggen in de film erg dicht bij elkaar, zo dicht dat het onderscheid niet meer te maken valt, want haat is geperverteerde liefde. De hartstocht die Johnny en Gilda in hun haat voor elkaar leggen is zinderend, gepassioneerder dan de meeste liefdesscènes in welke film dan ook. De onderlinge chemie tussen Ford en Hayworth spat bijna letterlijk van het scherm en genereert zoveel spanning dat het de kijker hartkloppingen bezorgt. Hoewel Hayworth in veel films zingt horen we nooit haar eigen stem, behalve in één scène in GILDA, wanneer ze met de gitaar in de hand Put the Blame on Mame zingt, en dan snap je niet (en zij zelf trouwens ook niet) waarom ze niet vaker zelf mocht zingen. Dat liedje raakt trouwens de kern waar de film om gaat.
GINGER & ROSA van Sally Potter uit 2013 gaat over twee tieners, hartsvriendinnen sinds hun geboorte, in Londen ten tijde van de Cubaanse Crisis. Elle Fanning, dan op haar 13e al een veteraan, is Ginger, de debuterende Alice Englert speelt Rosa. Ginger groeit op in een vrijdenkend gezin, wil dichter worden en maakt zich zeer ernstige zorgen om de nucleaire dreiging, terwijl het Rosa alleen maar gaat om de liefde. De onafscheidelijke vriendinnen, die zelfs altijd hetzelfde gekleed gaan, groeien uit elkaar, zeker als Rosa een verhouding begint met Gingers vader, een idealistische anarchist die tegelijkertijd een asociale egoïst is. Zonder te willen beweren dat deze door Potter geschreven geschiedenis autobiografisch is, put ze ongetwijfeld uit persoonlijke herinneringen, ze was toen zelf ook van die leeftijd en haar eigen artistieke aspiraties en politieke bevlogenheid klinken sterk door in het Ginger-personage. Fanning is gewoon fenomenaal goed en steekt uit boven de rest van de cast, die overigens ook prima is, want met Christina Hendricks en Alessandro Nivola als Gingers ouders, Jodhi May als Rosa’s moeder, Timothy Spall, Oliver Platt en Annette Bening. De laatste akte is hartverscheurend mooi. Vreemd, maar niet storend is dat de kleding en haardracht van de meeste personages erg hedendaags zijn, alsof Potter ermee wil zeggen dat de uiterlijke omstandigheden misschien veranderd zijn, maar waar het om gaat absoluut niet. De dreiging van totale vernietiging is nog steeds aanwezig, nu, tien jaar na de film, meer dan ooit.
GIRL, INTERRUPTED uit 1999 van James Mangold heb ik destijds aan me voorbij laten gaan. Ik weet niet waarom, zijn eerdere films HEAVY en COPLAND vond ik geweldig en ik had toen al (en nu nog steeds) een zwak voor Winona Ryder, die de motor was achter de verfilming van het boek en de hoofdrol speelt. De film is gebaseerd op de autobiografische vertelling van schrijfster Susanna Kaysen, toen ze in 1968 als vertwijfelde tiener een zelfmoordpoging deed en opgenomen werd in een psychiatrische kliniek. Op de afdeling heerst een liberaal regime onder leiding van afdelingshoofd Whoopi Goldberg en psychiater Vanessa Redgrave. Als je je niet zou realiseren dat het leven van de daar verblijvende meisjes stil is komen te staan, zou je het idee krijgen dat het leven daar een beetje gemoedelijk voortkabbelt. Alleen kampioen ontsnappen Lisa (Angelina Jolie, die goed gekeken heeft naar Jack Nicholson in ONE FLEW OVER THE CUCKOO’S NEST) gooit regelmatig de kont tegen de krib door iedereen op meedogenloze wijze een spiegel voor te houden, met op een gegeven moment fatale gevolgen. Is ze werkelijk gek, een sociopaat, of is ze de enige die de zaken ziet hoe ze werkelijk zijn en prikt ze genadeloos de zelfgecreëerde luchtbellen door?
Op het eerste gezicht lijkt de film wat oppervlakkig, wat gemakzuchtig zelfs, totdat je beseft dat het als het ware een verslag is van wat iemand werkelijk meegemaakt heeft en dat is in filmtermen lang niet altijd spectaculair, maar als je de focus verlegt naar de interne strijd van Susanna en hoe zij wat zich om haar heen afspeelt ervaart blijkt de film opeens een stuk rijker. Doordat alle aandacht gaat naar Jolie, die de pannen van het dak speelt en er terecht een Golden Globe en een Oscar voor kreeg, zien we niet hoe beheerst Ryder haar personage neerzet en hoe doorleefd ze de innerlijke strijd verbeeldt. Verder met oa Clea DuVall, Brittany Murphy, Elisabeth Moss en Jared Leto.
Regelmatig ga ik met een stapeltje films naar vrienden om een genoeglijk avondje, te beginnen met een heerlijke maaltijd, met elkaar door te brengen. Zij kiezen de film uit het stapeltje dat ik bij me heb. Deze keer zat er een film bij die ik zelf ook nog niet gezien had en mede om die reden werd die uitgekozen. Wat een vreemde film, vond ook ik. Prachtige beelden maar een aantal lukraak achter elkaar gezette heel lang aangehouden scènes en al helemaal niet een Iraanse vampierfilm. Na een klein half uur was het opeens voorbij en realiseerden we ons dat we naar de deleted scenes hadden zitten kijken. Nadat we bijgekomen waren van het lachen de echte film gekeken. A GIRL WALKS HOME ALONE AT NIGHT (2014) van Ana Lily Amirpour speelt zich af in Bad City, dat bevolkt wordt door marginalen: zwervers, junkies, dealers, hoeren, transvrouwen, noem maar op. En een vrouwelijke vampier (Sheila Vand). Ook loopt er een best wel normale maar sociaal wat onhandige jongeman rond, Arash (Arash Marandi). Op de terugweg van een rijkeluisfeestje waar hij zijn eerste pilletje heeft geslikt en hem nota bene een plastic vampiergebit in de mond geschoven is, komt hij haar op straat tegen en het is schuchtere liefde op het eerste gezicht. De film is een in prachtig zwart-wit geschoten film over eenzaamheid en vooral een melancholisch liefdesverhaal, en niet zozeer een horror. Regisseur Arminpours liefde voor genrefilms als de spaghettiwestern (de soundtrack!), films met Bruce Lee en voor Tarantino klinkt door in dit prachtige debuut. Niet onvermeld mag blijven de medehoofdrol voor Masuka, Arminpours kat, die middels een blikje sardientjes overgehaald kon worden.
GIRLS' NIGHT OUT (CHUNYUDLEUI JEONYUKSIKSAH) van de Zuid-Koreaanse filmmaker Im Sang-soo uit 1998 is een intiem portret van 3 jonge vrouwen in Korea, en hun houding tov. seksualiteit. Fris gespeeld, vol humor ondanks het nodige drama, en levensecht. In het westen zou dit thema vermoeiende cinema opgeleverd hebben, in Korea, waar celstraf staat op seks met getrouwde mannen (tenzij je met hem getrouwd bent natuurlijk), een gewaagde, sympathieke & goed gemaakte film.
Meteen al in het begin van LE GITAN zie je een niet zo fraai staaltje etnisch profileren tijdens een briefing van de politiecommissaris. Deze commissaris is met twee zaken tegelijk bezig, het oppakken van een man wiens vrouw van het balkon gevallen (geduwd?) is en die verdacht wordt van een grote kraak bij een juwelier, en het oppakken van de ongrijpbare Gitan, die met zijn bende brutale roofovervallen pleegt. Het toeval wil dat deze twee verdachten zich per ongeluk, ze kennen elkaar niet eens, telkens in elkaars nabijheid bevinden. Dat soort onwaarschijnlijkheden, het feit dat er geen enkel personage voorkomt in de film met wie je kunt sympathiseren en de niet bijster interessante plotontwikkeling maken van LE GITAN een vrij beroerde film. Het enige opmerkelijke aan de film is dat Alain Delon de titelrol op zich neemt en de film produceert en de film stelling neemt tegen discriminatie en ongelijke behandeling van zigeuners, terwijl hij zich een paar jaar later een volbloed aanhanger van Jean-Marie Le Pen en zijn racisme toont.
De filmstill van vandaag komt uit THE GLASS KEY uit 1942 van Stuart Heisler, een film noir gebaseerd op de roman van Dashiell Hammett. In deze film krijgt het typische Hammett-personage, de onkreukbare en loyale Alan Ladd, op het einde het meisje (Veronica Lake) wel, zelfs nadat hij haar in de val heeft moeten lokken om de echte moordenaar te laten bekennen. Verder een glansrol voor William Bendix als de dommekracht: "Hey, Rusty, Little Rubber Ball is back. I told you he liked the way we bounced him around." Want, ja, Ladd krijgt heel wat klappen.
De eerste KNIVES OUT film was erg vermakelijk, maar het stomp-zinnige accent dat Daniel Craig zich had aangemeten bedierf veel van de pret. Ik dacht eerst dat het, gezien zijn naam Benoit Blanc, een Fransman moest voorstellen die Engels sprak, later bleek dat het een zuidelijk Amerikaans accent moest voorstellen. In de tweede film GLASS ONION: A KNIVES OUT MYSTERY, laat Janelle Monáe zien (horen) hoe je dat moet doen, met een zuidelijk accent praten. Ze steelt sowieso de show in deze over-the-top hommage aan Agatha Christie. Op dit moment bevalt acteren haar blijkbaar beter dan zingen, want ik zie haar regelmatig in films, terwijl ze al jaren geen nieuwe muziek heeft afgeleverd. Het draait om een Elon Musk (of Bezos of Jobs) achtig personage, gespeeld door Edward Norton, die een aantal personen uitnodigt in zijn huis op een verder verlaten Grieks eiland, om een moordmysterie te spelen. Alle genodigden hebben hun carrière aan hem te danken en allemaal hebben ze een motief om hem te vermoorden. En dan wordt er een echte moord gepleegd... Het is een hoogst vermakelijke film geworden, puur escapisme, hoewel er wel degelijk geprobeerd wordt om er maatschappelijk relevante thema’s in te verwerken, maar dat blijft slechts oppervlakkig. Een keur aan cameo’s van (en deze lijst is niet uitputtend) Angela “Miss Marple” Lansbury, musicalcomponist Stephen Sondheim, Natascha Lyonne en tennissuperster Serena Williams. O ja, de film heeft zoveel vaart en er gebeurt zoveel dat Craigs nog steeds abominabele accent me niet eens stoorde.
Het titelpersonage van THE GODDESS OF 1967, een Australische film van Clara Law, is een Citroën DS (déesse is Frans voor godin) en in het begin lijkt het een film over (of voor) fetisjisten te worden. Niks op tegen, want de DS is de mooiste auto die ooit gemaakt is. Dan ontwikkelt de film zich tot een roadmovie. Een Japanner (Kurokawa Rikiya) heeft de kans om een DS te kopen, reist naar Australië en daar blijkt de auto onlosmakelijk verbonden te zijn met een blind meisje (Rose Byrne). Samen reizen ze door de Australische outback, op zoek naar de werkelijke eigenaar, maar ook op zoek naar haar verleden. Prachtige vertelde, mooi opgebouwde en subliem in beeld gebrachte film die je uiteindelijk bij de strot grijpt.
Als je maffiafilm zegt, zeg je THE GODFATHER. In 1972 legde Francis Ford Coppola de definitieve standaard. Vanaf dan moet elke film over dit onderwerp zich verhouden tot deze film. Soms gaat iemand zelfs een maffiafilm maken om zich af te zetten tegen het beeld dat Coppola creëert, zo van, nee, zo ging het helemaal niet in dergelijke kringen. Feit is dat vanaf deze film voor heel veel mensen dit het beeld is van de maffia en hoe die functioneert, en dat zal zo blijven. Een jaar later komt het tweede deel, door velen gezien als de beste en altijd de film die genoemd wordt om te bewijzen dat sequels niet altijd minder zijn dan het origineel, hoewel deel II in feite voor een aanzienlijk gedeelte een prequel is. Deel III behandelt de familie een jaar of twintig later. Hoewel episch van opzet en structuur, gelijkend een opera zo je wil, blijft het een verhaal over personen.
Vito Corleone (Marlon Brando) is hoofd van een belangrijke maffiafamilie in New York. Hij heeft drie zonen, de opvliegende Sonny (James Caan), de slappe Fredo (John Cazale) en de berekenende Michael (Al Pacino) die niets met de maffiapraktijken van de familie te maken wil hebben en verloofd is met de niet-Italiaanse Kay Adams (Diane Keaton); een dochter (Talia Shire) en een adoptiefzoon, de familieadvocaat Tom Haden (Robert Duvall). Wanneer Vito weigert zich met de drugshandel in te laten jaagt hij de andere families tegen zich in het harnas. Na Vito’s dood en de moord op Sonny neemt Michael noodgedwongen de leiding over de familie op zich, met de bedoeling deze volledig te legaliseren. Maar om dat te realiseren zijn heel wat afrekeningen nodig. Deel II is een aaneenschakeling van deze moordpartijen, afgewisseld met een terugblik op de jeugd en opkomst van Vito Corleone, ditmaal gespeeld door Robert De Niro. Filmisch, qua opbouw en montage, zit deel II perfect in elkaar maar het mist wat pas in deel III uitgebreid behandeld wordt: zelfreflectie. Daarom vind ik persoonlijk, en ik weet dat ik nu inga tegen de publieke opinie, deel III beter en interessanter dan deel II. Michaels schuldgevoel, zich afvragend hoe hij het anders had kunnen doen, hoe het zover heeft kunnen komen dat hij zijn vrouw en kinderen van zich vervreemd heeft, dat hij zelfs zijn eigen broer Fredo heeft laten ombrengen, zijn spijt en zijn intense verlangen om het weer goed te maken, is de kern van het laatste deel, culminerend in het absolute hoogtepunt van het hele epos, de operasequentie van een half uur, waarin zijn zoon in Palermo de hoofdrol speelt, met het hartverscheurende einde.
We kunnen het ons nu niet meer voorstellen, maar er bestonden indertijd grote twijfels over Coppola als regisseur, namens producent Paramount liep Elia Kazan met Coppola mee om het elk moment te kunnen overnemen; ook Coppola’s keuze voor Brando en de toen nog vrij onbekende Al Pacino beviel Paramount geenszins.
Behalve familie draait de film om katholieke rituelen: deel I begint met een bruiloft, en ook een doopplechtigheid, processies en een biecht spelen een belangrijke rol; deel III begint met de pauselijke onderscheiding die Michael Corleone krijgt. Over familie gesproken, enige mate van nepotisme kan Coppola niet ontzegd worden: zijn zus Talia Shire speelt een belangrijke rol, het personage van Kay is gebaseerd op zijn vrouw, al zijn kinderen spelen in een of ander bijrolletje mee, en Sofia, in de eerste twee delen eventjes te zien, heeft als negentienjarige in deel III een belangrijke rol, al wordt daar over het algemeen nogal smalend over gedaan. De Speelfilmencyclopedie noemde het een bijna fatale misser. Dat is schromelijk overdreven, maar ik ben toch blij dat Sofia zich is gaan toeleggen op regisseren, want daarin is ze wel uiterst talentvol. Vader Carmine, componist en fluitist in een symfonieorkest, heeft de soundtrack geschreven (de eerste twee delen samen met Nino Rota) en krijgt een prachtig eerbetoon in deel II, dat helaas de eindmontage niet heeft gehaald, gebaseerd op een familieverhaal: Vito (De Niro) komt bij een smid genaamd Coppola (Francis’ grootvader), die als bijbaantje wapens van gangsters repareert. Zijn zoontje Carmine speelt fluit voor hem.
Goed, dat was een lange lap tekst, maar dat mag ook wel, het gaat immers om drie monumentale, ondanks hun traagheid en wijdlopigheid meeslepende en ijzersterk geacteerde films van in totaal bijna 9 uur, goed voor meer dan 30 Oscarnominaties, waarvan er 11 verzilverd werden, waaronder de geweigerde van Brando, die Sacheen Littlefeather naar de uitreiking stuurde.
GODZILLA VERSUS THE NETHERLANDS is een slechts 6 minuten durende animatie van Sietske Tjallingii waarin Godzilla de Hollandse symbolen vernietigt, want buiten Holland bestaat Nederland alleen uit Hunebedden. Dus het grootste deel van Nederland blijft gespaard. Vreemd. Normaal gesproken wordt vaak Holland gezegd wanneer Nederland bedoeld wordt, nu is het andersom. Wel vanuit hetzelfde gedachtegoed dat buiten Holland geen Nederland bestaat. Nog vreemder dat een naar ik aanneem Friezin deze denkfout maakt. Of is het gewoon provinciale wraak op de randstedelijke arrogantie? Hoe dan ook, een vermakelijk en goed gemaakt filmpje. Vanwege copyrightgedoe rondom de Godzilla afbeelding werd de film alweer snel uit de roulatie genomen.
Een van de redenen dat ik bij de filmprogrammering van OOC Zienema ging was omdat ik deze film vertoond wilde zien. Het was THE GOLD DIGGERS uit 1983 met in de hoofdrol Julie Christie, de debuutfilm van Sally Potter, die ik tot dan slechts kende als zangeres in de Engelse avantgardescene en die later furore zou maken met films als ORLANDO, THE TANGO LESSON en YES. Ik wist van de film omdat ik de soundtrack op lp had want die was van Lindsay Cooper en ik hield erg van haar muziek. Omdat het vandaag (18 september 2020) 7 jaar geleden is dat Lindsay Cooper overleed deze filmstill. O ja, het lukte niet om de film vertoond te krijgen. Ik kreeg niemand mee. Te obscuur. Maar mijn hele carrière in de filmvertoningswereld heb ik dus te danken aan mijn liefde voor muziek in het algemeen en voor Lindsay Cooper in het bijzonder.
In de Belgisch-Franse film A GOOD MAN (2020) hebben Ben en Aude een kinderwens, maar na vier mislukte pogingen is het duidelijk dat Aude niet zwanger kan worden. Dus besluit Ben het kind te dragen. Ben is namelijk een transman en nog niet zover in de transitie dat dat niet meer mogelijk is, maar het zet wel de zaken behoorlijk op zijn kop. Niet alleen omdat er een tijdelijke stop op het hele proces gezet wordt, waar Ben al sinds ze een kind was intens naar verlangt, maar het paar verlangt ook intens naar een kind. Het is ook verwarrend voor zijn broer, die hem altijd gesteund heeft en zich nu als het ware verraden voelt. Ze zijn toen ze een relatie kregen gaan wonen op een klein eiland (2500 inwoners) voor de kust van Bretagne, waar intussen iedereen Ben kent omdat hij als verpleegkundige alle patiënten thuis bezoekt, maar niemand weet dat hij een transman is, zelfs zijn beste vriend niet, en ook daar komt nu hij zwanger is verandering in. Intussen gaat Aude zich steeds nuttelozer voelen.
Het onderwerp van de film is al precair en dramatisch genoeg, dus koos Marie-Castille Mention-Schaar ervoor om alles zo vlak mogelijk te verfilmen, met veel lege momenten die het verhaal niet voortstuwen, sfeervolle intermezzo’s en poëtische tussenbeelden, en dat pakt niet onverdeeld gunstig uit, want je wordt als kijker niet gegrepen. Je zit erbij en kijkt ernaar. Noémie Merlant (PORTRAIT DE LA JEUNE FILLE EN FEU) is een opmerkelijke keuze als Ben, omdat ze een cis-vrouw is, maar het werkt wonderwel. Daar tegenover vult Soko als Aude haar rol bijna verbeten in, wat goed uitpakte in LA DANSEUSE maar hier vooral afstand creëert. Kortom, een beetje een gemiste kans.
