filmstillgalore P-S
​
Aan het begin van de coronalockdown van 2020 ben ik begonnen met het elke dag op facebook plaatsen van een filmstill, vergezeld door een (meestal korte) beschrijving. Om dit projectje een wat minder vluchtige status te geven zet ik ze hier op een rijtje, in alfabetische volgorde, waarbij ik meestal de internationale titel hanteer bij films uit landen met een taal die bij ons wat minder vaak over de lippen komt.
De lijst waaraan ik meermaals refereer vind je op de home page.
De hier geplaatste stills vallen binnen 3 categorieën:
1/ de 10 beste films aller tijden (die zijn genummerd)
2/ de 28 films die ex aequo op nummer 11 staan
3/ een in principe eindeloze lijst van films die in mijn herinnering zijn blijven hangen, films die ik onlangs gezien heb, op tv of netflix of uit mijn eigen collectie, en waarover ik iets te zeggen heb, of wanneer de actualiteit er aanleiding toe geeft. Ook films die ik zag tijdens de 20 keer dat ik het Filmfestival Rotterdam heb bezocht gaan hier hun plaats vinden. Omdat die stukjes in een heel andere context geschreven zijn (zie voor meer hierover deze pagina) zijn ze ook iets anders van karakter.
In de oorspronkelijke reeks ging het om de foto en gaf ik er summiere informatie bij. Toen die "klaar" was ging ik door met "duidingen" (geen recensies) met uitgebreidere teksten van de films die ik recent zag.
Ik keek deze film opnieuw nav het overlijden van Émilie Dequenne. In de tweede helft van de 18e eeuw waart er in de regio Gévaudan in Frankrijk een wild beest rond dat veel slachtoffers maakt. Men zegt dat het een buitenproportionele wolf is. Er ontstaat onrust onder de bevolking en dat is wel het laatste wat koning Lodewijk XV wil. Hij stuurt er mensen heen om het dier te doden. Tot zover de historie. In de film LE PACTE DES LOUPS (2001) van Christophe Ganz zijn het de wetenschapper Grégoire de Fronsac (Samuel Le Bihan) en zijn bloedbroeder Mani (Mark Dacascos), een indiaan uit Canada, expert in martial arts. Ze vinden de verlichte Markies (Jérémie Renier) aan hun zijde. De Fronsac laat zijn oog vallen op de mooie Marianne (Émilie Dequenne) maar haar broer (Vincent Cassel) ziet dat niet zitten, hoewel zij ook wel wat voor hem voelt maar gedwongen wordt afstand te nemen. In de mysterieuze prostituee (Monica Bellucci) vindt De Fronsac nog een bondgenoot, want op een gegeven moment wordt duidelijk dat er een complot schuilgaat achter het moordlustige wilde beest. LE PACTE DES LOUPS is een zeer onderhoudende en authentiek ogende film zo lang het verhaal dicht bij de historische gebeurtenissen blijft maar die tegen het einde, als het complot steeds zichtbaarder wordt, veel aan kracht en geloofwaardigheid verliest.
De occulte gothic thriller THE PALE BLUE EYE speelt zich af in 1830 op West Point, de Amerikaanse militaire academie. Er heeft een bizarre moord plaatsgevonden en de verlopen detective Landor (Christian Bale) wordt door de leiding ingehuurd om het op te lossen. Hij krijgt hulp van cadet Edgar Allan Poe (Harry Melling), een fictieve versie van de schrijver. Met een verdere cast van Tobey Jones, Gillian Anderson, Timothy Spall, Charlotte Gainsbourg, Lucy Boynton en Robert Duvall denk je: niets kan misgaan, maar dan heb je het mis: het tempo is te laag, er is hoegenaamd geen spanningsopbouw en hoewel het archaïsche taalgebruik valt te verdedigen maak je mij niet wijs dat zo tussen cadetten onderling gesproken werd. Wat de film helemaal nekt is het acteerwerk: dat is stijf en tegelijk overdreven, alsof het nooit de intentie was een serieuze film te maken. Ik moest denken aan THE FEARLESS VAMPIRE KILLERS OR: PARDON ME, BUT YOUR TEETH ARE IN MY NECK , maar wel zonder humor. Maar dan, na anderhalf uur, als het verhaal ogenschijnlijk afgelopen is, krijgen we een soort coda van een half uur waarin wel normaal geacteerd wordt en wel ruimte geboden wordt aan emoties. Het kan de film echter niet redden.