GOTHIC is een film van Ken Russell, dus je weet wat te verwachten. In tegenstelling tot REMANDO AL VIENTO (zie aldaar) beperkt de film zich tot het verblijf van Mary Wollstonecraft Godwin, Percy Shelley en Claire Clairmont bij Lord Byron en dokter Polidori in Villa Diodati, Genève. Waar Frankenstein verzonnen werd (zie aldaar). Alles wat tijdens het verblijf besproken wordt en gebeurd is (hetgeen we weten omdat zowel Mary, Percy als Polidori er in hun dagboek over geschreven hebben) passeert de revue in de film maar de film is opgezet als een hysterische en extravagante, hallucinante horror-koortsdroom, compleet met duiveluitdrijving. Het is dus compleet over the top maar het bruist ook, is prachtig geënsceneerd en mooi gefotografeerd en, anders dan REMANDO, bezield door een uitstekende cast: Natasha Richardson (Mary), Julian Sands (Percy), Gabriel Byrne (Byron), Timothy Spall (Polidori) en Myriam Cyr (Claire). En ja, Mary Shelley kende het schilderij De Nachtmerrie van Füssli, waarop de scène die hoort bij de afbeelding gebaseerd is.
Na het feestje omdat hij is afgestudeerd wordt Benjamin (Dustin Hoffman) verleid door Mrs. Robinson (Anne Bancroft), de vrouw van zijn vaders zakenpartner, en vanaf dan komen ze elke dag bij elkaar in een hotel. Als hij haar dochter (Katharine Ross) echter ontmoet wordt hij verliefd op haar. Complicaties, dus. THE GRADUATE van Mike Nichols uit 1967 is een klassieker, maar inmiddels wel een erg gedateerde klassieker, wat eerdere keren dat ik de film zag, in de jaren 70 en 80, nog niet het geval was. De eerste helft van de film is bijna niet meer om aan te zien, Hoffmans gestuntel is erg vet aangezet en irritant en datzelfde geldt voor zijn ouders en meneer Robinson. De tweede helft (startend met de scène waaruit de bijgeplaatste still is genomen) is van een heel ander kaliber: Benjamin lijkt wel een ander persoon, nee, is een ander persoon, zelfverzekerd en doortastend. Door al dat geflikflooi met de oudere vrouw (in werkelijkheid was Bancroft nauwelijks ouder dan Hoffman en Ross) heeft hij blijkbaar ballen gekregen. Gelukkig voor de film, die er een heel stuk van opknapt. Hoffman is duidelijk te oud voor het personage dat hij speelt maar het is zijn doorbraak naar het grote publiek; Anne Bancroft is werkelijk grandioos als de in haar leven teleurgestelde Mrs. Robinson. Haar tragiek redt de film.
Er is niet zo heel veel fantasie nodig om in LE GRAND CHEMIN (1987) van Jean-Loup Hubert een variant te zien op de klassieker JEUX INTERDITS. Omdat ze in een kliniek moet gaan bevallen brengt Parisienne Claire (de zo betreurde Christine Pascal, zie bij LA GARCE) haar tienjarige zoon Louis (Antoine Hubert, zoon van de regisseur) naar het platteland, waar hij de zomervakantie zal doorbrengen bij haar vriendin Marcelle (Anémone). Hij maakt al meteen vriendjes met het buurmeisje, de bijdehante en vroegwijze Martine (Vanessa Guedj). Ze halen kattenkwaad uit en ze maakt hem wegwijs in het ‘echte’ leven (want hij komt uit de stad, wat weet hij nou?). Intussen merkt hij al snel dat er een koude oorlog woedt tussen de kwezelige Marcelle en haar man Pelo (Richard Bohringer), een ongelikte beer en dronkenlap, die wanneer nuchter echter prima kan opschieten met Louis, die door zijn echte vader in de steek is gelaten. LE GRAND CHEMIN is een volwassen kinderfilm die serieuze onderwerpen niet uit de weg gaat, humor heeft, ontroert en hoewel sentimentaliteit vermijdend Marcelle en Pelo hun happy end geeft, en dat gun je hun. Hubert zou zijn zoon en Bohringer opnieuw samen casten in zijn volgende en bekendste film APRÈS LA GUERRE.
Voor LES GRANGES BRÛLÉES, zie LE CERCLE ROUGE
Eigenlijk wil ik geen woorden vuil maken aan THE GRAY MAN. Als je denkt Ryan Gosling, Ana de Armas, Billy Bob Thornton, Alfre Woodard, wat kan er misgaan, zelfs als je Chris Evans een aanbeveling vindt, nou, ga naar buiten het aantal stoeptegels in je straat tellen en je zult meer plezier beleven, meer meemaken en met meer verrassende nieuwe inzichten thuiskomen dan wanneer je de fout maakt dit wanproduct te gaan kijken.
Behalve regisseur van THE GREAT DEBATERS is Denzel Washington ook de hoofdrolspeler in deze op echte gebeurtenissen gebaseerde film. Hij is Melvin Tolson, anno 1930 een professor op een kleine zwarte universiteit in Texas. Hij verzamelt een paar leerlingen om zich heen en begint een debatclub, die alle debatten tegen andere universiteiten wint en uiteindelijk regerend kampioen Harvard tegen-over zich krijgt. Voor het eerst in de geschiedenis een zwart team tegenover een wit team, ze winnen nog ook en zullen dat jaren op rij blijven doen! Het is een historisch gegeven maar de samenstelling van Tolsons team is de natte droom van elke scenarioschrijver en geeft aan dat er om dramatische redenen mee gespeeld is: een rebel die de randjes opzoekt, een vrouw (de eerste in de geschiedenis die geselec-teerd werd voor zo’n debatclub, die, stokoud inmiddels, Denzel Washington zal overhalen de rol van Tolson op zich te nemen), een veertienjarig wonderkind (die later, maar dat valt buiten het bestek van de film, een belangrijke rol zal gaan spelen in de burgerrechten-beweging) en iemand die al snel afhaakt vanwege Tolsons vermeende communistische sympathieën. De film is degelijk en meeslepend, filmisch gezien niet opzienbarend, maar weet invoelbaar te maken hoe het is om nergens veilig te zijn vanwege je huidskleur, altijd bang te moeten zijn om vernederd of opgepakt en gearresteerd of gelyncht te worden. Die altijd aanwezige angst, waar je ook gaat of staat, sluipt er bij de kijker in en laat een onuitwisbare indruk achter. Het onderwerp is wel degelijk opzienbarend (en weinig verteld), want Tolson gaat in feite vooraf aan het rijtje Rosa Parks, Martin Luther King, Malcolm X, Stokely Carmichael, Angela Davis.
Om als iemand met een kleurtje in de jaren zestig veilig door het zuiden van de Verenigde Staten te kunnen reizen had je een groen boekje. In de film GREEN BOOK gaat ook alles volgens het boekje. Alles is zo uitgedacht dat het leven uit de film is geslagen. Het is een aaneenschakeling van clichés en omgekeerde clichés. Elke oogopslag een cliché, elk personage van plastic. Alleen Linda Cardellini onttrekt zich er enigszins aan. De film probeert weliswaar racisme aan de kaak te stellen, maar draagt scène op scène de boodschap uit dat de zwarte man hulpeloos is zonder de witte man. En de witte man moet voortdurend aan de zwarte man uitleggen wat zwarte cultuur is, kom op, zeg. Whitemansplaining, of zoiets. Wel goede muziek.
Ontevreden dat ze geen contact met de klanten mogen hebben besluiten twee slagersknechten (Svend en Bjarne, resp. Mads Mikkelsen en Nikolaj Lie Kaas) een eigen zaak te beginnen. Vanwege hun eigenaardigheden loopt de zaak voor geen meter, totdat een elektricien per ongeluk in de vriescel opgesloten wordt en sterft. In paniek snijdt Svend de man in stukjes en verkoopt het vlees als kip en al snel worden ze een groot succes en wil iedereen alleen nog maar hun vlees. Dat is hun oude baas een doorn in het oog. En dan is er ook nog de lieftallige begrafenisondernemer Astrid (Line Kruse) op wie Bjarne een oogje heeft, om maar te zwijgen over Bjarnes achterlijke tweelingbroer Eigil (ook Lie Kaas) die uit een jarenlange coma ontwaakt. DE GRØNNE SLAGTERE (2003) is een zwarte komedie van de Deense filmmaker Anders Thomas Jensen, en gezien de inhoud natuurlijk de volmaakte kerstfilm, vooral voor vleeseters: het liefst te bekijken net voor het diner.
GROSSE POINT BLANK van George Armitage uit 1997 is een volgens vertrouwd en volstrekt voorspelbaar Hollywoodrecept gemaakte romantische komedie met thrillerelementen. Een huurmoordenaar wordt uitgenodigd voor een schoolreünie maar heeft tegelijkertijd een opdracht in zijn geboortestad. Bovendien zal hij de confrontatie moeten aangaan met zijn highschoolsweetheart, die hij in de steek gelaten heeft. Over de hele linie aanstekelijke spel (vooral hoofdrolspelers John Cusack & Minnie Driver zijn uitstekend) en erg goede dialogen. Heel leuke en plezierige film.
Dat belooft wat: een film met in de belangrijkste rollen Sean Penn, Jasmine Trinca, Javier Bardem en Idris Elba. THE GUNMAN blijkt echter een ordinaire actiefilm te zijn die op het einde met terug-werkende kracht wordt overgoten door een maatschappijkritisch sausje over de misdadige praktijken van multinationals in Afrika, waarschijnlijk slechts bedoeld om de linkse Penn te paaien. Jammer dat de enorme talenten van hem (en van Trinca, die niet veel meer mag doen dan de bevallige onschuld uithangen) ongebruikt blijven. Erger nog: verspild worden.
Het jonge meisje Sam (Freya Allen) groeit op met een moeder (Lena Headey) die huurmoordenares is. Als de moeder verdwijnt gaat het meisje (nu gespeeld door Karen Gillan) hetzelfde beroep uitoefenen, voor dezelfde “firma” die onder leiding staat van Nathan (Paul Giamatti). Door fouten van diezelfde firma krijgt ze iedereen tegen zich, zowel deze firma als een bende booswichten, en wordt Sam ook nog eens opgezadeld met een meisje van acht (en driekwart, een van de running gags), gespeeld door Chloe Coleman. Dan verschijnt moeder weer in haar leven. Ze roepen de hulp in van de bibliothecaressen Madeleine (Carla Gugino), Anna May (Angela Bassett) en Florence (Michelle Yeoh), die in elk boek een ander wapen, of geld, of goud, noem maar op, verstopt hebben. Samen binden ze de strijd aan tegen een hele meute slechteriken. Ook 60+ers Yeoh en Bassett staan hun mannetje (pun intended). Het voornamelijk Europese GUNPOWDER MILKSHAKE (2021) is popcornvermaak met cartoonesk geweld, dat niks voorstelt maar doordat het zichzelf geen moment serieus neemt, soms grappig is en doordat het een soort jongens tegen de meisjes is en de meisjes (uiteraard) winnen, best vermakelijk. En dat de actrices onderling een prettige chemie hebben draagt er in belangrijke mate toe bij.
Ik moet bekennen dat ik HAIR van Milos Forman nog nooit gezien had. Ik ken sommige liedjes eruit, maar daarvan vind ik alleen Ain’t Got No – I Got Life in de uitvoering van Nina Simone goed. En, nu ik de film heb gezien, Easy To Be Hard gezongen door Cheryl Barnes (de Three Dog Night versie is ook prima, maar nooit geweten dat 'ie uit Hair kwam). Toen de film in 1979 uitkwam had ik al een puberteit vol hippiehatende bands als Zappa/ Mothers of Invention en Jethro Tull en punk achter mijn kiezen, dus interesseerde de film me totaal niet en, ik houd sowieso niet erg van musicals. Nu ik eindelijk de film gezien heb kan ik bevestigen dat ik altijd gelijk heb gehad. Afijn, ik heb het geprobeerd. De film speelt zich af eind jaren zestig en gaat over Claude, een plattelandsjongen uit Oklahoma (John Savage) die voordat hij het leger ingaat en naar Vietnam vertrekt de toeristische trekpleisters in New York wil bezoeken maar terechtkomt bij een groepje hippies in Central Park onder aanvoering van Berger (Treat Williams), en verliefd wordt op een upperclass meisje dat te paard passeert (Beverly D’Angelo). Er is een bijrol voor regisseur Nicholas Ray als generaal. Forman deelt de afkeer van hippies met mij, hetgeen vooral blijkt uit twee scènes: wanneer de verloofde van een van de hippies met hun kind verschijnt en hem duidelijk maakt hoe harteloos hij is door zijn verantwoordelijkheid te ontlopen en er gewoon van weg te zijn gevlucht. Cheryl Barnes speelt daarmee het enige personage dat enige sympathie kan oproepen, hoewel ze daarna de cruciale fout maakt met de hippies mee te gaan, in plaats van lafaard Hud aan zijn afro mee te sleuren en hun kind tenminste nog een kans te geven fatsoenlijk op te groeien. De andere scène waarin Forman laat zien weinig op te hebben met het hippie-gedachtegoed is de laatste, wanneer als gevolg van zijn ondoordachte en impulsieve acties Berger in plaats van Claude als soldaat in een vliegtuig naar Vietnam vertrekt. Dat krijg je ervan! De choreografie van Twyla Tharp is overigens dik in orde.
Binnen de familie is Hannah (Mia Farrow) de betrouwbare rots in de branding, die almaar geeft, en wel uit de goedheid van haar hart. Haar flegmatische zus Lee (Barbara Hershey) heeft een relatie met de misantropische kunstschilder Frederick (Max von Sydow) en de andere zus Holly (Dianne Wiest) is een onzekere onsuccesvolle actrice met een coke-verleden die het nu probeert in de catering, samen met de onbetrouwbare April (Carrie Fisher). Ook Hannah is actrice, net als hun moeder Norma (Maureen O’Sullivan, ook in het echt Farrows moeder). Hannah is getrouwd met Elliot (Michael Caine), die verliefd is op Lee. En dan loopt er ook nog Hannah’s ex Mickey (Woody Allen) rond, een hypochondrische tv-producent, die de zin van het leven onderzoekt (en vindt wanneer hij in de bioscoop naar DUCK SOUP van The Marx Brothers kijkt). Om deze personen draait het in Woody Allens HANNAH AND HER SISTERS uit 1986. We volgen hen voor een jaar, tussen twee Thanksgivingdinners in in Hannah’s huis, waarvoor Mia Farrows echte appartement werd gebruikt. “Ik was er toch al de hele tijd, dus waarom de film niet daar opnemen,” zei Allen hierover, in die tijd in een relatie met Farrow. Het is een van de topfilms binnen Allens oeuvre geworden, gezeur van zeer hoge kwaliteit, wat vooral te danken is aan het uitzonderlijke acteerwerk van de drie zussen, Wiest voorop (maar wanneer is zij niet goed?) die er dan ook een Oscar voor kreeg, net als Allen voor het uitstekende scenario. Ook Caine kreeg een Oscar, terwijl ik hem, of liever zijn personage, erg vervelend vind.
Ik ben een groot fan van de films van Wong Kar-wai en zijn CHUNGKING EXPRESS staat in mijn top 10 van beste films aller tijden, maar HAPPY TOGETHER (1997) is me nooit echt bevallen, ondanks de briljante titel: CHEUN GWONG TSA SIT, ofwel in goed Nederlands: EEN PLOTSELINGE LEK VAN HET LENTELICHT. De twee Chinese mannen Ho Po-wing (de betreurde Leslie Cheung) en Lai Yiu-fai (Tony Leung Chiu-wai) zijn naar Argentinië verhuisd om hun relatie nieuw leven in te blazen, maar het blijft tobben tussen de twee. Yiu-fai is zorgzaam, maar ook jaloers, bezitterig en verstikkend; Po-wing avontuurlijk, maar ook onverantwoord en parasitair. Op zijn werk ontmoet Yiu-fai de Taiwanees Chang (Chang Chen), die van plan is naar Ushuaia, het einde van de wereld, te reizen. Deze rol van Chang is ter plekke in de film geschreven omdat de opnames langer duurden dan gepland en Cheung als zanger andere verplichtingen had. Want hoewel Wong Kar-wai zich baseerde op een roman van de Argentijnse schrijver Manuel Puig werkte hij niet vanuit een script maar probeerde verschillende dingen uit, verzon en filmde verhaallijnen die weer geschrapt werden, zoals de zelfmoord van Yiu-fai. Op de dvd die ik heb staat ook een soort van ‘making of’ van een uur, BUENOS AIRES ZERO DEGREES, waarin bijvoorbeeld de hele verhaallijn met Shirley Kwan als Yiu-fai’s vriendin verwerkt is, waarvan niets in de uitgebrachte film is overgebleven, terwijl de film er volgens mij veel beter van was geworden. Hoe dan ook, de film sluit wel aan bij Wong Kar-wai’s centrale thematiek, of je nu in Hong Kong, Buenos Aires of (eindscène) Taipei bent: aan eenzaamheid en je verloren voelen valt niet te ontkomen, hoe hard je ook je best doet en hoe omringd je ook bent door anderen, dus ook deze film is melancholisch tot op het bot. Als vanouds draagt het camerawerk van Christopher Doyle bij aan het gevoel van vervreemding, filmend in zowel zwart-wit als oververzadigde onnatuurlijke kleuren, met scheve kaders en vreemde standpunten, maar minder hectisch dan bij zijn directe voorgangers CHUNGKING EXPRESS en FALLEN ANGELS. Op de soundtrack, behalve een cover van de titelsong van The Turtles, veel Piazolla en Zappa.
Ik heb wel eens gelezen dat de film werkelijk ging over de drie China’s, het vasteland (Yiu-fai), Hong Kong (Po-wing) en Taiwan (Chang), maar dat lijkt me erg vergezocht.
In werkelijkheid was meer dan een kwart van alle cowboys Afro-Amerikaan. Ik heb honderden en honderden westerns gezien maar in geen enkele ervan, ook niet in de revisionistische, wordt recht gedaan aan dit feit. Dat THE HARDER THEY FALL een voornamelijk zwarte cast (en crew) heeft kun je zien als tegenwicht, de geschiedenis een beetje rechtzetten, maar het betekent niet dat dit een revisio-nistische western is. De film is zo mythisch als elke oude Hollywood western, alleen worden hier nieuwe mythes gecreëerd. De meeste personages in de film zijn historische figuren. Zo leidde Rufus Buck inderdaad een bende, maar die bestond slechts een week en werd toen opgerold. In de film wordt hij gespeeld door een beer van een vent van middelbare leeftijd, Idris Elba, in werkelijkheid was het een miezerig joch van amper 20 (ik heb een boek waarin een foto van hem staat). Zo kun je bij alle hoofdpersonages nauwelijks overeenkomsten met de historische personen vinden. Zo is er bijvoorbeeld Cuffee, oftewel Cathay Williams. In werkelijkheid kleedde ze zich als man en ging zo het leger in. In de film kleedt ze zich ook als man, maar daar houden de overeenkomsten op. Dat gezegd hebbende, regisseur Jeymes Samuel (broer van zanger Seal) en zijn sterrencast hebben er een heerlijk spektakel van gemaakt en oa Idris Elba, Regina King, Delroy Lindo, Zazie Beetz en Jonathan Majors vullen met veel plezier de rollen in, maar de show wordt vanaf het eerste moment dat ze in beeld komt gestolen door Danielle Deadwyler als Cuffee (2e van links).
Harriet Tubman is een van de grootste helden uit de Amerikaanse geschiedenis. Onder Obama werd besloten dat zij, als eerste vrouw en als eerste Afro-Amerikaan, op een dollarbiljet geportretteerd ging worden, maar de misogyne en racistische zak die hem opvolgde stak daar een stokje voor. Natuurlijk. In de biopic HARRIET kunnen we zien waarom ze dat portret ten volle verdient en gelukkig heeft Biden het plan weer uit de kast gehaald. De film is geregisseerd door Kasi Lemmons, die niet veel films maakt maar de films die ze maakt zijn uitstekend, denk aan EVE’S BAYOU en TALK TO ME. De film is recht-toe-recht-aan verhalende geschiedenis, zonder fratsen of tierelantijnen, maar zo wordt de historische Tubman uiteindelijk het meest recht gedaan. Zeker met de formidabele hoofdrol van Cynthia Erivo (die ik alleen kende van Chewing Gum, de tv-serie van Michaela Coel), die Tubman neerzet als de gedreven, eigenwijze, bloedserieuze en doortastende vrouw die ze gezien haar enorme prestaties wel geweest moet zijn. Erivo kreeg er een Oscarnominatie voor.
Op de foto onder leert Janelle Monáe haar met een pistool om te gaan.
Helemaal aan het einde van de 19e eeuw was Harry Tracy de laatst overgebleven desperado. Iedereen was dood of zat gevangen: Bill Doolin, alle Daltons, Butch Cassidy, The Sundance Kid, John Wesley Hardin, noem maar op. Dus iedereen zit achter Tracy aan in HARRY TRACY, DESPERADO, aka HARRY TRACY, THE LAST OF THE WILD BUNCH. Gelukkig wordt de dochter van een rechter verliefd op hem. Ik heb eerder wel eens geschreven dat film fictie is, ook al is een werkelijk geleefd hebbend persoon het onderwerp, maar ik vraag me toch af waarom je een historisch iemand tot onderwerp van je film maakt als je helemaal niet van plan bent om je aan de historische gebeurtenissen te houden. Dat je voor een film de meedogenloze killer Tracy portretteert als een romanticus die wel in is voor een practical joke snap ik nog wel, maar werkelijk niets van de getoonde gebeur-tenissen is gegaan zoals de film beschrijft, of anders in een geheel afwijkende context geplaatst. Eén voorbeeld: in werkelijkheid was Tracy getrouwd met de zus van zijn partner-in-crime en is de rechters dochter die haar luxe leventje opoffert om aan zijn zijde het leven van een vogelvrije voortvluchtige te slijten, geheel verzonnen. Blijft over een matig amusante western met Bruce Dern, Helen Shaver, Michael Gwynn, en zanger Gordon Lightfoot als de marshall die hem op de hielen zit, maar je snapt wel waarom Butch Cassidy, The Sundance Kid, John Wesley Hardin en de Daltons bij iedereen bekend zijn en Tracy niet: de anderen hebben een veel betere PR gekregen in populaire media.
Nadat de tv-serie over The Monkees beëindigd was besloot een van de bedenkers en regisseurs ervan Bob Rafelson met hen de speelfilm HEAD te maken, en hij schreef samen met Jack Nicholson het scenario. Nou ja, speelfilm is een groot woord. Het is een psychedelische aaneenschakeling van losse, onaffe, absurde en onsamenhangende scènes, gelardeerd met fragmenten uit films en tv-programma’s. Het was een welbewuste poging om het tijdens de tv-shows opgebouwde brave en wat infantiele imago te vernietigen. De jongens stappen voortdurend in en uit filmsets, dwars door decors en maken de geschiftste dingen mee: zo worden ze als roos uit Victor Mature’s haar gekamd om vervolgens in een stofzuigerzak terecht te komen. Geen bekende Monkees-hits maar sterk psychedelische songs. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat MAGICAL MYSTERY TOUR van The Beatles als blauwdruk gediend heeft. Naast de bandleden zelf belangrijke rollen voor Victor Mature en Timothy Carey, en korte optredens van Dennis Hopper, June Fairchild en Teri Garr, bokser Sonny Liston en een cameo van Frank Zappa. Bob Rafelson en Jack Nicholson zouden hierna blijven samenwerken in oa. FIVE EASY PIECES en THE POSTMAN ALWAYS RINGS TWICE. Al met al is HEAD een leuke curiositeit.
HEART, BEATING IN THE DARK (YAMIUTSU SHINZÔ) van Nagasaki Shunichi uit 2005 bestaat uit 3 lagen: de ‘making of’ van de nieuwe versie, de nieuwe versie en de oude versie (uit 1982). Nagasaki weet de film zo te monteren dat het 1 continu en organisch verhaal blijft en dat wanneer dezelfde scènes uit de twee versies na elkaar geplaatst worden deze elkaar aanvullen. Het verhaal gaat over een man en vrouw die hun kind gedood hebben, en over de 2 hoofdrolspelers 20 jaar later die nog niet klaar zijn met hun personages en dat verwerkt willen zien in de nieuwe versie, dus tegenover zichzelf. Zo wil de oude man zijn jonge zelf voortdurend op zijn gezicht slaan omdat hij indertijd wegkwam met de misdaad. Dat levert een bijzonder aangrijpende film op.
Regisseur John Huston had het bij THE AFRICAN QUEEN al eerder gedaan met Humphrey Bogart en Katherine Hepburn en deed het een paar jaar later met HEAVEN KNOWS, MR. ALLISON opnieuw met Robert Mitchum en Deborah Kerr: zet een geweldige acteur en een geweldige actrice tegenover elkaar, plaats hen op een geïsoleerde plek en kijk waar de onderlinge chemie je brengt. Heel ver, bleek de eerste keer. Heel ver, bleek nu opnieuw. De marinier Mitchum spoelt na een Japanse aanval tijdens WOII aan op een eiland in de buurt van Fiji en vindt daar maar één bewoner: de non Kerr. Het zetten van een macho met een crimineel verleden die nog nooit gebeden heeft tegenover een godvruchtige en fragiel ogende non (over typecasting gesproken, bij allebei!) die langzaam naar elkaar toegroeien en om elkaar gaan geven, klinkt als een gemakkelijk premisse waarbij succes gegarandeerd lijkt, maar de acteurs moeten het wel waarmaken, geloofwaardig kunnen overbrengen. Mitchum en Kerr hebben echter zo’n fijne onderlinge chemie en spelen het spel zo subtiel dat Huston er maar bij hoefde te zitten en hen hun gang liet gaan. Mitchum en Kerr bleven de rest van hun leven bevriend.
De film HEAVEN’S GATE van Michael Cimino heeft een beroerde reputatie. De kosten tijdens het maken liepen zodanig uit de hand dat de legendarische United Artists studio erdoor failliet ging. De film wordt algemeen gezien als saai en een veel te lange zit, zelfs bij de gangbare, korte versie (die slechts 2 ½ uur duurt; de oorspronkelijke versie, die ik nu zag, duurt 3 uur en 40 minuten). En inderdaad, Cimino neemt de tijd, laat scènes te lang doorgaan en het echte verhaal komt maar langzaam op gang. Daar staan echter overweldigend mooie opnames tegenover, met prachtig camerawerk, uitstekend acteerwerk, en het laatste uur is meeslepend en virtuoos in beeld gebracht. En het historische gegeven waar de film over gaat zien we op dit moment onder onze ogen opnieuw gebeuren: aan het einde van de 19e eeuw zijn rijke veebaronnen in Wyoming vast van plan de arme immigranten die recent uit Europa zijn gekomen te verdrijven en zelfs massaal te vermoorden. Omdat het allemaal anarchisten, dieven en misdadigers zouden zijn. De aanvoerder van de veebaronnen, Canton (Sam Waterston), heeft het recht aan zijn zijde wanneer hij op valse beschuldigingen immigranten laat ombrengen. Er is niet veel fantasie voor nodig om er een hedendaagse Nederlandse invulling aan te geven: iemand die al eens opgeroepen heeft (kinderen van) immigranten in de knie te schieten, bevindt zich nu in het centrum van de macht. Is dit ons voorland? Zijn tegenhanger, marshall Averill (Kris Kristofferson), kan slechts machteloos toezien om pas op het allerlaatste moment in actie te komen. Het meest bezwaarlijke aan de film is dat allemaal de namen in de film echte personen waren in wat historisch The Johnson County War is gaan heten, maar dat de filmpersonages in werkelijk niets maar dan ook niets overeenkomen met die echt bestaand hebbende mensen. Wel heeft Cimino een enorme sterrencast verzameld, behalve de al genoemden Isabelle Huppert, Christopher Walken, John Hurt, Jeff Bridges, Brad Dourif en een gastrol voor Joseph Cotton. Als je goed oplet zie je beginnend acteurs Mickey Rourke en Willem Dafoe ook nog. De film is een hele zit, maar je krijgt er ook veel voor terug en wordt op het einde ruimschoots beloond.
THE HEIRESS is een film van William Wyler uit 1949 en speelt zich halverwege de 19e eeuw af in New York. Catherine (Olivia de Havilland) is de dochter van een zeer welgestelde arts (Ralph Richardson) en kan de vergelijking met haar overleden moeder volgens haar vader niet doorstaan. Op een beschaafde manier wordt ze voortdurend door hem gekleineerd en vernederd. Ze is daarom erg verlegen en trekt zich terug in huis, zo dreigend een oude vrijster te worden. De inwonende tante Lavinia (Miriam Hopkins) steunt haar wel en neemt haar mee naar een bal, waar ze de charmante en uiterst knappe Morris (Montgomery Clift) ontmoet, die haar het hof maakt. Ze wordt zo hotedebotel verliefd dat ze niet in de gaten heeft dat het hem slechts om haar erfenis te doen is. Haar vader heeft hem echter meteen door... THE HEIRESS is een vrijwel perfecte film, hoewel indertijd de roddels gingen dat de drie hoofdrolspelers elkaar niet konden luchten of zien en regisseur Wyler zelf niet kon opschieten met De Havilland. Niettemin zet De Havilland, sowieso al een van mijn favoriete actrices uit die tijd, Catherine zo overtuigend neer en speelt ze zo subtiel dat ze er, volkomen terecht, een Golden Globe en een Oscar voor kreeg. Ook de muziek van Aaron Copland, de art direction en de kostuums (Edith Head natuurlijk) kregen een Oscar, terwijl de film zelf, regisseur Wyler, Ralph Richardson en het camerawerk zich tevreden moesten stellen met een Oscarnominatie. Ideale film voor een regenachtige wintermiddag. En niet alleen dan.
Laten we FLIRT de speelfilm een vergissing noemen, want met HENRY FOOL gaat Hal Hartley voort op zijn vertrouwde weg. Hij blijft zich ontwikkelen en tegelijkertijd trouw aan zijn stijl en idioom. Deze keer is het in plaats van de gebruikelijke novelle een heuse roman, hoewel hij de afstandelijke stijl blijft hanteren. De film gaat over vuilnisman Simon Grim (James Urbaniak) die een schrijverstalent blijkt te bezitten. De ervaren schrijver Henry Fool (Thomas Jay Ryan) helpt hem, maar blijkt een strafblad te hebben. Parker Posey speelt Fay, Simons nymfomane zus.
HEREMAKONO is een vroege film van misschien wel de belangrijkste Afrikaanse regisseur van deze eeuw: Abderrahmane Sissako. Dit schreef ik erover nav IFFR 2007: “In een kustplaatsje in Mauritanië wacht een jongeman om naar Europa te vertrekken. Hij wacht op geluk, spreekt de lokale taal niet en past zich niet aan aan de plaatselijke gewoontes. Ook zien we een elektricien en zijn jonge leerling, een meisje dat zangles krijgt (wat een stem heeft dat kind!). Sissako weet de lamlendigheid van het wachten heel invoelbaar te maken. Had de film de avond voordat ik naar het Filmfestival ging ‘als voorproefje’ thuis op video gekeken, maar wilde hem alsnog op groot scherm zien. Het viel me op (maar niet heus) hoeveel aan me was voorbijgegaan op tv.”
Twee mormoonse meisjes (Sophie Thatcher en Chloe East, in werkelijkheid allebei zelf voormalig aanhangers van de mormoonse kerk) verkondigen hun leer en stuiten daarbij op Reed (Hugh Grant), die hen uitnodigt binnen te komen om eens een goed gesprek over godsdienst te hebben. Hij blijkt er verstand van te hebben en begint een betoog dat de meisjes ervan moet overtuigen dat hun geloof niet klopt. Dat geen enkel geloof klopt. Hij doet dat welbespraakt hoewel hij daarbij fundamentele denkfouten maakt. Als hij zich ook in de theosofie verdiept had zou hij weten dat zijn redenatie in de kern niet klopt, maar dan zou deze film er niet zijn geweest. De meisjes merken al vrij snel dat er iets niet klopt aan de man maar dan is het al te laat en zitten ze in de val, opgesloten in het huis van een psychopaat. Het tweede deel van de film is meer gangbare horror, hoewel de mindfuckspelletjes blijven, tot aan het einde toe. Met HERETIC (2024) proberen de regisseurs Scott Beck en Bryan Woods vanuit een originele invalshoek een horrorfilm te maken en dat zal de gemiddelde liefhebber veel te intellectueel zijn, maar goed, de gemiddelde Hugh Grant fan, die iets in de trant van NOTTING HILL verwacht, niet wetende dat Grant ook ooit in BITTER MOON van Polanski speelde (deze film lijkt wel het dianegatief ervan) en Lord Byron vertolkte in REMANDO AL VIENTE, zal eveneens van een koude kermis thuiskomen. Dus blijven types als ik over, in staat de redenering van een psychopaat te weerleggen (gelukkig maar, pfff), maar tegelijkertijd te genieten van het spel, de spelletjes en de macabere sfeer, en verrast te worden door het einde. Tijdens de eindcredits zingt Sophie Thatcher Knocking On Heaven’s Door, begeleid door het onmiskenbare gitaargeluid van David Roback (Mazzy Star), daarbij een extra laag toevoegend aan het onderwerp van de film, want Roback is al jaren dood.
Weer eentje uit de kleine serie van martial arts films. Wat Ang Lee met CROUCHING TIGER, HIDDEN DRAGON kan, kan ik ook dacht Zhang Yimou en gelijk had hij: HERO (YING XIONG, 2002) en HOUSE OF FLYING DAGGERS (SHI MIAN MAI FU, 2004) zijn zo mogelijk nog spectaculairder en (laat dat maar aan Zhang over) kleurrijker. Als oorspronkelijk ontdekker van Zhang Ziyi (geen familie) gaf hij haar in beide films een belangrijke (hoofd)rol, naast Jet Li, Tony Leung Chiu-wai en Maggie Cheung in de eerste en Kaneshiro Takeshi en Andy Lau in de tweede.
Topregisseur en Oscarwinnaar Asghar Fahradi heeft gelukkig uit het totaal mislukte Spaanse uitstapje van TODOS LO SABEN (zie aldaar) de conclusie getrokken dat hij beter op zijn plek is in Iran, en neemt daar revanche met het opnieuw sterke A HERO (GHAHREMAN, 2021). Zijn films zijn weliswaar universeel maar ook diep geworteld in de Iraanse cultuur en zeden. In deze film zit Rahim (Amir Jadidi) in de gevangenis omdat hij een schuld aan zijn voormalige schoonbroer niet kan afbetalen. Hij krijgt twee dagen verlof om de schuld te vereffenen. Zijn vriendin Farkhondeh (Zahar Goldoost) heeft een tas met gouden munten gevonden en hij komt in de verleiding die te verkopen, maar zijn geweten speelt op en hij onderneemt actie om de eigenaar van de tas te vinden. Dat gebeurt en de tas met goud wordt teruggegeven. Wanneer het management van de gevangenis dit ter ore komt zoeken ze de publiciteit op en wordt Rahim tegen wil en dank een held. Een NGO die de belangen van gevangenen behartigt zamelt geld voor hem in, maar het is niet het hele bedrag. De schuldeiser gaat niet akkoord, vindt de ophemeling van Rahim hypocriet (en heeft daar een punt) en is onbarmhartig. Dan verschijnen berichten in de sociale media die Rahims verhaal in twijfel trekken en moet Rahim de vrouw van wie de tas met goud is terugvinden. Dat lukt niet. Niet alleen de goedgelovige naïeve Rahim is slachtoffer van de sociale media campagne, maar ook de gevangenisdirectie en de NGO. En door het gebrek aan empathie krijgt de schuldeiser zijn geld niet. Iedereen verliest. Het is een verhaal over geweten en eer geworden waarin kleine leugentjes om bestwil door toedoen van de geruchtenmachine die sociale media heet desastreuze gevolgen krijgen. De film vertoont veel overeenkomsten met Fahradi’s vroege film THE BEAUTIFUL CITY (zie aldaar).
THE HERO begint mooi, rustig, melancholiek en bedachtzaam, precies zoals je verwacht van een film over een oude ongeneeslijk zieke acteur die zijn carrière en leven overdenkt. Later in de film zit nog een mooie scène, als hij tijdens een telefoontje in de wacht gezet wordt en Peer Gynt door de telefoon klinkt terwijl hij over de zee uitkijkt. Op dat moment ervaar je wat er in de man omgaat. De regisseur geeft deze in potentie prachtige film echter de diepgang van een Hallmarkkaart, daarbij geholpen door de hoofdrolspelers. Voor zo’n rolletje in THE BIG LEBOWSKI is Sam Elliott ideaal, maar een film dragen, daarvoor mist hij toch de bagage en de acteerkwaliteiten, die aaneenhangen van maniertjes: hup, daar gaat het koppie weer scheef; hup, daar is die ironische glimlach weer; hup, daar staart hij weer met die wezenloze blik in de verte. Laura Prepon is geweldig in een sit-com als That 70’s Show, maar geen filmactrice die overtuigend een mens van vlees & bloed en emotionele diepgang kan neerzetten. Ik had een gegarandeerd goede film klaarliggen maar moest zo nodig in de gids kijken of er iets op tv was en dit leek veelbelovend. Het was niks.
De roep dat de geschiedenis zoals die gecanoniseerd is herzien moet worden omdat deze een heel eenzijdig beeld geeft van het verleden en voorbijgaat aan de inbreng van niet-dominante bevolkingsgroepen is de afgelopen jaren luider en luider geworden. De film HIDDEN FIGURES is er een voorbeeld van waarom deze roep terecht is. Er zijn meer films gemaakt over het begin van de Amerikaanse ruimtevaart, met als absolute hoogtepunt Philip Kaufmans THE RIGHT STUFF. Dat de raketten nooit van de grond waren gekomen zonder een groep Afro-Amerikaanse vrouwelijke genieën is een onbekend gebleven deel van dat verhaal en wordt uit de doeken gedaan in HIDDEN FIGURES uit 2016 van Theodore Melfi, met Taraji P. Henson, Janelle Monáe en Octavia Spencer als de boeg-beelden. Spil is Katherine Johnson, die begin van dit jaar op 101-jarige leeftijd overleed, en de trajecten voor de ruimtevluchten uit haar hoofd berekende. Zelfs toen er al computers gebruikt werden eiste John Glenn dat zij het voor de zekerheid narekende. Hij had meer vertrouwen in haar. Toch hadden zij, en al die andere vrouwen, erg veel last van de segregatie (er was niet eens een wc voor niet witte mensen op het NASA-terrein) en het wantrouwen en de racistische bejegening door collega’s en op institutioneel niveau. Henson bewijst dat ze niet alleen tough & sexy is maar ook prima uit de voeten kan met een rol als nerd in deze uitstekende film.
HIDE AND SEEK gaat over een man die na de zelfmoord van zijn vrouw samen met zijn dochter van 10 de landelijke omgeving opzoekt om van het trauma te genezen. Een horror met Robert De Niro en Dakota Fanning, en een topcast van bijrollen: Amy Irving, Elisabeth Shue, Robert John Burke, Melissa Leo en Famke Janssen. Je gaat voor minder een film kijken. En tot over de helft is de film boeiend en eng, maar als eenmaal duidelijk wordt hoe de vork in de steel zit blijkt dat geprobeerd is een mes in de steel te passen, want met de kennis van dat moment blijkt heel veel van ervoor totaal niet te kloppen, en dat nog wel op fundamentele kwesties. Wordt het nog een hele toer om hem uit te zitten.
DER HIMMEL ÜBER BERLIN uit 1987 van Wim Wenders, op een scenario van Peter Handke, staat 5 op mijn lijst beste films. Engelen dwalen door Berlijn en observeren de mensen, horen hun gedachtes, leven met hen mee, fluisteren hen soms bemoedigende woorden in. Dan wordt 1 van hen (Bruno Ganz) verliefd op een circusartieste (Solveig Dommartin, die alle stunts zelf aanleerde en uitvoerde) en verlangt ernaar mens worden. Deel te nemen aan het leven in plaats van toe te zien op het leven. Een film die tot het wezen van mens-zijn weet door te dringen, enerzijds via de gedachtes van enkele personages (onder wie Peter ‘Columbo’ Falk), anderzijds in die prachtige scène waarin de-mens-geworden-engel voor het eerst fysieke sensaties ondergaat. Hij proeft, hij ruikt, hij ziet in kleur, hij brandt zijn vingers aan hete koffie, is als een kind zo blij en gelukkig.