Nadat ik als jongeling THE PANIC IN NEEDLE PARK uit 1971 van Jerry Schatzberg gezien had, wist ik dat het leven van een junkie niets voor mij zou zijn. Voor wie wel eigenlijk? Helen (Kitty Winn) is het burgerlijke leven met haar ouders ontvlucht en krijgt een relatie met de kruimeldief, dealer en junkie Bobby (Al Pacino in zijn eerste hoofdrol). We volgen het wel en, naarmate de film vordert steeds meer, wee van het prille liefdespaar en de mensen om hen heen, junkies die zich verzameld hebben rond Needle Park, halverwege tussen de Hudson en zuid Central Park, aan Broadway. Het is een grauwe wereld die we te zien krijgen, voortdurende angst vanwege schraal aanbod, onderlinge diefstal, bedrog, prostitutie, erbarmelijke leefomstandigheden, noem maar op. Ook Helen raakt verslaafd en zij weet geen maat te houden. Om in haar behoefte te voorzien gaat ze ook Bobby bestelen en zich prostitueren, nota bene met Bobby’s broer. Tot in detail krijgen we het inspuiten van heroïne te zien. De film is geproduceerd door gevierd schrijversechtpaar Joan Didion en John Gregory Dunne. Wat ik me afvraag is waarom Kitty Winn geen gevierde carrière als actrice heeft gekend. Ze is werkelijk subliem in deze film en houdt zich gemakkelijk staande naast de neurotische doch charmante Pacino, en toch heeft ze na deze film voor zover ik weet nog slechts een bijrol in THE EXORCIST gehad en een grotere rol in THE EXORCIST II: THE HERETIC. Eeuwig zonde.
Samira Makhmalbaf debuteerde met haar alom bejubelde film SIB (DE APPEL) toen ze 17 was en maakte enkele jaren later de film PANJ E ASR (OM 5 UUR IN DE MIDDAG) waarin Nogreh de eerste vrouwelijke president van Afghanistan wil worden. Deze film werd vertoond bij de presentatie van de eerste uitgave van VVV, Venloos Voorname Vrouwen. Mariet Verberkt, de drijvende kracht achter VVV, wilde de film van Nouschka van Brakel over Aletta Jacobs, maar daar bestond geen toonbare kopie meer van, dus stelde ik deze voor. Ik had een beetje overredingskracht nodig maar het lukte. De film was een gigantisch succes bij het publiek. En terecht.
Samira is de dochter van gerenommeerd filmmaker Mohsen Makhmalbaf en grote zus van Hana (allebei ook vertegenwoordigd in deze filmstillgalore).
Toen regisseur Peter Boganovich zijn vriend Orson Welles vertelde dat hij zijn volgende film PAPER MOON wilde noemen, bulderde de legendarische filmmaker: “Met zo’n titel hoef je niet eens meer de film te maken, succes gegarandeerd.” Gelukkig heeft Bogdanovich de film toch gemaakt. Moses Pray (Ryan O’Neal) is een oplichter die tijdens de Depressie de staat Kansas doorkruisend zijn geld verdient met geld aftroggelen van verse weduwen. Dan wordt hij opgezadeld met de 9-jarige Addie (Ryans dochter Tatum O’Neal), die mogelijk zijn dochter is, al blijft hij het ontkennen. Het meisje is brutaal, bijzonder koppig en erg slim. De twee maken voortdurend ruzie en het kind weet telkens haar zin door te drijven. Natuurlijk, zoals het gaat bij roadmovies, groeien ze langzaam naar elkaar toe. De katalysator is wanneer Moses de wulpse, voortdurend kakelende Trixie Delight (de voor deze rol voor een Oscar genomineerde Madeline Kahn) meeneemt en Addie in haar een bedreiging voor haar positie ziet.