Op een gegeven moment kwam op facebook een post voorbij over troostrijke films, en ik moest toegeven nog nooit met die blik naar een film gekeken te hebben, dus eigen voorbeelden kon ik niet noemen. De enige film die me te binnen schoot was de Japanse film EUREKA (YURIKA) van Aoyama Shinji. De ultieme troostfilm voor de plaatser van het bericht was IT’S A WONDERFUL LIFE, en daar kan ik een heel eind in meegaan. Ook in DER HIMMEL... komen engelen voor. In IT’S A... is het een engel die een mens laat zien dat het leven, zijn leven, de moeite waard is, in DER HIMMEL... laat juist de mens aan de engel zien dat het menselijke leven de moeite waard is, zelfs zo waardevol dat het loont om je onsterfelijke status op te geven om aan de menselijke ervaring deel te kunnen nemen. Met andere woorden, troostrijker dan DER HIMMEL ÜBER BERLIN kan een film nauwelijks zijn.
In de Frans-Tunesische film UNE HISTOIRE D’AMOUR ET DE DÉSIR uit 2021 van Leyla Bouzid gaat Ahmed, een tweede generatie Algerijn, Literatuur studeren aan de Sorbonne. Zijn vader is een gedesillusioneerde intellectueel, zijn moeder is een levendige vrouw met een rijk sociaal leven, en hij heeft een jonger zusje, die zelfverzekerd in het leven staat. Op de uni ontdekt hij de rijke Arabische erotische literatuur uit voorbije eeuwen, en hij raakt er bevriend met Farah, een medestudente, vers uit Tunis. Ahmed voelt meer dan slechts vriendschap, Farah ook, maar hij is introvert, probeert zich aan de heersende moraal te houden, weet eenvoudig niet hoe met zijn verliefdheid om te gaan en niet hoe haar extraverte persoonlijkheid in zijn leven te passen. Griezelig hoe één op één ik me met Ahmed kon identificeren. Ik moest even denken aan FLEURS DU MAL van David Dousa, een film over een freerunner die via een Iraanse vluchtelinge de rijke islamitische literatuur leert kennen, maar dit is toch echt een heel andere film. Dit is een fijn gebalanceerde en tedere film waarin de vraag gesteld wordt of pure liefde geconsummeerd kan worden. Want in de Arabische literatuur wordt de muze verkozen boven de vrouw van vlees en bloed en sterven de meeste dichters van liefdesverdriet. Ik sprong een gat in de lucht toen ze op een gegeven moment een concert van de Tunesisch-Belgische zangeres Ghalia Benali bezochten, die het thema op haar album Romeo & Leila uit 2006 ook behandelde. Verder ook met opwindend saxofoonspel van Lucas Gaudin.
We bevinden ons in de laatste week van 1999. Regen. Een mysterieuze ziekte neemt epidemische vormen aan. Regen. Een eenzame man. Regen. Een gat in zijn vloer. Regen. De eenzame onderbuurvrouw. Regen. In verschillende musicalsettings opgenomen liedjes waarvan de functie pas tijdens de aftiteling duidelijk wordt. Regen. De Taiwanese regisseur Tsai Ming-liang laat ons in THE HOLE (1998) niet zo lijden als in zijn vorige film THE RIVER, maar vrolijk is het nog steeds niet. Toch is er een happy ending! Natuurlijk met Lee Kang-sheng, en met in de vrouwelijke rol Yang Kuei-mei, die we in de films van Tsai ook heel vaak tegenkomen.
Vandaag een still uit HOLE IN THE SKY (SORA NO ANA) uit 2001 van Kumakiri Kazuyoshi uit Japan. Een meisje (de prachtige Kikuchi Rinko zal later internationale bekendheid verwerven door rollen in BABEL en NORWEGIAN WOOD) strandt in een uithoek van het eiland Hokkaido en vindt onderdak bij eenzame restaurantkok. Tussen hen bloeit een mooie liefde op, maar op een gegeven moment gaat het meisje zich vervelen en is het tijd om terug te gaan naar de bewoonde wereld. Rustig verteld, hartverwarmend klein verhaaltje dat enigszins te lijden heeft onder de voorspelbaarheid. Ik dacht, waarom kan een film niet gewoon ophouden? Waarom altijd een einde? Durf eens gewoon op te houden! Verder heel mooi.
Niemand van mijn filmvrienden nam Nicole Kidmans acteerprestaties serieus, men zag haar slechts als de bijzit van Tom Cruise, voor wie evenmin veel waardering bestond. Let wel, dat was voordat hij met EYES WIDE SHUT en vooral MAGNOLIA liet zien best wat in zijn mars te hebben (maar daar bleef het eigenlijk ook wel bij). Niemand had blijkbaar DEAD CALM gezien, een soort Australische variant op Polanski’s MES IN HET WATER. Ik wel, dus ik kon haar wel waarderen. Daar kwam verandering in met Gus Van Sants TO DIE FOR. Kidman werd ontdekt door de arthousefilmliefhebber! Ik moest erg aan die laatste film denken toen ik HOLLAND zag, een door haarzelf (mede)geproduceerde film van eerder dit jaar. Het speelt zich af in Holland, Michigan, een echt bestaande stad die alle Hollandse clichés koestert en uitbuit: tulpen, windmolens, klompen, klederdracht. Op de soundtrack oa Rob de Nijs en Wim Sonneveld. Nancy (Kidman) is onderwijzeres, getrouwd met Fred (Matthew Macfadyen) en ze hebben een zoon Harry (Jude Hill, die we al in BELFAST zagen). Hun scènes thuis zouden zo uit een Van Warmerdam film kunnen zijn gekopieerd. Nancy verdenkt Fred ervan vreemd te gaan en samen met collega Dave (de kennelijk niet eeuwig jong blijvende Gael Garcia Bernal) gaat ze op onderzoek uit. Het duurt een uur voordat deze opzettelijk ontzettend lullige zwarte komedie, die nergens heen dreigt te gaan, een spannende misdaadfilm wordt, want ze ontdekken een heel ander geheim. De film onttrekt zich aan alle misdaadfilmconventies, wat ik wel kan waarderen, maar het is wel wennen en de film is nauwelijks evenwichtig te noemen. De een amuseert zich kostelijk, de ander ergert zich dood. Ik heb me wel vermaakt.
Een western is al half geslaagd als de landschappen adembenemend zijn en dat is het geval bij HOSTILES, over een groepje militairen dat in 1892 een oude op sterven liggende al jaren in gevangenschap levende Cheyenne en zijn familie terug moeten brengen naar zijn geboortegrond in Montana om daar te sterven. Ook het acteerwerk (Christian Bale, Wes Studi, Rosamund Pike, Q’Orianka Kilcher) is prima. Maar hoe de indianenhaat onderweg omslaat in respect en solidariteit overtuigt me totaal niet. Dat neemt niet weg dat de momenten waarop de weerbarstigheid eventjes doorbroken worden door een glimlach hier en medemenselijkheid daar, zonnestraaltjes zijn in een verder grauwe hemel. En dat het einde, als de graven opgericht zijn, ontroert.
HOTEL RWANDA uit 2004 is de eerste en belangrijkste en wellicht beste film die is gemaakt over de genocide van 1994. Niet lang nadat we de film in het Filmhuis hadden gedraaid leerde ik iemand kennen van Rwandese afkomst. Op mijn vraag of ze de film had gezien vertelde ze Paul Rusesabagina persoonlijk te kennen omdat hij een vriend was van haar vader en vaak bij hen over de vloer kwam. Later gingen we samen naar de première van die andere film over de genocide, SHOOTING DOGS. Hoe goed ook, die film bekeek alles vanuit het perspectief van de witte buitenstaander, net zoals UN DIMANCHE À KIGALI, terwijl HOTEL RWANDA, hoewel ook grotendeels gemaakt door buitenstaanders, zich meer richt op de Rwandezen zelf. Deze schijnbaar idyllische still laat de stilte voor de storm zien.
Veel acteurs hebben Sherlock Holmes gespeeld, maar de meest iconische is toch wel Basil Rathbone, die tussen 1939 en 1946 veertien keer in de huid van de door Arthur Conan Doyle gecreëerde privédetective kroop, telkens vergezeld van Nigel Bruce als Dr. Watson. Om te beginnen met THE HOUND OF THE BASKERVILLES. Vreemd genoeg staat hij op de credits niet vermeld als hoofdrolspeler, die is weggelegd voor Richard Greene, die Sir Henry Baskerville speelt en na de dood van zijn oom terugkeert vanuit Canada naar zijn landgoed in Dartmoor, grenzend aan een onherbergzaam woest heidegebied, waar volgens de legende een monsterachtige moordende wilde hond rondloopt. Omdat Henry’s leven bedreigd wordt roept men de hulp in van Holmes. Vooral de scènes die zich afspelen in de ‘moors’ zijn erg mooi, sfeervol en spannend, hoewel je kunt zien dat het voornamelijk studiowerk is en geen echte wilde natuur. Verder met Wendy Barrie als de vrouw met wie Sir Henry zich verlooft, Lionel Attwil als de dokter en John Carradine als de wat sinistere bediende. Degelijk ouderwets vermaak. Nog dertien te gaan.
THE HOUSE aka A CASA uit 1997 van de Litouwse filmmaker Sharunas Bartas wijkt erg af van de drie films die hij tot nu toe gemaakt heeft. Deze draait om een man (Francisco Nascimento) die door een enorm huis dwaalt en observeert wat zich om hem heen afspeelt, maar blijft zelf buiten de handeling. Volgens mij verschijnt wat wij zien voor zijn geestesoog en herbeleeft hij als buitenstaander zijn jeugd, en kijkt naar binnen. Het is een in adembenemend mooie, sterk symbolische beelden verteld verhaal vol verwijzingen naar rituelen en religie, sprookjesachtig, mysterieus en assocatief. Hoewel Yekaterina Golubeva (samen met Bartas) het scenario schreef speelt ze niet mee, wat altijd een gemis is. Wel met Valeria Bruni-Tedeschi, Alex Descas en Leos Carax.
In mijn martial artfilmserie hier het visueel onwijs spectaculaire HOUSE OF FLYING DAGGERS (SHI MIAN MAI FU) van Zhang Yimou. Zie ook HERO.
HOUSE OF USHER, later vaak getiteld THE FALL OF THE HOUSE OF USHER, was in 1960 de eerste verfilming door Roger Corman van een verhaal van Edgar Allen Poe, logisch want het was en is het bekendste verhaal van Poe. Over het vervloekte Usher huis, zowel figuurlijk vanwege de gruwelijke misdaden die de leden van de familie (hun geschilderde portretten in het huis hadden door Francis Bacon gemaakt kunnen zijn) in het verleden begaan hebben, als letterlijk het huis waarin de laatste afstammelingen, broer en zus, wonen, dat steen voor steen afgebroken werd in Engeland om opnieuw opgebouwd te worden in New England, en dat een eigen destructief leven lijkt te leiden. Met Vincent Price als Roderick Usher, Myrna Fahey als zus Madeline, en met Mark Damon als haar verloofde, die het huis binnendringt om Madeline er weg te krijgen en aan wie gaandeweg duidelijk wordt wat het afgrijselijke familiegeheim inhoudt. Hoewel het een prachtige gothic horror is, in kleur en cinemascope, met een hallucinante nachtmerriescène als visueel en angstaanjagend hoogtepunt, is deze film ook de opmaat voor de werkelijk grandioze Poe-verfilmingen die Corman hierna ging maken, zoals THE PIT AND THE PENDULUM, THE MASQUE OF THE RED DEATH en THE RAVEN, allemaal beschreven op deze site.
Welke film ga ik kijken op kerstavond? Ik had NIGHT OF THE LIVING DEAD en LET THE RIGHT ONE IN klaarliggen om uit te kiezen, maar wilde toch een beetje in de kerststemming komen met iets luchtigs, voor de hele familie. Een film die je zomaar met kerstmis op de tv zou kunnen zien. Nee, geen SISSI of IT’S A WONDERFUL LIFE. Wat dacht je van HOW TO MARRY A MILLIONAIRE van Jean Negulesco uit 1953? Het was een van de eerste cinemascopefilms en zo ongeveer de eerste in stereo. Het gaat over drie modellen die een miljonair aan de haak willen slaan en daarvoor samen een duur penthouse in New York huren: de slimme wat hooghartige Schatze (Lauren Bacall), de oliedomme Loco (Betty Grable) en de, als ze haar bril niet draagt en die draagt ze nooit met een man in de buurt, stekeblinde Pola (Marilyn Monroe). Het is een onbezorgde en nog steeds erg leuke komedie, prima geacteerd door de drie sterren, daarbij ondersteund door Rory Calhoun, David Wayne, Fred Clark, Cameron Mitchell en William Powell. Natuurlijk eindigt Schatze bij de man tegen wie ze, een rode draad gedurende de film, talloze malen zegt dat ze hem hierna nooit meer wil zien, die geen ‘grease monkey’ blijkt te zijn maar een echte miljonair. Ook de andere twee vinden de liefde. Zo hoort dat in dergelijke films. De film levert enkele knipogen naar de wereld buiten het gesloten romantisch realisme, zeker in die tijd nog een sine qua non in Hollywood. Wanneer Pola (Monroe) een rood badpak showt wordt gezegd dat diamonds are a girl’s best friend, daarbij refererend aan Monroe’s vorige film GENTLEMEN PREFER BLONDES, waarin ze het bewuste liedje zingt. Het leukst is wanneer Schatze (Bacall) zegt dat ze van oudere mannen houdt, zoals, hoe heet die oude vent uit THE AFRICAN QUEEN alweer? Ze doelt natuurlijk op Humphrey Bogart, Lauren Bacalls man. Je zou verwachten dat met drie sterren samen er gegarandeerd onderlinge heibel zou komen maar de drie werden vriendinnen en trokken samen op, en dat zie je in de film. Puur gedachteloos entertainment, maar als het zo goed gemaakt wordt als deze film, niets op tegen, integendeel.
De Japans-Franse coproductie H-STORY van Nobuhiro Suwa gaat over het maken van een remake van HIROSHIMA MON AMOUR, nu door een Japans regisseur. Bleef voor mij een hermetische film, waarschijnlijk omdat het te lang geleden is dat ik het Resnais-origineel gezien heb. Grote misser van de Festivalprogramming (ik zag hem op het IFFR 2002) dus om HIROSHIMA MON AMOUR niet te programmeren. Groot pluspunt van de film is de zeer overtuigend acterende Béatrice Dalle, die ik normaal meestal onuitstaanbaar vind.
De allereerste film is die ik in mijn leven zag was THE HUNCHBACK OF THE NOTRE DAME uit 1939, van William Dieterle en met Charles Laughton (de real life man van de bruid van Frankenstein) en Maureen O’Hara (de favoriete actrice van mijn vader). Zelf hadden we thuis nog geen televisie toen ik als kind van een jaar of zeven bij mijn oma en opa bleef logeren en ik ’s avonds lang mocht opblijven en televisie mocht kijken. Deze film werd toen vertoond en ik mocht hem zien. Misschien niet pedagogisch verantwoord want ik kreeg er nachtmerries van. Niettemin: de film liet een verpletterende indruk op me achter en die avond is me tot op de dag van vandaag bijgebleven. Wellicht was mijn leven heel anders gelopen als ik toen een baggerfilm gezien had en was ik nooit in de filmvertoningswereld terechtgekomen maar schoenverkoper geworden.
Vroeger had je Mozart in Oostenrijk. Goddelijke muziek. Wanneer is het daar dan zo gruwelijk mis gegaan? Zijn ze nooit over de dood van Sissi heengekomen? In de Oostenrijkse film HUNDSTAGE doen ze niks anders dan elkaar het bloed onder de nagels vandaan halen, vernederen en nog erger. Regisseur Ulrich Seidl wentelt zich vol genoegen in deze tergende misantropie. Alle personages slagen dan ook glansrijk voor hun Hund-stage, zoals een vriendin de film adequaat typeerde. Bah, nee.
De Japanse film HUSH! van Hashigushi Ryosuke is een lichtvoetige film over een jongeman die een relatie krijgt met een andere man, een vrouw ontmoet die een kind van hem wil, terwijl een collega zo verliefd op hem is dat ze dreigt met zelfmoord. Niet slecht, maar heeft in de verste verte niet de kracht van zijn vorige film LIKE GRAINS OF SAND.
De filmstill van vandaag komt uit de Senegalese film HYÈNES uit 1992 van Djibril Diop Mambéty, mogelijk de eerste Afrikaanse film die ik op het witte doek zag. Een kleurrijke zedenkomedie over hebzucht en schone schijn met surrealistische trekjes. Gebaseerd op een toneelstuk van Friedrich Dürrenmatt, Der Besuch Der Alten Dame, maar overgezet naar een Afrikaanse context, wat wonderwel werkt.
I AM NOT A WITCH is een film van Rungano Nyoni uit Zambia en gaat over een negenjarig meisje dat ervan beschuldigd wordt een heks te zijn. Een regeringsofficial brengt haar naar een heksenkamp. Om ervoor te zorgen dat de heksen niet ontsnappen worden ze aan een koord vastgemaakt dat aan een grote klos verbonden is. Knippen ze dat koord los zullen ze veranderen in een geit. In eerste instantie is het een maatschappijkritische komische satire waarin vooral de gewichtigdoenerij van de autoriteiten op de korrel wordt genomen en de onderdanige rol van de vrouw wordt bekritiseerd, maar gaandeweg wordt de film metaforischer en de toon bitterder en bitterder. Prachtig ingetogen spel van Maggie Mulubwa in de hoofdrol.
Helen is een meisje dat op 14-jarige leeftijd het platteland en haar twee kinderen (!) ontvlucht om in New York iets van haar leven te maken. Ze belandt in Hell’s Kitchen, Manhattan, waar haar huis al snel een plek is waar mensen samenkomen en waar altijd door haar bereid voedsel voorhanden is. Op een dag komt Lee Morgan er. Morgan was ooit een heel vriendelijke jongeman en een begenadigd trompettist, die bij Dizzy Gillespie en Art Blakey en John Coltrane speelde, maar hij is aan lager wal geraakt door een drugsverslaving. Hij leeft letterlijk in de goot en niemand wil meer met hem musiceren. Helen ontfermt zich over hem, helpt hem van zijn verslaving af te komen en zijn leven weer op de rails te krijgen. Ze is zijn geliefde, zijn manager die zijn carrière er bovenop helpt en ze zijn onafscheidelijk. Wanneer Morgan er een vriendinnetje bijneemt en van plan is Helen te verlaten schiet ze hem dood op het podium. De docufilm I CALLED HIM MORGAN is opgebouwd aan de hand van het laatste interview dat Helen voor haar dood een maand later gegeven heeft. In het begin heb je een hekel aan haar, ze heeft tenslotte een moord gepleegd, en nog wel op zo’n aardige man die zo goed trompet kon spelen, maar naar mate het verhaal vordert komt je sympathie geheel bij haar te liggen en snap je waarom ze tot die daad komt, waarmee ik het absoluut niet wil goedpraten. Nadat ze weer vrij komt wijdt ze de overige 20 jaar van haar leven in dienstbaarheid aan anderen. Ondanks die vreselijke daad kun je alleen maar enorm veel bewondering hebben voor haar. Illustratief ervoor is dat verschillende vrienden en medemuzikanten van Morgan ziedend op haar zijn en haar haten maar als ze haar uiteindelijk weer ontmoeten haar meteen weer in de armen sluiten.