Bogdanovich wilde een film maken die aanvoelde alsof hij echt uit de jaren 30 kwam, dus in zwart-wit (wel widescreen), maar met acteurs uit de jaren 70, en slaagde met vlag en wimpel. De film is heerlijk ouderwets en heel erg grappig. Een groot deel van cast en crew van zijn eerdere films deed weer mee. Met name het camerawerk van László Kovács valt op, vanwege de bijzonder lange shots (zonder dat je het in de gaten hebt), extreme scherpte-diepte en ingenieuze bewegingen. Tatum O’Neal is buitengewoon en kreeg een volledig terechte Oscar en is tot op heden de jongste die ooit een Oscar kreeg. Ik keek deze film vanwege Ryan O'Neals recente overlijden. Tatum zou overigens later met tennis enfant terrible John McEnroe trouwen. Wat een explosief huwelijk moet dat zijn geweest.
Een van mijn vroegste bioscoopervaringen is PAPILLON, met Steve McQueen en Dustin Hoffman. Gisteren zag ik hem op tv, voor het eerst dus in precies 50 jaar (en, nee, de remake heb ik nooit gezien). Toen dacht ik “dat deden ze vroeger, heel lang geleden, gevangenen zo onmenselijk behandelen, nu zijn we beschaafd”, nu denk ik “wat is het nog maar kort geleden dat zogenaamde beschaafde landen als Frankrijk zo wreed met hun gevangenen omgingen”, en weet ik dat er nog veel zogenaamde beschaafde landen zijn waar zulke inhumane straffen worden uitgedeeld. Wat ik me behalve de bril van Hoffman nog vooral herinnerde was de periode in eenzame opsluiting, de sprong van de klif op het einde, en de dieren. Die hagedis op de muur in het overzichtsshot als de gevangenen aangekomen zijn en zich verzamelen op de binnenplaats, de omvallende tapir, het gevecht met de krokodil, de duizendpoot die in tweeën gehakt wordt, de jacht op de kakkerlakken, de vlinderjacht. Wat ik me verbazingwekkend genoeg totaal niet herinnerde was zijn verblijf in het indianendorp. Ik was dertien en bijzonder geïnteresseerd in meisjes dus waarom dat deel me niet is bijgebleven is een groot raadsel. PAPILLON is ook na al die jaren nog een prima avonturenfilm die absoluut niet gedateerd overkomt, dus waarom die remake is gemaakt is een nog groter raadsel dan dat ik me dat supermooie halfnaakte meisje (Ratna Assan) in het indianendorp niet herinnerde.
PARADOX is het regiedebuut van actrice Daryl Hannah, een stonede surrealistische science fiction western waarin de mannen gescheiden leven van de vrouwen en in de bergen naar het verloren verleden zoeken (telefoons, toetsenborden, wekkers) en banken beroven. De film heeft een sterk ecologische boodschap, waarin meermaals wordt opgeroepen plantenzaden te beschermen en uit te delen. De hoofd-rollen worden vertolkt door (Hannah's partner) Neil Young en zijn band Promise Of The Real, met daarin twee zoons van Willie Nelson, die zelf ook een rolletje op zich neemt. De zeer nadrukkelijk aanwezige soundtrack is van Neil Young en een beetje Willie Nelson, met als hoogtepunt een ellenlange instrumentale jam met drie elektrische gitaren op Cowgirl In The Sand. Als je niet van Neil Young houdt moet je niet kijken. Als je een coherent verteld verhaal wil, kun je de film ook beter aan je voorbij laten gaan. Ik heb me echter prima vermaakt.
Toen ik LE PARFUM D'YVONNE van Patrcie Leconte als nieuwe film zag, in 1994, schreef ik: "Mooi in beeld gebrachte liefdes-geschiedenis tussen een Russische graaf (Hippolyte Girardot) en een over het paard getilde Frans plattelandsmeisje Yvonne (Sandra Majani), met een belangrijke bijrol voor een oude homoseksuele arts die zich Koningin Astrid laat noemen (Jean-Pierre Marielle). Vanaf het begin is duidelijk hoe alles zich gaat ontwikkelen, wat de film nogal voorspelbaar maakt. En overbodig, omdat wat je al weet ook nog getoond wordt." Jaren later zag ik de film, gebaseerd op de prachtige roman Villa Triste van Patrick Modiano, nog eens en vond hem geweldig. Ik had tijdens de eerste keer kennelijk alles wat onder het oppervlak sluimert gemist.
Het Nederlandse model Sandra Extercatte had een zeer korte filmcarrière en speelde in deze film onder de naam Sandra Majani. Dit was haar laatste film.
In zijn extreem lange carrière speelde Harry Dean Stanton maar weinig hoofdrollen. Bijna niet te bevatten voor een acteur die elke film waarin hij al is het maar een kleine bijrol speelt meerwaarde geeft, maar waar. Net voor zijn dood kreeg hij nog eenmaal de kans in LUCKY (zie aldaar), die prachtige ode aan hem als negentigplusser, maar zijn rol als Travis in Wim Wenders’ PARIS, TEXAS (1984) is en blijft zijn meest iconische acteerprestatie. Na vier jaar rond-gezworven te hebben keert Travis terug in de bewoonde wereld van Los Angeles, waar zijn broer Walt (Dean Stockwell) en zijn vrouw Anne (Aurore Clement) zijn zevenjarige zoon Hunter (Hunter Carson) opgevangen hebben, en opgevoed alsof het hun eigen zoon is. Na weer te zijn geacclimatiseerd gaan Travis en Hunter op zoek naar Jane (Nastassja Kinski), de verdwenen geliefde van Travis en moeder van Hunter. Ze vinden haar in Houston, waar ze in een peepshow-gelegenheid werkt. De scène waarin hij in de derde persoon zijn verhaal doet over hun relatie en waarin Jane er gaandeweg achterkomt wie zich aan de andere kant van het spiegelende glas bevindt blijft extreem hartverscheurend. En de hereniging van Hunter met Jane niet minder. Al heb ik de film al ontelbare keren gezien, ik houd het dan niet droog, zelfs niet in gezelschap zoals deze keer. Het scenario van Sam Shepard en L. M. Kit Carson (Hunter Carsons vader) is op het randje, eigenlijk erg simpel maar ook bijzonder effectief. Menig regisseur had er een sentimentele draak van gemaakt, maar de briljante regie van Wenders, het prachtige camerawerk van Robby Müller, de sterke soundtrack van Ry Cooder en het uitmuntende, doorleefde spel van zowel Stanton als Kinski tillen de film ver boven zichzelf uit en maken er een superieure tearjerker van.
Ergens halverwege LES PASSAGERS DE LA NUIT (2022) is Talulah (Noée Abita) bedroefd omdat ze hoort dat actrice Pascale Ogier niet meer leeft. Zo jong, zo getalenteerd en zo mooi en dan aan een hartaanval sterven. Ik herinner me hoe groot voor mij de schok was indertijd, 1985. Net als Talulah in de film had ik net LES NUITS DE LA PLEINE LUNE van Éric Rohmer gezien, met Ogier in de hoofdrol, en was wel een beetje verliefd op haar geworden. LES PASSAGERS DE LA NUIT doet zeker in de eerste helft inderdaad erg denken aan een Rohmer film en het verhaal speelt zich in die tijd af. Elisabeth (Charlotte Gainsbourg) is een pas gescheiden moeder van twee pubers, die lijdt aan slapeloosheid. 's Nachts luistert ze vaak naar een radioprogramma waarin Vanda (Emmanuelle Béart) met mensen die bellen praat. Ze besluit er te solliciteren en wordt aangenomen. Daar komt ze Talulah tegen, een jonge vrouw, een straatkatje, een vogeltje met een gebroken vleugel. Ze neemt haar mee naar huis, waar ze een vriendschap ontwikkelt met de activistische dochter en de stuurloze zoon, die (uiteraard) verliefd op haar wordt. Een kleine hartverwarmende film over gewone mensen met gewone problemen en een groot hart. Gainsbourg is briljant, tegelijkertijd kwetsbaar en sterk, tobbend en met oog voor en liefde voor de ander. Een pareltje.