I DON’T WANNA DANCE speelt zich af in Amsterdam Noord en gaat over de 15-jarige Joey, gespeeld door Yfendo van Praag, die feitelijk zijn eigen leven vertolkt. De film is namelijk gebaseerd op zijn eigen ervaringen. Hij is een talentvolle aankomend danser met een groot verantwoordelijkheidsgevoel en een broertje van tien. Hun moeder heeft een goed hart maar vanwege overmatig blowen nauwe-lijks verantwoordelijkheidsgevoel, en is expert in emotionele chantage en (publieke) vernederingen. Klein gehouden, realistisch drama met naturel spel en naturelle dialogen, dat vrolijkheid en plezier afwisselt met (steeds meer) ernst en drama. De band tussen moeder en zoon is vol liefde en onvoorwaardelijk, en hij moet voortdurend laveren tussen zijn liefde voor haar en opkomen voor zichzelf en voor zijn broertje. En daar zijn grenzen aan. Romana Vrede is zoals verwacht fantastisch als de moeder en Yfendo van Praag een ware openbaring. Een zeer geslaagd en ontroerend debuut van Flynn von Kleist.
Ik zag nogal op tegen I DON’T WANT TO SLEEP ALONE (HEI YAN QUAN), omdat deze gepland stond als allerlaatste van het filmfestival, dus op zaterdagavond om 22.30 uur. Nu ben ik een groot liefhebber van de films van Tsai Ming-lian, maar na meer dan een week de hele dag intensief film kijken eindigen in zijn trage stijl, ik was bang de aandacht er niet bij te kunnen houden. Die angst was echter totaal ongegrond, mijn concentratie verslapte geen moment, en dat beschouw ik als een groot compliment voor de film. Hoe zou ik de film gewaardeerd hebben wanneer bekeken met de frisse hongerige blik van het begin van het festival? De film gaat over een Chinese man die in Maleisië in elkaar geslagen wordt door een groepje zwendelaars. Hij wordt opgevangen en verzorgd door een man die verliefd op hem wordt. Daarnaast zien we twee vrouwen die een man in coma verzorgen. (Omdat beide zieke mannen gespeeld worden door Tsais vaste acteur Lee Kang-sheng was ik wel in de war, omdat ik dacht dat het om hetzelfde personage ging en dus beide episodes in een chronologisch andere periode plaatste, terwijl het verschillende personages waren en beide verhaallijnen tegelijkertijd speelden.) De jongste van de vrouwen ziet ook wel wat in gewonde man nummer 1 en vice versa, dus gedoe. Tsai heeft het gevoel voor humor terug dat hij in GOODBYE DRAGON INN en THE HOLE al liet zien te hebben en dat in THE WAYWARD CLOUD toch ontbrak. Het publiek was echter er totaal niet op voorbereid welk soort film men ging zien: de man voor me keek vooral naar zijn vrouw om bevestigd te krijgen dat wat op het scherm gebeurde toch wel erg raar was allemaal.
Zie voor I'M NOT A F**KING PRINCESS
MY LITTLE PRINCESS
Laat je niet voor de gek houden, al heet de film I, MONSTER en de hoofdrolspelers Marlowe en Blake, het gaat wel degelijk om een bewerking van The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde van Robert L. Stevenson, en nog wel een behoorlijk tekstgetrouwe ver-filming. En al spelen Christopher Lee en Peter Cushing de hoofdrollen en is het een horror uit begin jaren 70, het is geen Hammer-productie. Die studio zou rond dezelfde tijd trouwens ook een variant van de roman op de markt brengen, namelijk DR. JEKYLL AND SISTER HYDE (zie aldaar). De eerste paar keer dat Marlowe in Blake verandert is het verschil alleen te zien door de sardonische glimlach die Lee tevoorschijn tovert, en meer is niet nodig want die is ronduit zeer eng. Al met al een zeer vermakelijke 75 minuten.
Gisteren zag ik I WALKED WITH A ZOMBIE van Jacques Tourneur uit 1943 weer eens. Sfeervolle, suggestieve, zelfs poëtische horrorfilm met prachtig schaduwrijk camerawerk en subtiel acteerwerk, zeker gezien het genre en de tijd. Wat ook opvalt is dat de lokale zwarte bevolking, hun religie en hun gebruiken met respect behandeld worden. En hoewel ik niet zo’n liefhebber ben van Chopin beschouw ik sinds deze film zijn 3e Etude als een van de mooiste melodieën die ik ken.
Zoals bijna alle films van Kore-eda Hirokazu is ook I WISH (KISEKI) uit 2011 een klein intiem familiedrama. In deze film wonen twee broertjes meer dan 1000 kilometer van elkaar vanwege de scheiding van hun ouders. Ze besluiten elkaar halverwege te ontmoeten, waar twee Bullit-treinen elkaar op topsnelheid zullen kruisen, want ze hebben gehoord dat ze dan een wens mogen doen. Met een paar vriendjes en vriendinnetjes reizen ze naar deze plek. Op de still schreeuwen ze hun wens uit boven het lawaai van de treinen die elkaar kruisen en dat is een grandioos en diep ontroerend moment. Wat een fantastische films maakt die man toch.
De Russische film IDI I SMOTRI (KOM EN ZIE) uit 1985 van Elem Klimov is een film die alle andere films over oorlog overbodig maakt. Het speelt zich af in Oekraïne wanneer de Duitse troepen zich terugtrekken na de nederlaag bij Stalingrad en op de meest gruwelijke wijze dood en verderf zaaien. Toch zijn er ook enkele prachtige dromerige momenten, zoals in de scène waaruit deze still komt. Het verhaal gaat dat de jongen gehypnotiseerd werd om er geen trauma´s aan over te houden. Verder een onvergetelijke rol van Olga Mironova in haar enige filmrol.
Na de film heb je gegarandeerd geestelijke bijstand nodig, want wat we te zien krijgen is zelfs voor een toeschouwer van een fictiefilm hoogst traumatiserend.
Meteen na het drie Oscars winnende MOONLIGHT maakte Barry Jenkins IF BEALE STREET COULD TALK, naar de roman van James Baldwin, en won opnieuw een Oscar, nu voor Regina King, als de moeder, voor beste actrice in een bijrol. Het onderwerp is heel serieus, een jonge zwarte man die op het punt staat te trouwen en vader te worden, wordt gearresteerd en ten onrechte beschuldigd een vrouw te hebben verkracht en krijgt geen gerechtigheid, maar de aanpak is juist heel dromerig, hypnotiserend op momenten, alsof je naar een Terrence Malick film zit te kijken. De originele muziek van Nicholas Britell heeft hier een belangrijke bijdrage in. Naarmate de film vordert ga je je als kijker kwader en kwader maken, maar het haalt niets uit: zwarte mensen weten immers al heel lang dat hoeveel poëzie en schoonheid je ook ergens in stopt, de witte man altijd klaar staat om het te vernietigen. Daarom is, na aanvankelijk verzet en strijd tegen de onrechtvaardigheid en voor gerechtigheid, de toon van de film eentje van berusting. Maar ook een film die je bij blijft en nog lang doorgaat nadat ie afgelopen is.
In het begin van ÎLES FLOTTANTES van Nanouk Leopold uit 2001 dacht ik: moet ik hier echt naar kijken? Soortgelijke verhalen ken ik al uit mijn directe omgeving. Gelukkig weet Leopold er wel echt film van te maken, meer dus dan een handvol anekdotes opgehangen aan een thema. Wat ook helpt is het vanzelfsprekende acteren, van Maria Kraakman, Halina Reijn en Manja Topper, en de natuurlijke dialogen. En zo hebben we nu dus een goede Nederlandse film.
Een soort remake van de musical OKLAHOMA! maar dan in de handen van Charlie Kaufman, zo kun je I’M THINKING OF ENDING THINGS, zijn nieuwste (Netflix)film met veel moeite noemen. En die handen van Kaufman, of eerder zijn overactieve brein, produceerden onder andere BEING JOHN MALKOVICH, ETERNAL SUNSHINE OF THE SPOTLESS MIND en SYNECDOCHE, NEW YORK, dus houd je maar vast aan elk handvat dat binnen je bereik komt. Op het einde van dit stukje wilde ik een gigantische spoiler plaatsen omdat ik denk dat het helpt bij het begrijpen van de film maar daarmee onthoud ik je van het zelf ontdekken, want het is absoluut de moeite van het kijken waard. Unheimisch, dat woord schoot me telkens te binnen tijdens het kijken, en je hoeft maar één blik op de cast te werpen om te weten in welke ongemakkelijke en claustrofobische koortsdroom je ondergedompeld gaat worden: Jesse Plemons, Jessie Buckley, Toni Collette en David Thewliss. Spring nu totaal blanco in het diepe, zoals ik heb gedaan.
Dix Steele (Humphrey Bogart) is een scenarioschrijver in Hollywood die al heel lang geen succes heeft gehad, omdat hij creatief is en weigert lopendebandwerk te leveren. Hij is cynisch en een opvliegend heethoofd. Hem wordt een boek aangeboden om te bewerken maar omdat hij geen zin heeft om het te lezen nodigt hij een meisje uit dat het boek al kent, om het hem te vertellen. Vlak nadat ze bij hem weggegaan is wordt ze vermoord. Natuurlijk valt de verdenking direct op Dix, maar zijn overbuurvrouw Laurel Gray (Gloria Grahame) heeft gezien dat de vrouw alleen wegging. Dix en Laurel worden oprecht verliefd op elkaar en hij begint koortsachtig te werken aan een nieuw scenario. In het begin zijn ze dolgelukkig met elkaar maar de innerlijke demonen van Dix komen weer bovendrijven en Laurel wordt steeds banger voor hem, hoewel ze nog steeds van hem houdt. In IN A LONELY PLACE uit 1950 van Nicholas Ray levert Bogart misschien wel de beste acteerprestatie uit zijn carrière, het lijkt alsof hij niet eens acteert maar gewoon zichzelf is, en wellicht is dat ook wel zo. Hij speelt zijn rol doorleefd en subtiel, daarbij geholpen door het intelligente scenario van Andrew Solt, dat zich niet zozeer bezighoudt met het oplossen van de moord (wat overigens uiteindelijk wel gebeurt), maar met welke impact het heeft op de betrokkenen, en door erg sterk tegenspel van Grahame. Saillant detail: Gloria Grahame en regisseur Nicholas Ray waren getrouwd, maar gingen scheiden tijdens de opnames, zonder het iemand te vertellen omdat ze bang waren dat anders een van hen van de film zou worden gehaald.
Je ziet Dix worstelen met zichzelf, in de fout gaan door weer een gewelddadige woedeuitbarsting, er oprecht spijt van krijgen, proberen zich te beteren, en falen. De film is perfect samen te vatten met een citaat, uitgesproken tijdens de scène van de still: I was born when she kissed me. I died when she left me. I lived a few weeks while she loved me. IN A LONELY PLACE is misschien een beetje vergeten maar is een van de beste films uit die periode, en kent het droevigste einde dat ooit in Hollywood op celluloid is gezet, samen met de film die Ray twee jaar ervoor maakte, THEY LIVE BY NIGHT (zie aldaar).
De eerste keer dat ik IN BRUGES zag was in België. Niet in Brugge maar in Brussel, in een illegale, Frans ondertitelde kopie, nog voordat de film in Nederland in distributie kwam. De film is een inktzwarte misdaadkomedie over twee Ierse huurmoordenaars die, na een mislukte aanslag waarbij een kind omkwam, zich van hun Engelse opdrachtgever in Brugge moeten schuilhouden. Grotendeels gevuld met leeg gezwam, grove humor, politiek volkomen incorrect, maar op momenten ook melancholisch en serieus. De hele film draait om Colin Farrell en Brendan Gleeson, aangevuld met een heerlijke cast van Ralph Fiennes, Jérémy Renier, Clémence Poésy en Thekla Reuten, en er wordt optimaal gebruik gemaakt van Brugge als fotogeniek middeleeuws decor. IN BRUGES is een soort Brits-Ierse Tarantino, maar rechtlijnig verteld en zonder filmgeschiedenisverwijzingen.
14 november 1959. Dick Hickock (Scott Wilson) en Perry Smith (Robert Blake) zijn twee criminelen die de slag van hun leven denken te slaan. Dick heeft gehoord van een ex-celmaat dat in Holcomb, Kansas de rijke boer Clutter woont die minstens $ 10.000 in zijn kluis heeft. Ze gaan erheen, de man heeft echter helemaal geen kluis en in het huis vinden ze slechts $ 40. Van te voren hebben Dick en Perry afgesproken dat er geen getuigen mochten blijven leven, dus vermoorden ze Clutter, zijn vrouw, zoon en dochter, beiden tieners. De film IN COLD BLOOD uit 1967 van Richard Brooks is gebaseerd op de een jaar eerder verschenen nonfictie roman van de succesvolle schrijver Truman Capote, die gefascineerd is geraakt door de zaak, iedereen die ermee te maken heeft interviewt, ook de moordenaars, die inmiddels in de dodencel zitten. Dick is een door tegenslagen in het leven bitter en cynische man geworden, maar Perry, ook geplaagd door een miserabel leven, is ook een gevoelige ziel, een muzikant en tekenaar. Capote's reconstructie vormt de basis voor deze sterke, grimmige en vrij duistere film, met het tweetal op de vlucht en de politie al vrij snel op hun hielen. De zeer sterke soundtrack komt van Quincy Jones. Het hoogtepunt van de film is de hallucinante scène in de Mexicaanse hotelkamer wanneer Dick een meisje heeft meegenomen en Perry zich zijn indiaanse moeder herinnert.
Saillant detail, een totale schok voor me toen ik het boek las en ontdekte dat ik op de dag van deze moord was geboren, min of meer gelijktijdig. Ik rekende het tijdsverschil echter de verkeerde kant op, het was hier in feite al de volgende dag, maar het leverde wel een verhaal op, Holcomb, Kansas, te vinden in mijn verhalenbundel Dichtgemetselde Paleizen.
zie ook bij INFAMOUS en CAPOTE
IN THE BEDROOM van Todd Field is een mainstream Hollywooddrama over een welgesteld gezin waarvan de zoon vermoord wordt door de psychopathische ex van zijn vriendin (Nick Stahl). Omdat de rechtsstaat volgens hen niet voldoende voor hun belangen opkomt en ze hun verdriet niet kunnen verwerken nemen ze het recht in eigen hand. Overtuigend en heel mooi subtiel acteerwerk, zeker van de ouders, Sissy Spacek en Tom Wilkinson; helaas verdwijnt de formidabel spelende Marisa Tomei na de moord naar de achtergrond. Maar het is zo’n ranzig thema, dat voeding geeft aan het gesundes Volksemfinden, waardoor een vieze nasmaak overblijft. Als ik de politieke overtuiging had van (ik schreef dit in 2002) Pim Fortuijn, Filip Dewinter of George W Bush zou ik de film veel beter waarderen.
In IN THE MOOD FOR LOVE van Wong Kar-wai (Hongkong, 2000) zijn Su Li-zhen, nu aangesproken als mevrouw Chan, en Chow Mo-wan buren. Ze komen er achter dat hun echtgenoten een relatie met elkaar heben. Tussen hen ontstaat ook langzaam toenadering, genegenheid, verliefdheid, maar in tegenstelling tot wat ze overal om zich heen zien besluiten ze hun relatie platonisch te houden. Zelden een film gezien met zoveel onderhuidse spanning, smachtende blikken en melancholie. Eenzaamheid, hunkering en verlangen zijn nog nooit zo elegant in beeld gebracht. Ingetogen, rustig camerawerk en veel ruimte voor Tony Leung Chiu-wai en Maggie Cheung. Heel anders dus dan de vorige hectische en bizarre films van Wong. Meer over deze film, en andere films van Wong Kar-wai, op deze pagina, onder de kop Bedorven Ananas & Smachtende Blikken.
IN THE MOOD FOR LOVE is het tweede deel van een trilogie, die begon met DAYS OF BEING WILD en vervolgd wordt in 2046, allebei ook op deze site besproken.
Er kwam een mooi vervolg op Wenders' DER HIMMEL ÜBER BERLIN (zie aldaar), namelijk IN WEITER FERNE, SO NAH!, waarin mede-engel Otto Sander mens wordt, maar op het derde deel waarin Nastassja Kinski mens wordt zit ik nog steeds te wachten. Ganz, Sander, Falk en Dommartin leven niet meer, dus ik denk niet dat het daar nog van komt. Ik zag de film in een voorpremière in DeSmet in Amsterdam (in de foyer ervan wordt tegenwoordig Met Het Mes Op Tafel opgenomen) en ging meteen na de film naar Zandvoort, om, na een biertje in een soort Laurel & Hardy café, aan zee te dromen over Nastassja Kinski als mijn persoonlijke beschermengel en voelde me intens gelukkig.
De Amerikaanse film THE INCREDIBLY TRUE ADVENTURES OF TWO GIRLS IN LOVE van Maria Maggenti uit 1995 gaat over de opbloeiende liefde tussen een tomboy uit de arbeidersklasse en een rijk, populair meisje van kleur. Wel aardig en sympathiek, maar vooral interessant omdat zowel Laurel Holloman als Nicole Ari Parker hier hun debuut maken, als de twee meisjes uit de titel. Ze zullen ook samen in BOOGIE NIGHTS te zien zijn.
Al in de jaren twintig zou Fritz Lang het door zijn toenmalige vrouw Thea von Harbou geschreven Das Indische Grabmal verfilmen, maar de producent trok de film naar zich toe en regisseerde hem zelf. In 1958 kwam het er eindelijk van, kort na Von Harbous dood. Het werd Langs eerste Duitse film sinds hij in 1933 de nazi’s ontvlucht was. De film werd in twee delen uitgebracht, beide van volwaardige speelfilmlengte: DER TIGER VON ESCHNAPUR en DAS INDISCHE GRABMAL. De buitenopnames vonden plaats in India, en voor de binnenopnames werden in Spandau, Berlijn gigantische sets gebouwd. Het gaat over de Duitse architect Harald Berger (Paul Hubschmid) die aangesteld is door de Maharadja van Eschnapur. Onderweg erheen redt hij tempeldanseres Seetha (Debra Paget) uit de klauwen van een tijger. Zij is ook op weg naar Eschnapur en ze reizen samen verder. Ze worden verliefd op elkaar, maar Seetha blijkt voorbestemd om met de Maharadja te trouwen. In feite volgt de film nauwkeurig het narratief van Tristan & Isolde, tot aan het godsoordeel toe. Het is een kleurrijke exotische avonturenfilm, en, gezien de dansen die Paget uitvoert en de kleding die ze daarbij draagt, gewaagd erotisch voor die tijd. Deel 1 is maar matig maar deel 2 is opwindend, spannend en meeslepend. Dat westerse acteurs vet geschminkt Indiase mensen spelen (‘brownface’) en de film op en top oriëntalisme is doet veel af aan het kijkplezier, al kan worden gezegd dat Von Harbou oprecht geïnteresseerd was in de Indiase cultuur en toen zij en Lang scheidden met een Indiase man trouwde. Ook de keuze voor de muziek waarop Paget de dansen uitvoert bevreemdt me, want ik kan er niets Indiaas aan ontdekken; het lijken eerder Afrikaanse ritmes, maar wel verregaand gesimplificeerd. Om redenen die ik niet ken haatte Lang deze films, maar Godard vond ze zo goed dat hij Lang een rol gaf in zijn film LE MÉPRIS.
De dubbele dvd in 4K restauratie die ik voor heel erg weinig geld op de kop heb weten te tikken ziet er werkelijk fantastisch uit.
In INFAMOUS (2006) van Douglas McGrath volgen we de succesvolle schrijver Truman Capote (Toby Jones), in het begin societyfiguur en vilein roddelkont, en verkerend in de high societykringen van Slim Keith (Hope Davis), Diana Vreeland (Juliet Stevenson), Babe Paley (Sigourney Weaver), Marella Agnelli (Isabella Rossellini) en uitgever Bennett Cerf (Peter Bogdanovich). Dan leest hij een artikel over een moord die gepleegd is, waarbij totaal zinloos een heel gezin is vermoord. Hij wil een artikel schrijven over de sfeer in het stadje Holcomb in Kansas, waar de bevolking diep geschokt is. Samen met jeugdvriendin Nelle Harper Lee (Sandra Bullock), gevierd schrijfster van To Kill A Mockingbird, gaat hij erheen, maar niemand wil met hen praten, wat zeker deels te wijten is aan Capote’s extravagante kleding en uitgesproken queer gedrag. Ook de met de zaak belaste politieman (Jeff Daniels) laat niets los. Totdat Capote begint te roddelen over bekende Hollywoodsterren (Bogart bv, die hij gekscherend mrs Lauren Bacall noemt), dan gaan alle deuren van het stadje opeens open. Wanneer de daders opgepakt worden weet Capote het klaar te spelen hen te spreken. Met Perry Smith (Daniel Craig) weet hij op den duur een bijzonder diepe band op te bouwen. Intussen is Capote zich gaan realiseren dat er een compleet boek in zit. Nadat Smith is opgehangen gaat ook Capote een beetje dood. Hij zal na In Cold Blood nooit meer iets van belang schrijven.