Net als Darryl Hannah (PARADOX, zie hierboven) debuteerde actrice Rebecca Hall onlangs als regisseur, met de film PASSING. Passing betekent dat je je als iemand uit een minderheid voordoet als behorend tot de meerderheid. Veinzen wordt het in de film genoemd. Hall heeft er zelf ervaring mee, want als vrouw met Afro-Amerikaanse roots heeft ze zich altijd gepresenteerd als witte actrice. Dat gebeurt in de film ook, die zich afspeelt in Manhattan in de jaren 20. Daartoe in staat vanwege haar lichte huidskleur gaat een doktersvrouw (een geweldige, ingetogen Tessa Thompson) vanuit Harlem zuidwaarts om een dagje te genieten van het witte leven. Daar ontmoet ze een oude vriendin (de vol cynisch vuur spelende Ruth Negga), die door het leven gaat als witte vrouw en zelfs met een rijke witte man getrouwd is, een uitgesproken racist die geen idee heeft dat zijn vrouw zwart is. De twee vrouwen raken weer bevriend en de vriendin begint intens terug te verlangen naar haar oude leven, mede door het bezoeken van door de doktersvrouw georganiseerde culturele avonden. Een in prachtig zwart-wit en op Academy formaat opgenomen film die op momenten dromerig en verstild is maar raciale kwesties niet uit de weg gaat, integendeel, de film gaat erover. Enerzijds door het vieren van de culturele erfenis middels die culturele avonden, anderzijds door het opkomende verzet tegen de segregatie, verpersoonlijkt door de dokter, en meer dan alles door te laten zien hoe pervers en totale onzin de verdeling in “rassen” is.
Ik had jaren geleden al een poging ondernomen om deze film te kijken maar was toen halverwege walgend afgehaakt. Ik was echter benieuwd hoe het zou aflopen, en of het allemaal nog goed ging komen met de gevangen genomen hoofdpersoon. Nee, serieus, elk jaar haal ik tijdens de Goede Week deze film uit de kast maar nooit schuif ik het schijfje in de dvd-la. Er gewoon geen zin in. Gisteren lukte het me eindelijk om THE PASSION OF THE CHRIST van Mel Gibson helemaal te zien. Ik blijf echter bij mijn oordeel dat wat de kijker hier voorge-schoteld krijgt sado-masochistische geweldsporno is waar niks spiritueels aan te ontdekken valt. Zelfs via de korte terugblikken, nu niet in vuilbruin of grijsblauw geschoten maar in warme belichting, zoals een quote uit de Bergrede of het laatste avondmaal, word je niet in een contemplatieve stemming gebracht. Pas na de zin “Het is volbracht” ontstijgt de film het oud-testamentische paradigma en ga je als kijker iets anders voelen dan weerzin. Je kunt stellen dat het christendom een perversie is van de boodschap van Jezus, deze film is een perversie van de christelijke boodschap.