De film kwam toevalligerwijs uit vlak na CAPOTE (zie aldaar), waarin hetzelfde onderwerp behandeld wordt en Philip Seymour Hoffman de rol van Capote speelt, er zelfs een Oscar voor krijgt, waardoor deze film nogal ondergesneeuwd raakte en onderbelicht bleef. Niettemin is INFAMOUS een veel betere film, scherper, hartverscheurender en echter, en speelt Jones de rol van Capote veel vanzelfsprekender en raakt hij de kijker veel dieper dan Hoffman.
zie ook IN COLD BLOOD.
Hoewel ik Paul Thomas Anderson een geweldige regisseur vind, MAGNOLIA is een meesterwerk, zijn muziekclips met Fiona Apple behoren tot de beste clips die ik ooit gezien heb, is zijn film INHERENT VICE uit 2014 me indertijd ontgaan. Ik zie veel overeenkomsten met mijn eigen verhalen en romans over “mijn” privédetective Saariaho, in verhaalopbouw en structuur, en dat bevalt me goed. Ook houdt mijn protagonist van Neil Young en Joaquin Phoenix, die in de film de privédetective speelt, ziet eruit als Neil Young begin jaren zeventig. Op de soundtrack staan liedjes van (o.a.) Young. Mijn verhalen, situaties en personages zijn niet zo buitenissig als in INHERENT VICE, maar de verwantschap en achterliggende motivatie om zo te schrijven is evident. Waarmee ik me overigens niet wil vergelijken met Thomas Pynchon, op wiens roman de film geba-seerd is. Prima rollen van Phoenix en Josh Brolin, daarbij heerlijk ondersteund door Katherine Waterston, Joanna Newson (die ik alleen kende als muzikant), Owen Wilson, Martin Short, Martin Donovan, Reese Witherspoon, en Benicio del Toro. Met zijn tweeëneenhalf uur niets te lang.
De bedrieger bedrogen door de bedrogene, en dat in het kwadraat, somt wel zo’n beetje de plot op van Claude Chabrols LES INNOCENTS AUX MAINS SALES. Maar hoe dan ook, uiteindelijk is de vrouw altijd het slachtoffer en wordt door elke man slechts als lustobject gezien en van hot naar her gemanipuleerd, want zoals Jean Rochefort aan Romy Schneider (de enige vrouw in de film!) uitlegt (ik parafraseer): “Het is een mannenwereld, met wetten gemaakt door mannen en uitgevoerd door mannen en bestemd voor mannen.” De film was niet ondertiteld en op een gegeven moment kon ik het Frans niet meer volgen en ben overgestapt op de Engelstalige versie, wat in dit geval helemaal oké is want hoofdrolspelers Romy Schneider en Rod Steiger spraken in hun gezamenlijke scènes Engels tegen elkaar en daar is de Franse versie juist de nagesynchroniseerde versie.
In THE INSIDER van Michael Mann uit 1999 komt een journalist voor het befaamde tv-programma 60 Minutes (Al Pacino) in contact met een wetenschapper (Russell Crowe) die belangrijke, geheime informatie heeft over hoe de tabaksindustrie de mensen misleidt. Na eerst deze wetenschapper, zijn omstandigheden en gewetensnood, gevolgd te hebben, concentreert het 2e deel zich op de journalist. CBS weigert namelijk het programma uit te zenden, onder extreem grote druk van de tabaksindustrie.
Bijzonder sterke (echt gebeurde) thriller, met meer dan uitstekend spel van met name Pacino, Crowe & Christopher Plummer, superspannend en meeslepend. Hollywoodtopamusement van de allerbovenste plank. Het had nog sterker kunnen zijn wanneer Pacino gewoon gerookt had.
In INSIGNIFICANCE van Nicolas Roeg uit 1985 legt de Actrice (Roegs muze Theresa Russell) aan de Professor (Michael Emil) mbv treintjes, speelgoedauto´s, een zaklantaarn en een ballon de speciale relativiteitstheorie uit. Roegs films waren op zijn minst fascinerend, op zijn best betoverend.
INVADERS FROM MARS van Tobe Hooper (TEXAS CHAINSAW MASSACRE, POLTERGEIST) uit 1986 is een remake van de klassieker met dezelfde titel van William Cameron Menzies uit 1953. In verhaalopbouw, de psychologie van de personages en hoe gehandeld wordt ademt de film nog steeds de jaren 50 sfeer en dat is fijn. Of hij trouw is gebleven aan het origineel kan ik niet beoordelen, want het is al tientallen jaren geleden dat ik de oude versie zag. Samen met zijn vader (Timothy Bottoms) heeft de tienjarige David (Hunter Carson) naar een meteorietenregen liggen kijken. Als iedereen naar bed is ziet hij echter iets wat lijkt op een UFO terechtkomen achter de heuvels achter hun huis. De volgende ochtend gaat zijn vader kijken. Wanneer hij terugkomt gedraagt hij zich vreemd. Ook zijn moeder (Laraine Newman) verandert na de heuvel te zijn overgeklommen. En op school gedraagt de toch al akelige onderwijzeres (typische rol voor Louise Fletcher) zich ook al erg bizar. Hij zoekt zijn toevlucht bij de schoolverpleegster Linda (Karen Black). Samen zien ze iedereen om hen heen veranderen, alsof ze gehypnotiseerd zijn. Wat te doen? Het is een erg onderhoudende film geworden, lekker ouderwetse scifihorror in een visueel modern jasje. Overigens is Hunter Carson in werkelijkheid Karen Blacks zoon. Zijn rol hiervoor was zijn debuut, in PARIS, TEXAS van Wim Wenders, waarvoor zijn vader L.M. Kit Carson (samen met Sam Shepard) het scenario had geschreven. Jimmy Hunt speelde in het origineel het jongetje en is in deze versie politieagent.
Elizabeth (Brooke Adams) vindt in het park een vreemde bloem en neemt die mee naar huis, om nader te onderzoeken. Wij weten als kijker al dat deze uit een ver uiteinde van het heelal komen en helemaal hierheen gereisd zijn, want met een uitgebreide introductie van deze buitenaardse sporen is INVASION OF THE BODY SNATCHERS uit 1978 van Philip Kaufman begonnen. Wanneer de volgende dag haar man (Art Hindle) totaal van karakter lijkt te zijn veranderd en vreemd gedrag begint te vertonen, weet ze dat er iets aan de hand is en schakelt ze haar collega bij het ministerie van Volksgezondheid in. Deze Matthew (Donald Sutherland) is ook een goede vriend van haar (en minnaar?). Ze komen in contact met de schrijver en geleerde dr. David Kibner (Leonard Nimoy) en met het echtpaar Jack en Nancy Bellicec (Jeff Goldblum en Veronica Cartwright) en ontdekken dat het buitenaards wezen lichamen van mensen tijdens hun slaap dupliceert in een grote peul. Het aardse lichaam verschrompelt daarna en sterft. Ze blijken in sneltreinvaart de populatie over te nemen. Aan de weinigen die nog niet ten prooi zijn gevallen de taak om de peulen te vernietigen. Na de film van Don Siegel uit 1956 is dit de tweede verfilming van het boek van Jack Finney en er zouden er nog meer volgen, onder andere van Abel Ferrara. Wordt bij de eerste vaak de relatie gelegd met de angst voor en het gevaar van het communisme, deze versie legt de nadruk op de paranoia in de maatschappij van dat moment en het gevoel van identiteitsverlies en kent, zoals zoveel Amerikaanse films uit dit tijdsgewricht, geen happy ending. Het is nog steeds een angstaanjagende film. Kevin McCarthy speelde in het origineel de hoofdrol en is hier de man die waarschuwt dat ze komen en overreden wordt; de regisseur van de eerste, Don Siegel, speelt hier de taxichauffeur.
Op de foto kijkt Matthew naar zijn eigen peul.
Ik ken Mischa Barton van LAWN DOGS en PUPS uit eind jaren 90, maar toen was ze nog een (zeer talentvol) kind en daarna ben ik haar uit het oog verloren. Omdat ze de hoofdrol speelt in INVITATION TO A MURDER (2023) en de film geïnspireerd is op Agatha Christie dacht ik, laat ik eens kijken. De laatste jaren is Agatha Christie immers weer helemaal in, met de twee Kenneth Branagh films en de twee KNIVES OUT producties (zie bij GLASS ONION op deze site), alle vier erg vermakelijk en goed gemaakt. Dat geldt echter niet voor deze film. Het is saai en vervelend en doods. Kom je deze film tegen: mijd hem, tenzij de suffige tv-serie Murder, She Wrote je favoriete serie aller tijden is. Dan is je standaard laag genoeg om hier plezier aan te beleven.
L’INVITÉE aka L’INVITATA van Vittorio de Seta uit 1969 is een klein juweeltje, mede geschreven door Tonino Guerra, die veel met Michelangelo Antonioni samenwerkte, en gebaseerd op de gelijknamige semiautobiografische vroege roman van Simone de Beauvoir. Man komt terug van een zakenreis en stelt aan zijn vrouw Anne (Joanna Shimkus) een jonge Engelse vrouw voor, die hem begeleid heeft tijdens zijn reis en bij hen blijft. Gekwetst en overstuur gaat Anne naar haar werk op een architectenbureau en wil naar vrienden in het zuiden gaan. Haar baas François (Michel Piccoli) gaat ook die richting uit, met de auto, en ze gaat met hem mee. De hele reis kabbelt wat voort, met weinig praten en veel aandacht voor het besneeuwde landschap. Onderweg bezoeken ze een bouwproject en de kerk van Le Corbusier in Firminy, om midden in de nacht te stranden in de sneeuw bij een dorpje, waar ze opgevangen worden door de bakker en Anne nog eventjes meehelpt met het glazuren van de bruiloftstaart voor het nichtje van de bakker. Ook bezoeken ze een vriend van François die beeldhouwer is en bij wie Anne, die tot dan toe in zichzelf gekeerd alles van buitenaf aanschouwde, weer echt tot leven komt. Tegen hem vertelt Anne eindelijk wat haar dwars zit. François hoort dat per ongeluk en is verbolgen dat zij zich niet tegenover hem geopend heeft, zo kan de kijker concluderen uit zijn plots afgemeten gedrag. Als ze bij Annes vrienden komen ziet ze de auto van haar man en gaat uiteindelijk verder met François, die met zijn vrouw een huisje in de buurt heeft. Ze komen aan, zijn vrouw is er niet. Wanneer de vrouw terugkeert realiseert Anne zich dat ze in precies dezelfde situatie zit als met haar man, de reden van haar vlucht, maar dat zij nu aan de andere kant staat. Ook François’ vrouw reageert hetzelfde als zij eerder. Anne gaat en zoekt de auto van haar man op. L’INVITÉE is een rustig observerende film die niets uitlegt of psychologiseert maar alleen laat zien, met empathisch en ingetogen, zeer subtiel spel van Piccoli en vooral van Shimkus, die we helaas veel te weinig hebben gezien omdat ze na haar huwelijk met Sidney Poitier haar acteercarrière opgaf en zich wijdde aan haar gezin (ze is de moeder van onder andere Sidney Tamiia Poitier). Ze is een groot actrice.
Een paar jaar na THE APARTMENT trommelde regisseur Billy Wilder, naast zijn vaste scenarioschrijver I.A.L. Diamond, Shirley MacLaine en Jack Lemmon weer op om IRMA LA DOUCE te maken en het werd zijn grootste kassucces. Niet zijn beste, bij lange na niet, maar nog steeds een erg leuke film, die juist zo fris blijft door het totaal ontbreken van een moralistisch toontje, wat je wel zou verwachten in die tijd en in dat land. Prostitutie is hier gewoon een beroep, net als elk ander. Ik kan me voorstellen dat om die reden voor Parijs is gekozen, want gesitueerd in een Amerikaanse stad zou het in de VS misschien wel voor ophef gezorgd hebben, maar ach, die Europeanen, die hadden wel de reputatie het met de zeden niet zo nauw te nemen. Zoals zo vaak speelt Lemmon de goedaardige naïeve stuntel die het zichzelf moeilijk maakt. Nu, als Nestor, krijgt hij een relatie met het kettingrokende hoertje Irma, een als zo vaak in die tijd heerlijke MacLaine. Omdat hij jaloers is op haar klanten en haar exclusief voor zichzelf wil, verzint hij en verkleedt zich als een extreem rijke Engelsman die haar helemaal gaat onderhouden maar niet in staat is de daad te volvoeren. Om zijn status als steenrijke klant vol te houden en haar te betalen doet hij ‘s nachts zwaar werk in de Hallen, met als gevolg dat hij als Nestor Irma gaat verwaarlozen. Hij moet wel, hij is gewoon te moe. Intussen verdenkt Irma hem ervan vreemd te gaan met haar collega’s (onder wie we Grace Lee Whitney, bemanningslid van de originele Star Trek serie herkennen). IRMA LA DOUCE is prima maar pretentieloos vermaak en mist de scherpe randjes die veel van Wilders andere werk kenmerkt. Nee, het is geen THE APARTMENT (zie aldaar).
Onder de Limburgse crew die elk jaar het Filmfestival Rotterdam bezocht ontstond een gezamenlijke afkeer van de films van Olivier Assayas. Hij stond voor ons symbool voor navelstaarderig geneuzel, was voor ons een prominent exponent van wat wij de relatiezeurfilm noemden. De door ons slechtst beoordeelde film van het festival kreeg in ons jaarlijks verslag ervan de Assayas Award. Neem nou IRMA VEP uit 1996. Je zou gezien het thema denken dat hij het deze keer anders sou aanpakken. Het gaat over een filmregisseur, René Vidal (Jean-Pierre Léaud), het symbool voor de Franse intellectuele film, die zijn beste tijd heeft gehad en alleen nog maar prutswerk aflevert. In THE HEROIC TRIO, een martial arts film uit Hongkong, ziet hij de actrice Maggie Cheung en hij haalt haar naar Parijs om een film met haar te maken, een remake van LES VAMPIRES, een klassieke Franse serial uit de tijd van de zwijgende cinema. Hij wil Maggie in de hoofdrol, of eigenlijk, hij wil Maggie in een strak latex pakje filmen. We volgen Maggie, die dus zichzelf speelt, hoe ze in een haar volkomen vreemde omgeving terechtkomt en zich er verloren voelt, al doet een deel van de crew nog zo zijn (voornamelijk: haar, Nathalie Richard) best haar erin te betrekken. De opnames van de film verlopen rampzalig en Vidal krijgt een zenuwinzinking. In werkelijkheid zag Assayas Maggie Cheung tijdens een festival en werd meteen verliefd op haar; hij deed de jaren erna alle mogelijke moeite om contact met haar te krijgen om een film met haar te maken. Het is dus niet eens een film over het maken van een film, maar een film over het maken van de film die gemaakt wordt. Het lijkt wel Mohsen Makhmalbaf, maar in tegenstelling tot de Iraanse meester maakt Assayas er een potje van, met vooral geneuzel en oninteressant en irritant gedoe. Met de muziek op de soundtrack (Sonic Youth, Serge Gainsbourg, Ali Farka Touré met Ry Cooder) is niets mis, en Maggie Cheung is haar gracieuze zelf, een genot om haar te zien, vooral als ze gewoon een beetje om zich heenkijkt en het geneuzel om zich heen lijdzaam ondergaat. Je ziet bij haar achter het beleefde lachje en pogingen om deel van het gezelschap te worden de wanhoop toenemen, en is dat wel geacteerd? Niettemin krijgen Cheung en Assayas een relatie maar tijdens de volgende film die ze samen maken, het best wel aanvaardbare CLEAN, overhandigt ze hem tijdens de opnames de echtscheidingspapieren. Soms is de film moeilijk te volgen omdat tegen en met Cheung Engels gesproken wordt en Fransen die Engels spreken, dat is bijna een taal op zich.
Door de gebeurtenissen van afgelopen week (dit schreef ik na de inval van Rusland in Oekraïne) lonkte IVAN GROZNY van Sergej Eisenstein vanuit de dvd-kast naar me. Het was bedoeld als trilogie maar het derde deel is nooit gemaakt. Het eerste deel behandelt de eerste jaren van Ivan als de eerste Russische tsaar, die de talloze vorstendommen verenigde en er één land van maakte (waarbij hij het werk van opa Ivan III (de Grote) en vader Vasili III voltooide) en eindigt met de moord op zijn (eerste) vrouw. Ivan lijkt uiterlijk in dit eerste deel wel een beetje op Jezus. Het tweede deel heet Het Complot Van De Bojaren (i.e. de adel), maar dat deel beviel Stalin totaal niet (die in de bij Ivan zichtbaar toenemende paranoia en waanzin misschien wel te veel van zichzelf herkende), zodat het op de plank bleef liggen tot jaren na Stalins dood. Eisenstein leefde toen ook al niet meer en het derde deel is er dus nooit gekomen, hoewel pas in dat deel hij de naam Ivan de Verschrikkelijke eer zou gaan aandoen. Het acteerwerk is in moderne ogen niet om aan te zien: statisch en theatraal, met wijd opengesperde ogen als voornaamste uitdrukking, maar de ensceneringen en de cinematografie zijn nog steeds verbluffend en je kijkt je ogen uit. De ingewikkelde claustrofobische structuur van het paleis, waar een groot deel van de film zich afspeelt, is een doolhof waar niet valt te ontkomen. Eisenstein werd hierin (en het gebruik van schaduwen en het veelvuldig gebruik van close-ups) duidelijk geïnspireerd door het Duits expressionisme. Het laatste half uur is in kleur, dat neigt naar monochromie. De geweldige muziek is van Prokovjev. Misschien kan Aleksandr Sokoerov, die immers al films over Hirohito, Lenin en Hitler maakte, zich aan het derde deel wagen, desnoods als PUTIN GROZNY.
Ivan is een mooi jochie van 12 en beleeft een gelukkige jeugd op het platteland. Met zijn moeder peilt hij de diepte van een waterput, met zijn zusje rent hij door de branding van het meer, hij kijkt verwonderd naar een fladderende vlinder en is enthousiast als hij een koekoek hoort. Helaas voor hem zijn het nog slechts dromen en herinneringen, want de nazi’s komen eraan. Zijn moeder en zusje zijn doodgeschoten en Ivan vlucht, zwemt naar de andere kant, waar hij aansluiting zoekt bij de partizanen en verkenner wordt. IVANOVO DETSTVO (DE JEUGD VAN IVAN) is het debuut van Andrej Tarkovski uit 1962. Het lineaire verhaal is niet eens zo sterk verteld, maar de scherp contrasterende, wondermooie en onheilszwangere zwart-wit beelden vertellen al meer dan genoeg, over de duisternis die de wereld bereikt heeft. Dat uiteindelijk het licht overwint, de laatste beelden zijn authentieke opnames van de bevrijding van Berlijn, inclusief de dode kinderen van Goebbels op een rijtje en het verkoolde lijk van hemzelf, doet er niet toe, want ook Ivan heeft het niet overleefd. Het kind is zijn idylle, zijn hoop en zijn leven kwijt. En nu weten we dat die offers allemaal voor niets zijn geweest, want Goebbels’ geestverwant staat hier tijdens de nationale dodenherdenking gewoon een krans te leggen namens het Nederlandse volk en een collaborateur mag er zelfs een toespraak houden.
Naar aanleiding van het overlijden van Jane Birkin de film JE T’AIME MOI NON PLUS uit 1976 uit de kast gehaald en bekeken. Hoewel de film geschreven en geregisseerd is door Serge Gainsbourg en Jane de hoofdrol speelt en ze toen nog bij elkaar waren, heeft de film niets met hun gelijknamige liedje te maken. De enige connectie is dat het in een instrumentale versie op de soundtrack gebruikt wordt, het meest pregnant wanneer een jongen door homofobe dorpsjeugd in elkaar geslagen wordt. Jane Birkin heeft eens gezegd dat haar grootste trauma toen ze opgroeide was dat ze geen vrouwelijke vormen kreeg en dat weet Gainsbourg in deze film maximaal uit te buiten: hij laat het haar letterlijk zeggen en bovendien loopt ze een groot deel van de film in haar blootje rond. Ze speelt Johnny, een jongensachtig meisje dat ergens in Frans niemandsland in het restaurantgedeelte van een tankstation werkt. De homoseksuele vuilnisophaler Krassky (Warhol-acteur Joe Dallessandro, normaal nooit te beroerd ons te laten zien wat zich achter die Sticky Fingers spijkerbroek schuilhoudt, maar in deze film maar één keer in volle glorie te aanschouwen) wordt verliefd op Johnny, tot groot ongenoegen van eigenlijk iedereen maar vooral van zijn vriendje. Het enige probleem is dat het hem alleen lukt als hij haar anaal neemt, maar dat doet haar enorm veel pijn waardoor ze zo hard schreeuwt dat ze elk motel waar ze zich bevinden uit worden gezet. Alsof Gainsbourg wil zeggen dat als er liefde in het spel is een vrouw bereid is elke vernedering en elke pijn te ondergaan, terwijl een man als hij een moeilijke keuze moet maken subiet het hazenpad kiest, wat Krassky dan ook doet. Volgens mij beschrijft Gainsbourg in wezen het werkelijke verhaal tussen hem, de misogyne provocateur die vlucht in seks en alcohol, en de lieftallige elf-achtige masochiste Birkin.
In JEAN DE FLORETTE, een film uit 1986 van Claude Berry naar een roman van Marcel Pagnol die het verhaal in 1952 zelf al verfilmd had, wil simpele ziel Ugolin (een grandioze Daniel Auteuil) in de Provence anjers gaan kweken, maar daarvoor bezit de familiegrond te weinig water. Zijn hebzuchtige oom Cesar (Yves Montand, altijd goed) stelt voor het land van de buren te kopen; hij weet dat daar een bron is, dichtgeslibd en vergeten. De buurman wil niet verkopen en al helemaal niet aan Cesar, Cesar trekt hem uit de boom en de buurman sterft. Ze gooien cement in de bron om zo het land goedkoop te kunnen overnemen en daarna de bron weer open te maken. Maar ze hadden niet gerekend op Jean (een overacterende Gerard Depardieu), de zoon van Florette, de zus van de buurman, een gebochelde uit de stad, die er met zijn vrouw, een voormalig operazangeres, en dochter Manon intrekt, grootse plannen heeft en er de rest van zijn leven wil blijven. Hij haalt alles uit boeken, waarvoor hij door de Cesar en de dorpelingen wordt geminacht, maar hij houdt geen rekening met de droogte in de zomer. Niemand vertelt hem van de verborgen bron. Alles mislukt. Als hij ten einde raad een put wil slaan met behulp van dynamiet komt hij om het leven. De kleine Manon ziet hoe Cesar en Ugolin meteen na Jeans dood de bron openen.
Het gelijktijdig opgenomen MANON DES SOURCES speelt zich enkele jaren later af. Ugolin heeft zijn florerende anjerkwekerij. De oogverblindend mooie Manon (Emmanuelle Béart) is volwassen en houdt geiten in de bergen. Ze is schuw, bijna niemand heeft haar nog gezien. Als Ugolin haar ziet baden in een poel wordt hij tot over zijn oren verliefd. Op onbeholpen wijze, niet wetend hoe met vrouwen om te gaan, maakt hij haar het hof. Maar Manon is het niet vergeten. Als ze hoort dat iedereen in het dorp wist van die bron en niemand haar vader wat gezegd heeft, neemt ze wraak. Het tweeluik duurt in totaal bijna vier uur en heeft niet genoeg te bieden. O ja, het camerawerk van Bruno Nuytten is prima, Auteuil en Béart, in werkelijkheid toen met elkaar getrouwd, zijn een genot om naar te kijken maar het is ook vlak, saai zelfs, vooral JEAN DE FLORETTE. Het tweede deel MANON DES SOURCES is een stuk beter, de film heeft meer schwung maar is nog steeds niet meeslepend, of gewoon goed.
Nadat ik JEANNE DU BARRY (2023) van Maïwenn Le Besco gezien had wilde ik Sofia Coppola’s MARIE ANTOINETTE (2005) ook weer zien. De verhalen overlappen elkaar namelijk gedeeltelijk, hoewel wat gebeurt vanuit een ander perspectief bekeken wordt, namelijk de respectievelijke titelpersonages. In mijn herinnering was madame Du Barry, de maîtresse van Koning Lodewijk XV, in Coppola’s versie een vals kreng, onbeschaafd, onbeschoft zelfs, terwijl ze in Maïwenns versie ook een volkse vrouw is, maar nu warmbloedig en sympathiek. Maïwenn speelt de rol zelf. Ik vind haar een betere regisseur dan acteur en het had me wel grappig geleken als ze Asia Argento had gecast, die de rol in Coppola’s film vertolkt. Of Isild Le Besco, de zo intrigerende zus van Maïwenn. Waarom zien we Isild nooit meer? Maar dat terzijde. Andersom is Marie Antoinette in Coppola’s film een fris, naïef bijna guitig meisje terwijl ze in JEANNE DU BARRY een domme gans is die gemanipuleerd wordt door de haat en afgunst van Lodewijks dochters jegens hun vaders geliefde. Beide films nemen de belachelijke protocollen van Versailles op de hak middels het hoofdpersonage. Du Barry door een directe aanpak, simpelweg protocol negerend, Marie Antoinette (Kirsten Dunst) is nog maar 14, nog een kind als ze in Versailles arriveert en met de Dauphin trouwt, en laat het gelaten en licht geamuseerd over zich heen gaan. Ze brengt speelsheid in het stijve en van giftige roddel vergeven hof. Beide films zijn een eerherstel, beide vrouwen zijn slachtoffer van wat we tegenwoordig fake news noemen en indertijd wijdverspreide haatdragende roddel, die overigens nog steeds doorwerkt. Jeanne Du Barry brengt warmte en geluk en leven in het verdorde bestaan van de koning (Johnny Depp), en de film is in wezen romantisch en het werkt want het is een prachtig ontroerende film geworden. Marie Antoinette brengt menselijkheid in de exuberante leegheid die Versailles is, maar Coppola kiest voor een afstandelijk ironische benadering en reconstrueert de tijd alsof het een muziekclip uit begin jaren tachtig is, van Adam And The Ants of Bow Wow Wow, die nier voor niets allebei een paar keer op de soundtrack langskomen. Ook dat werkt. Vergelijk ook met LES ADIEUX À LA REINE.
Misschien heb ik het mis maar in mijn herinnering beginnen alle films van Jean-Pierre en Luc Dardenne midden in een beweging. Zo ook LE JEUNE AHMED. Je zou kunnen zeggen dat hun protagonist altijd op drift is. Fysiek of geestelijk of moreel of maatschappelijk. Zo ook de jonge Ahmed, die opgroeit in een seculier gezin maar onder invloed komt van een extremistische imam en zijn neef de martelaar als grote voorbeeld gaat zien. Hij breekt wanneer zijn lerares de kinderen Arabisch wil leren aan de hand van populaire liedjes. Arabisch, de heilige taal van de Profeet en de Koran, bezoedeld door wereldlijke populaire cultuur! De imam noemt haar afvallig en dat is voor Ahmed een reden haar te willen vermoorden.
Hoewel de films van de broers Dardenne ingebed zijn in de samenleving en altijd maatschappelijke thema’s aan de orde stellen, zijn hun personages altijd individuen, ze staan nooit symbool voor een bepaalde groep. Het zijn persoonlijke verhalen en geen metaforische verhandelingen, en in die verhalen klinkt altijd hun diepe humanisme door en dat levert zonder uitzondering magistrale films op, als je dat kunt zeggen van de altijd klein gehouden, intieme en persoonlijke geschiedenissen. Wat mogen we blij zijn met filmmakers als deze Belgische broers.
JEUX INTERDITS uit 1951 van René Clement begint in 1940 bij het bombardement van Parijs. Het 6-jarige stadse meisje Paulette (een nog heel erg jonge Brigitte Fossey) verliest wanneer haar gezin de stad tracht te ontvluchten haar ouders en haar hondje. Ze komt terecht bij een arm boerengezin, waar de jongste zoon, een paar jaar ouder dan het meisje, zich over haar ontfermt, haar leert bidden en alles voor haar doet, alles in het werk stelt (al realiseert hij het zich niet) om de dood van haar ouders en hondje te verwerken. Dat doen ze door middel van het opzetten van een kerkhof voor dieren in een verlaten molen. Hij deinst er zelfs niet voor terug om kruisen van mensengraven en uit de kerk te stelen, alles om het meisje zich beter te laten voelen. Zelfs als je voorbij gaat aan de impliciete boodschap dat jongens als was zijn in de handen van meisjes, zeker als ze grote onschuldige blauwe ogen hebben en zich niet bewust zijn van de macht die ze hebben, een opmerkelijke en boeiende film.
Voor JEWEL OF THE NILE, zie
ROMANCING THE STONE.
In LE JOUR OÙ DIEU EST PARTI EN VOYAGE uit 2009 met Ruth Nirere (vooral bekend als zangeres, onder de naam Miss Shanel), is een jonge vrouw op de vlucht voor het geweld en zwerft door het land, op zoek naar veiligheid. Misschien wel de indrukwek-kendste film over de genocide in Rwanda, omdat het vanuit één enkel persoon verteld wordt, waardoor wat in de film gebeurt door de kijker als het ware zelf ervaren wordt. Zeer minimaal (er wordt nauwelijks gesproken; geweld vindt buiten beeld plaats) en zeer intens. Zo’n film die bij je blijft.
THE JUDGE uit 2014 is een uitstekend voorbeeld van een compleet voorspelbare film waarin geen enkel cliché geschuwd wordt en waarin alle paden sinds mensenheugenis platgetreden zijn, maar die op een hoger plan getild wordt door de acteerprestaties, maar wat wil je met acteerkanonnen als Robert Downey jr en Robert Duvall, bijgestaan door Vincent D’Onofrio, Vera Farmiga en Billy Bob Thornton? Verwacht geen enkel nieuw inzicht, onverwachte wending, denk geen twee keer bij zwakke plotelementen en geniet van uitstekend acteer-werk. Blij dat Downey die superheldenonzin even verlaten heeft om weer een echte film te maken. Hij en zijn vrouw Susan produceerden, zoals ze samen ook de uitstekende nieuwe Perry Mason serie produceerden.
In JUDGEMENT AT NUREMBERG uit 1961 van Stanley Kramer staan vier Duitse rechters terecht voor het tribunaal dat geleid wordt door Dan Haywood (Spencer Tracy), een gepensioneerde lagere provinciale rechter uit de Verenigde Staten. De een is nog steeds overtuigd nazi, de tweede een meeloper, de derde een Befehl ist Befehl type en de vierde de vooraanstaande rechtsgeleerde Ernst Janning (Burt Lancaster) die als antinazi dacht door in functie te blijven de schade te kunnen beperken. Haywood wordt ondergebracht in de geconfisqueerde woning van weduwe Bertholt (Marlene Dietrich). Het personeel is eenvoudig volk en zegt “Wir haben es nicht gewußt” en Bertholt wil het verleden het verleden laten, het normale leven zo snel mogelijk weer oppakken en de samenleving weer opbouwen. De verdediger (Maximilian Schell) voert aan dat niet deze rechters en niet het gewone Duitse volk maar de hele wereld schuldig is omdat ze wegkeken en Hitler zijn gang lieten gaan. Aanklager (Richard Widmark) toont (authentieke) gefilmde opnames van wat de Amerikanen in de concentratiekampen aantroffen. Een briljante zet van regisseur Kramer, die via deze groots opgezette productie aan het grote publiek kan tonen welke onvoorstelbare gruwelijkheden er begaan zijn. Op Haywood wordt vanuit verschillende kanten druk uitgeoefend omdat, met de blokkade van Berlijn en de inval in Tsjecho-Slowakije, het westen de Duitse sympathie nodig heeft om de Sovjet Unie het hoofd te bieden. Het klinkt allemaal wat schematisch, zoals iedereen een van de standpunten vertegenwoordigt, maar de hier genoemde acteurs maken er mensen van vlees en bloed van. Montgomery Clift als slachtoffer en getuige heeft maar één lange scène maar doet dat op zo’n doorvoelde en aangrijpende wijze dat je er stil van wordt en even de pauzeknop moet indrukken om bij te komen en je tranen te drogen. Het is zijn getuigenverslag, en dat van Judy Garland, dat de niet te bevatten gruwel die het nazisme was niet slechts illustreert maar persoonlijk en invoelbaar maakt.
De verdediger voorspelde het al, tegen de tijd dat de film uitkwam zat niemand van de tijdens de Neurenbergse tribunalen tot celstraf veroordeelden nog vast. Mijn leraar geschiedenis zei dat als ze Duitsland helemaal gedenazificeerd hadden wij een parkeerplaats hadden gehad van hier tot Polen. Het zal wel de kiem leggen voor het ontstaan van de Rote Armee Fraktion. En wat doen wij nu? In Nederland zitten nazi's in het parlement, zelfs als voorzitter (!) en bekleden ministersposten, in de VS wordt iemand die openlijk zijn bewondering voor Hitler heeft uitgesproken volgende week president. Enzovoorts.
In de officiële Dogma-film JULIEN DONKEY-BOY van Harmony Korine volgen we het leven van een white trash-familie, bestaande uit een angstaanjagend gestoorde vader, een sportieve zoon, timide dochter en schizofrene zoon. De laatste is Julien, hij werkt met blinde mensen en hij is op een hele warme wijze met hen betrokken. Maar hij is ook gewelddadig en zijn zus is zwanger van hem. Het is een zeer onevenwichtige, bij vlagen briljante maar soms ook oervervelende film. Nietszeggende sequenties worden afgewisseld door ijzersterke scènes. De esthetiek van de lelijkheid zoals we die ook kennen van Korines vorige film GUMMO gaat vervelen. Soms ontaardt de film in een freakshow en lijkt Korine helemaal niet geïnteresseerd in zijn personages, op andere momenten geeft hij diep inzicht in wat in hen omgaat. Geweldig spel van Ewen Bremner en Werner Herzog, Chloë Sevigny krijgt echter niet de ruimte die ze verdient.
Nu op Netflix de serie Ju-On Origins is verschenen kan ik met mijn filmstill van de dag niet achterblijven met een plaatje van de originele JU-ON uit 2002 van Shimizu Takashi. Ik verslond in die periode Japanse en Koreaanse horror. Dit was wel een topper. De serie daarentegen is niet echt de moeite waard.
JUST MERCY is echt gebeurd. Dat is belangrijk omdat je dan niet weet hoe het verhaal verloopt. Geen garantie voor een happy ending, geen gepast Hollywood slot, maar de grillige en onvoorspelbare werkelijkheid. Het gaat over een jonge ambitieuze advocaat die in de jaren 80 naar het door en door racistische Alabama verhuist om onterecht veroordeelden bij te staan. Hij strijkt neer in Monroeville, het stadje waar Harper Lee en Truman Capote geboren zijn en de eerste To Kill A Mockingbird liet plaatsvinden. Er is nu een museum over, waar hij telkens op gewezen wordt, alsof men ermee wil zeggen: wij zijn niet meer racistisch en we hebben geen wijsneus uit het noorden nodig die onrecht aan de kaak stelt. Het bewijst eigenlijk het tegendeel, want door het boek (en de film) zonder kanttekeningen in het heden te plaatsen zeg je eigenlijk dat de witte mens nodig is om de zwarte mens te helpen, een impliciet racistische stellingname waar ook recente films als THE GREEN BOOK en THE HELP intrapten. Maar deze advocaat is zelf een zwarte man en dat wordt in Alabama niet op prijs gesteld. JUST MERCY is een diep humanistische film geworden waarin uitstekend wordt geacteerd. Vooral Jamie Foxx, die de ter dood veroordeelde McMillian speelt om wie de film hoofdzakelijk gaat, maakt erg veel indruk.
De Duitse expressionistische film was geen lang leven beschoren, minder dan tien jaar in de jaren 20 van de vorige eeuw, maar bleek van grote invloed op de ontwikkeling van de cinema. Enkele kenmerken ervan zijn de zeer contrastrijke belichting, veelal met slechts één spot op slechts één punt gericht, de zware makeup van de acteurs, het expressieve acteren, de duistere onderwerpen (zoals gekkenhuizen) en de geschilderde decors, altijd chaotisch en schots en scheef, het doolhof dat het menselijke brein is aldus als omgeving gevisualiseerd. De film noir en de horror zijn niet denkbaar zonder het Duits expressionisme. Met het vroege meesterwerk DAS KABINETT DES DR. CALIGARI uit 1920 van Robert Wiene begon het zo ongeveer. Het is een raamvertelling, waarin Franzis (Friedrich Fehér) vertelt over hoe eens in zijn geboortestad een Dr. Caligari (Werner Krauß) op de kermis een act had met de somnambule Cesare (Conrad Veith), die als hij wakker was voorspellingen deed die uitkwamen. Zo voorspelde hij dat Franzis’ vriend bij het ochtendgloren zou sterven, en inderdaad, hij wordt dan vermoord. Meer moorden vinden plaats. Hun vriendin Jane (Lil Dagover) wordt ontvoerd door Cesare maar hij kan het niet over het hart verkrijgen haar te vermoorden. Dan ontdekt Franzis wie Caligari echt is: de directeur van het gekkenhuis. Maar dan komt de vraag op of de verteller van het verhaal eigenlijk wel een betrouwbare bron is. De versie die ik heb is, ondanks de Franse uitgave, de Amerikaanse versie die twintig minuten korter is dan het origineel van 72 minuten, terwijl nota bene op de hoes staat dat hij 100 minuten duurt. Met de andere film op de dvd, GENUINE, ook van Wiene uit dezelfde periode, wordt het nog bonter gemaakt: de 88 minuten durende film duurt hier slechts 3 minuten. Conrad Veidt zal later in CASABLANCA spelen; ook Fehér en Wiene zullen de nazi’s ontvluchten, terwijl Krauß zich zal ontpoppen als rasechte nazi en Dagover op zijn aardigst gezegd een nazi-meeloper wordt.
In KAÏRO (PULSE) van Kurosawa Kiyoshi uit 2001 heeft een geest via het internet de toegang tot onze wereld gevonden. Iedereen met wie hij in contact komt haalt hij over om toe te treden tot zijn wereld, want "hier is men zo eenzaam"... Twee mensen in Japan overleven en gaan met een boot naar Zuid-Amerika, “vanwaar nog tekens van leven ontvangen worden”. Zeer macabere film met creepy momenten. Zo pik ik elk Rotterdams filmfestival wel een film mee van Kurosawa. Jammer van het soms miserabele acteerwerk.
KARNAVAL van Thomas Vincent speelt zich af in Duinkerken, in Frans-Vlaanderen. Dramatische verwikkelingen tussen een Arabier die verliefd wordt op een vrouw die op een flirt uit is, en haar jaloerse agressieve man. De carnavalssetting is ideaal gekozen en legt een hoop hypocrisie, racisme en agressie bloot. Het probleem is echter dat mensen die een hekel hebben aan carnaval (zoals ik) wel naar dat hossend, zuipend, vervelend en huichelachtig gedoe moeten kijken. Ik weet nu wel weer precies waarom ik er zo de schurft aan heb. Sterk maar grimmig drama dat grotendeels gedragen wordt door de engelachtige verschijning van Sylvie Testud (JENSEITS DER STILLE).
KATAKURI-KE NO KOUFUKU (THE HAPPINESS OF THE KATAKURI) is een met zichtbaar veel plezier gemaakte musical van IFFR-troeteldier en veelfilmer (productie in 2001 van 7 films!) Miike Takashi. Het stelt allemaal niet veel voor maar is leuk om naar te kijken, met erg leuke en erg veel erg melige grappen. Over een blije maar disfunctionele familie die een hotel runt waar iedere gast doodgaat. Met klei-animaties, een volbloed Japanse neef van Queen Elizabeth, repeterende scènes, verwijzingen naar THE TROUBLE WITH HARRY, Fawlty Towers en THE SOUND OF MUSIC, en met karaoke.
Richard Kern is een underground filmmaker uit New York die vooral in de jaren 80 en 90 bekendheid genoot. Hij werkte toen veel samen met Nick Zedd, met wie hij de kern van de Cinema Of Transgression vormde en die als de mooie jongen (soms meisje) in Kerns films ook vaak te zien is als acteur; met Lydia Lunch en Lung Leg (foto; zij “siert” ook de hoes van Sonic Youth’s Evol, een still uit de Kern film Submit To Me), en muzikanten als Sonic Youth, Cop Shoot Cop, Dream Syndicate en Jim “Foetus” Thirlwell. Een of twee keer zie je Henry Rollins ook een rolletje spelen. Hij maakt alleen maar korte films, gedraaid met super 8, veel zwartwit maar ook (vaak onnatuurlijke) kleur. Zijn films zijn vuig, groezelig en totaal nihilistisch, met heel veel nadruk op seks en geweld, vaker wel dan niet tegelijkertijd. Soms lijkt het meer een performance die op camera is vastgelegd, soms wil hij kennelijk een verhaaltje vertellen. Tot zijn bekendste werk behoort Death Valley 69, een videoclip bij dat liedje van Sonic Youth, The Right Side of My Brain, een soort gevisualiseerde innerlijke monoloog uitgesproken door Lunch over haar obsessie met seks, en Fingered, ook met Lunch. Wat de films vaak extra verontrustend maakt is dat het lijkt alsof het authentieke slices of life zijn. Vreemd genoeg spelen drugs in de films nauwelijks of geen rol. Absoluut niet voor fijnproevers, hetgeen ook al duidelijk moge zijn uit de titel van zijn verzamelde werken op dvd: The Hardcore Collection. Een tijdsdocument over een duistere tijd.
Er zijn weinig films die ik zo vaak gezien heb als KEY LARGO uit 1948, van John Huston en met een topcast: Humphrey Bogart, Lauren Bacall, Edward G. Robinson, Claire Trevor en Lionel Barrymore (oudoom van Drew). Iedere keer weer een feest om dit gezelschap en hun onderlinge chemie te zien.
In de Japanse film KIKUJIRO NO NATSU van Takeshi Kitano uit 1999 neemt een man (Kitano zelf), min of meer gedwongen, een jongetje onder zijn hoede dat op zoek is naar zijn moeder. Wat volgt is een roadmovie in een handvol losse anekdote-achtige scènes. Een hartverwarmende komedie, vol droge humor die naast lomp en baldadig ook subtiel kan zijn. De kampeerscène op het einde had wel wat korter gekund, maar voor de rest een heerlijke film. En wat heeft die Kitano een unieke motoriek!
De laatste still uit de kleine serie binnen deze serie: martial arts films. Een ode aan, de dubbelfilm KILL BILL van Quentin Tarantino met een keur aan bekende namen, onder wie hoofdrolspeelster Uma Thurman (geel), Lucy Liu (wit) en natuurlijk David Carradine als Bill. Tarantino in topvorm. Alleen jammer dat bij dit plaatje niet het geluid van deze scène te horen is.
Gil Bok-soon werkt voor een evenementenbureau met allerlei kleine bedrijven onder zich, die shows uitvoeren. Shows, zo noemen ze hun opdrachten. Het zijn namelijk allemaal huurmoordenaars. Hun beroep wordt in de film KILL BOKSOON voorgesteld als een gewone professie. Een van hen klaagt dat hij na het verliezen van een hand tijdens een show geen redelijke ontslagvergoeding heeft gekregen. Naast haar baan heeft Bok-soon (Jeon Do-yeon, die we kennen als de hoofdrolspeelster in het magistrale SECRET SUNSHINE) ook een puberdochter (Kim Si-ah, van de serie The Silent Sea) met wie ze zeer moeizaam communiceert en die worstelt met haar lesbische gevoelens. Opvoeden is moeilijker dan moorden, verzucht ze op een gegeven moment. Als ze een show opvoert tegen een Japanse samoeraistrijder met een traditionele katana, zij met een bijl, en het haar te lang duurt schiet ze hem dood met een pistool. Als hij verontwaardigd zijn laatste adem uitblaast zegt ze: Ik moet nog boodschappen doen. Binnen het evenementenbureau, geleid door broer en zus, breekt een machtsstrijd uit omdat een van hen zich niet aan de regels houdt. Hij heeft namelijk een minderjarige vermoord, een opdracht die Bok-soon eerder juist daarom niet volvoerde. KILL BOKSOON is door het ongewone uitgangspunt, de huurmoordenaar als werknemer binnen een als normaal functionerend bedrijf, door de droge humor en door de niet onbelangrijke zijplot over de beslommeringen met haar dochter, een frisse en vermakelijke film geworden, al knipoogt ie wel naar Tarantino en duurt hij met zijn 137 minuten wel wat lang. En ook de liefhebbers van gestileerde bloedige en bloederige vechtpartijen komen ruimschoots aan hun trekken.
Op de foto leert Bok-soon een stagiaire van het bedrijf de kneepjes van het vak.
In THE KILLER, de nieuwe film van David Fincher, speelt Michael Fassbinder een huurmoordenaar, die zijn werk uiterst kil en rationaliserend benadert. Fassbinder is geknipt voor de rol. Het grootste deel van de film volgen we zijn voice over, waarin hij al filosoferend zijn nihilistisch wereldbeeld met ons deelt. Hij gebruikt uitspraken als “the only life path is the one behind you” als mantra’s tijdens zijn werk. Maar dan gaat een opdracht mis. Hij vlucht naar zijn geheime huis op de Bahama’s, om te ontdekken dat zijn vriendin een moordaanslag ternauwernood overleefd heeft. De consequentie van zijn falen, zo legt zijn opdrachtgever hem uit. De rest van de film gaat hij degenen die met de moordaanslag te maken hebben één voor één af om hen te doden. Nog steeds speelt emotie geen enkele rol. Fincher vertelt de film net zo kil en efficiënt als de protagonist van zijn verhaal is, en dat is consequent en bewonderenswaardig maar weerhoudt je ervan je te identificeren met het hoofdpersonage, met iedereen eigenlijk, wat duidelijk ook de bedoeling is. Alleen de secretaresse van zijn opdrachtgever toont emoties. Tijdens de interactie op het einde met Tilda Swinton (een van de moordaanslagplegers) blijken ze twee verwante zielen te zijn. Hij heeft duidelijk respect voor haar, maar dat belet hem niet ook haar om te brengen. THE KILLER is een boeiende maar erg afstandelijke film, die behoorlijk ontsierd wordt door de muziekvoorkeur van de huurmoordenaar, want je hoort voortdurend The Smiths op de soundtrack, en dat is een ware marteling, maar zo weet de film toch nog wat los te maken bij de kijker.
Ha, een neo-noir, een splinternieuwe van dit jaar nog wel. Alle reden om KILLER HEAT te kijken van de Côte d'Ivoiriaanse regisseur Philippe Lacôte, die zich afspeelt op Kreta. Joseph Gordon-Levitt speelt de Grieks-Amerikaanse privédetective Nick Bali, die drie problemen heeft: alcohol, zijn vrouw, jaloezie. Hij wordt door de puissant rijke Penelope (Shailene Woodley) ingehuurd om de dood van haar schoonbroer te onderzoeken. Haar schoonfamilie runt vrijwel letterlijk het hele eiland en wordt geleid door haar schoonmoeder en haar man (Richard Madden); diens lapzwans van een tweelingbroer is omgekomen bij een ongeluk maar zij gelooft niet dat het een ongeluk was. Het begin belooft veel, de sfeer is goed getroffen en de voice over als beproefd noir recept treft de juiste toon. Maar als de film vordert verflauwt mijn interesse en op het einde kan ik alleen maar zeggen: gewogen en te licht bevonden. Veel te licht. Te licht op alle mogelijke manieren: vanwege de Kretenzische zon, vanwege de toon van de film, vanwege het acteerwerk, en je weet wanneer er in een film sprake is van een eeneiige tweeling hoe de plot zich ontwikkelt. Wist bijvoorbeeld De Palma er met SISTERS en Cronenberg er met DEAD RINGERS nog iets (erg) interessants mee te doen, dit is echt tv-film niveau. En Joseph Gordon-Levitt, ik mag hem wel, maar halverwege de veertig ziet hij er nog steeds uit alsof hij nog maar net van de set van 3D Rock From The Sun is weggelopen. Hoewel hij nu zijn best doet op Jimmy Page te lijken past zijn nog steeds frisse jongensachtige uitstraling totaal niet bij de rol.
De Griek Yorgos Lanthimos maakt verontrustende en bizarre films. In eerdere films gebruikte hij vervreemdende humor om het geheel verteerbaar te houden, maar bij THE KILLING OF A SACRED DEER valt weinig tot niets te lachen. De film is gebaseerd op het klassieke Griekse toneelstuk Iphigeneia In Aulis van Euripides en ik heb het er op na gelezen (het staat in mijn boekenkast) om overeenkomsten te vinden, maar behalve dat in beide gevallen een vader genoodzaakt wordt om zijn kind te vermoorden, kon ik niets vinden. Geen vergelijkbare thematiek, geen overeenkomstige personages, geen erop lijkende verhaalontwikkeling. Het open einde van Euripides is vervangen door een schijnbaar happy ending (zeer on-Grieks) en zowel de moordende vader en wat van zijn gezin over is, als de wraakzuchtige opdrachtgever ( Artemis? Het Noodlot?) komen er zo te zien als overwinnaar uit. Met Colin Farrell, Nicole Kidman en een zeer creepy Barry McKeoghan. Dat de soundtrack overheerst wordt door muziek van Sofia Gubaidulina is tekenend voor de sfeer van de film.
In KING OF COMEDY, van Martin Scorsese uit 1983, heeft een would-be stand-up comedian (Robert De Niro) er alles voor over om beroemd te worden. Hij gaat zelfs zo ver dat hij zijn favoriete talkshowhost (Jerry Lewis) ontvoert om zijn plaats te kunnen innemen. Dat lukt en hij wordt op handen gedragen door het publiek. Bittere mediasatire met een fantastisch acterende Robert De Niro en de zich uitlevende neurotica Sandra Bernhard. Altijd leuk om een film-bekend-van-tv op het grote doek te zien.
Dat Venus en Serena Williams en hun halfzus Isha Price de film produceerden betekent niet dat KING RICHARD een hagiografie over hun (stief)vader is. Richard Williams is in alles de vastberaden, koppige, irritante en soms onuitstaanbare man zoals we hem in de media hebben leren kennen. Maar hij is ook de man die een minutieus uitgewerkt plan heeft om van de twee jongsten de beste tennissers van de wereld te maken; die het beste met alle vijf de dochters voorheeft, hen zelfrespect, doorzettingsvermogen, bescheidenheid en vriendelijkheid bijbrengt; hen beschermt tegen de misdadige verlokkingen van de achterstandswijk, tegen de verlokkingen van het snelle succes en tegen de aasgieren op het pad als hun talent gezien wordt; hij leert hen plezier in het spel te blijven hebben. Ondanks het enorme talent van Venus en Serena zouden ze nooit deze de geschiedenis veranderende tennissers, die inderdaad de besten van de wereld werden, zijn geworden, zonder de zeer onconventionele maar zorgvuldig hun carrière plannende, maar ook liefdevolle vader. Ik weet zeker dat Venus en Serena als producenten dat aspect benadrukt hebben willen zien. We zullen later deze maand zien of de Oscarnominaties voor o.a. beste film, beste hoofdrolspeler (een formidabele Will Smith, die je meteen doet vergeten dat je niet naar de echte Richard Williams zit te kijken) en beste bijrolactrice (Aunjanue Ellis zeer overtuigend als moeder Oracene, die een vaak onderbelichte maar essentiële rol speelde in het ontwikkelen van het talent van haar dochters) binnengehaald zullen worden. Overigens, het meisje dat Serena speelt lijkt in alles sprekend op de echte, terwijl het meisje dat Venus speelt helemaal niet op de echte lijkt, hoe goed ze trouwens ook is.
PS Will Smith won als enige van de zes genomineerde categorieën een Oscar.
De Armeense film DE KLEUR VAN DE GRANAATAPPELS (SAYAT NOVA) van Sergej Paradzjanov uit 1968 is 1 vd visueel verbluffendste en kleurrijkste films die je je maar kunt voorstellen, met gedichten van Sayat Nova. De Georgische actrice Sofiko Chiaureli speelt vijf verschillende rollen, zowel mannelijk als vrouwelijk.
Acht mensen worden met alleen hun ondergoed aan wakker in een afgesloten ruimte. Ze herinneren zich alleen hun naam en verder niets van zichzelf. Om het uur komt een man met een pistool en neemt een van hen mee, die niet meer terugkomt. De anderen proberen koortsachtig te achterhalen wie ze zelf zijn, omdat daar volgens hen de sleutel tot ontsnapping ligt. De recente Nigeriaanse film KOFA is een uur bezig wanneer de laatste twee overgeblevenen ontsnappen, en dan wordt meteen duidelijk wat we gezien hebben, en worden en passant enkele hinderlijke inconsistenties verklaard. Waarom, en hoe de eerste helft van de film samenhangt met de tweede, ga ik niet vertellen want dat is een gigantische spoiler. In het tweede deel is een team commando’s geïnfiltreerd in een islamitische terreurorganisatie (een soort Boko Haram) die een hele groep meisjes heeft ontvoerd, en probeert de meisjes te bevrijden en de terroristen uit te schakelen. Vergeleken met wat Hollywood met zo’n onderwerp zou doen is KOFA amateuristisch maar dat neemt niet weg dat het een spannende film is met een maatschappelijk relevant thema. Met name Gina Castel (op de foto met handen op de wangen) zet met Tosin een zeer krachtig personage neer (dat ook nog eens goed kan vechten).
KOM HIER DAT IK U KUS is een verfilming van de roman van Griet op de Beeck. Net zoals in het boek volgen we het meisje Mona, eerst als kind, dan als jong-volwassene en dan nog eens tien jaar later. Ze is de oudste van de kinderen, dus (volgens haar vriend) zorgzaam, met veel verantwoordelijkheidsgevoel en een beetje saai. Flegmatisch als ze is slikt ze, absorbeert ze de bullshit van de anderen en (dat hopen we toch) neutraliseert en transformeert al het gif. Want ze heeft te maken met een lieve maar slappe vader, een geestelijk labiele, overheersende stiefmoeder die emotionele chantage tot een kunst verheven heeft, een narcistische baas en een zichzelf geweldig vindende egoïstische vriend. Ondanks dat alles blijft de film als Mona: volgend, slikkend, absorberend en, maar dat ligt aan de kijker, het gif neutraliserend en (hopelijk) transformerend. De film doet het boek recht en dat levert prachtige, intieme en intense cinema op, met overtuigend acteerwerk, vooral van de twee die Mona in de verschillende periodes spelen: Olivia Landuyt en Tanya Zabarylo.
Een vliegtuig dat neerstort in Oeganda terwijl je duidelijk een Euro-pees landschap ziet, een chimpansee die wanneer hij groeit plots een gorilla is, het is het soort dingen dat je verwacht bij een goedkope sf-horror uit de jaren 50/60 en het maakt zelfs deel uit van de charme van die films. Er zijn genoeg films in het genre die nog steeds uiterst vermakelijk zijn, zoals CREATURE FROM THE BLACK LAGOON of IT CONQUERED THE WORLD, maar het Britse KONGA behoort daar niet toe. Die gaat over een gekke wetenschapper die ontdekt heeft hoe je dierlijk en plantaardig materiaal kunt kruisen waardoor cellen explosief groeien. Hij test het uit op een (echte) chimp die meteen verandert in een gorilla (mens in apenpak). Met bovendien een drug waarmee hij absolute gehoorzaamheid afdwingt gebruikt hij het monster om iedereen die hem in de weg staat te vermoorden. Kunnen Amerikanen bij dit soort films nog wel eens gierend uit de bocht vliegen of er een dubbele laag in aanbrengen (angst voor communisten, bv), KONGA is gewoon plat en saai en humorloos en bijzonder slecht geacteerd (ook iets waarin de Amerikanen beter zijn: zo slecht acteren dat het weer leuk wordt).
De films van de Litouwse filmmaker Sharunas Bartas zijn voor mij onlosmakelijk verbonden met het IFFR. Gisteren bekeek ik KORIDORIUS weer eens en mijn huiskamer veranderde spontaan in een klein achterafzaaltje van Lantaren/ Venster. De magie die ik voelde toen ik kennis maakte met deze regisseur, deze film en deze actrice (voorganger TRYS DIENOS zag ik pas erna). Ik hield er een levenslange fascinatie voor de in 2011 overleden Yekaterina Golubeva aan over. KORIDORIUS speelt zich af in een flat in Vilnius net na de ineenstorting van het communisme en volgt de bewoners in hun troosteloze, apathische, hopeloze en uitzichtloze bestaan. Geen dialoog, geen verhaallijn, wel veel close ups van afgeleefde gezichten (zelfs de kinderen!), een fascinerende geluidsband en prachtige contrastrijke zwartwit fotografie. Somber maar magisch.
DER KRIEGER UND DIE KAISERIN van Tom Tykwer is de film die me tijdens het IFFR 2001 na 24 uur uit het zwarte gat dat CODE: INCONNU (zie aldaar) geslagen had bevrijdde. Een hecht doortimmerd, intelligent en fantasierijk scenario, prachtig en virtuoos camerawerk, mooie opbouw en doorleefde personages. Op dit laatste punt faalde Tykwers vergelijkbare WINTERSCHLÄFER, dus eindelijk maakt hij zijn belofte als grootste Duitse talent sinds Fassbinder helemaal waar. Het idee alleen al dat hij nog jong is en nog meer films zal maken die nog mooier zijn maakt mij gelukkig. O ja, wat is Franka Potente totaal anders dan in LOLA RENNT, uiterlijk en qua karakter.
De reden waarom de Hongaarse film KÚT uit 2016 in Nederland een andere titel gekregen heeft, namelijk WILD, hoewel het woord ‘waterbron’ betekent, ligt voor de hand. Een moeder levert haar (volwassen) zoon Laci af bij een afgelegen tankstation midden in een woestijnachtig landschap. Hij wil namelijk zijn vader leren kennen, en de vader runt dit pover stationnetje. Laci is er nog maar net als een busje arriveert met vier prostitués op doorreis naar een bordeel in Zwitserland. Hun “begeleider” stopt omdat hij met de tankstation-bediende een dealtje heeft gesloten en hij moet wachten totdat het pakket arriveert. Een groot deel van de film dacht ik dat het de bedoeling was om een soort remake van het klassieke meesterwerk THE PETRIFIED FOREST (met Leslie Howard, Humphrey Bogart en Bette Davis) te maken, maar op een gegeven moment gaat de film qua verhaalverloop toch te zeer afwijken; een inspiratiebron moet het echter wel degelijk zijn geweest. Wanneer ik aan Hongaarse films denk zie ik regenachtige sombere landschappen in zwart-wit, maar in deze schijnt de hele tijd de zon. De film kent een aantal gewelds-explosies maar is toch vooral een portret van verloren zielen die zo beschadigd zijn dat ze niet meer in staat zijn om normaal menselijk contact aan te gaan, al willen ze wel en doen ze tot mislukken gedoemde pogingen daartoe. Deze somberheid is dan wel weer helemaal Hongaars.
Maak jouw eigen website met JouwWeb