Soms word je vanaf het begin van een film zo geraakt dat je eigenlijk niet verder wil kijken, bang dat dit niveau niet volgehouden wordt. Dit niveau wordt bij PAST LIVES van Celine Song inderdaad niet constant gehaald en dat is misschien maar goed ook, want dat zou je als kijker volledig slopen. Dat begin, de scènes in Korea, over de 12-jarige Na Young en Hae Sung die hun eerste kalverliefde beleven, is volmaakte cinema en raakt je diep in het hart. Maar dan emigreert het meisje naar Canada en hebben ze pas 12 jaar later weer contact, via videobellen. Het meisje heet inmiddels Nora en woont in New York. Hun hernieuwde vriendschap bloeit weer op, totdat Nora het contact verbreekt omdat ze zich wil richten op haar echte leven, het hier en nu, als aankomend toneelschrijfster in Amerika. Opnieuw 12 jaar later neemt Hae Sung weer contact op en zegt dat hij naar New York komt om haar te zien. Zij is inmiddels al jaren getrouwd met een zachtaardige, empathische maar ten diepste onzekere man. Wat zich dan ontvouwt is te mooi voor woorden. Het is ongemakkelijk, het is diep menselijk, het is hartverwarmend en tegelijkertijd hartverscheurend, maar het blijft klein en bescheiden en nuchter, sentiment krijgt geen enkele kans. Wel diepe gevoelens, bij de personages en bij de kijker. En Greta Lee, die me al was opgevallen in de netflixserie Russian Doll, wat een actrice! Deze kleine, poëtische film kon zoals verwacht bij de Oscars niet opboksen tegen zo’n groots opgezette film als OPPENHEIMER, maar Greta Lee had toch op zijn minst genomineerd moeten worden.
Een manische vrouw spelen, laat dat maar aan Valéria Bruni Tedeschi over, dat doet ze al dertig jaar en niemand kan dat overtuigender en geloofwaardiger dan zij. In LA PAZZA GIOIA ontsnapt ze samen met de depressieve Micaela Ramazzotti uit de inrichting. Een zeer vermoeiende roadmovie volgt. Vermoeiend ook voor de kijker want ook in de voortdurende nabijheid verkeren van een manisch iemand op een scherm vreet je helemaal leeg. Maar het blijkt Ramazzotti juist energie te geven. Toch blijft er sympathie bij de personages, mede dankzij de werkelijk fenomenale actrices die er mensen van vlees en bloed van maken. Na bijna twee uur gekte en chaos eindigt de film in een van elk drama ontdane speelse scène wanneer Ramazzotti eindelijk haar zoontje ontmoet en dan breekt je hart. Oftewel, hoe je met een, technisch gezien, anticlimax een emotionele catharsis bewerkstelligt.
Al tijdens het maken van X (zie aldaar) kwamen regisseur Ty West en hoofdrolspeler Mia Goth op het idee om het personage Pearl (één van Goths rollen) in deze film een voorgeschiedenis te geven, en dat resulteerde in de film PEARL (2023), opnieuw onder regie van West en opnieuw met Goth als Pearl, op een scenario van hen beiden. Het is een echte karakterstudie geworden van het jonge meisje Pearl dat in 1918 opgroeit op een afgelegen boerderij, met een goedbedoelende maar uiterst strenge moeder en een door een virus gevelde en verlamde vader. Pearl droomt van een glamoureus leven als danseres, met de wereld aan haar voeten. Haar reële leven is hier echter het tegenovergestelde van en ze ziet maar één mogelijkheid: alle obstakels die haar droomleven in de weg staan opruimen. De film is een tour de force van Goth, die Pearl neerzet als enerzijds naïef, onschuldig, gehoorzaam, een droomster, en van de andere kant als op het psychopathische af meedogenloos. In alles wat ze doet schemeren beide kanten door en blijft ze voor de kijker ongrijpbaar. De kinderlijk onschuldige uitstraling van Goth draagt daar in hoge mate aan bij. De hele film oogt ouderwets, als een klassiek Hollywooddrama, zowel wat enscenering betreft als bij de decors en de technicolorachtige kleuren en de soundtrack die klinkt als een Disneyfamiliefilm. De minuten aangehouden poging tot een brede glimlach van Pearl, tijdens de eindcredits, de krampachtigheid ervan in een poging om oprechte blijdschap te tonen, daarin zit ‘m de ware horror. Hierna zullen West en Goth de trilogie vervolmaken met MAXXXINE.
In LA PEAU BLANCHE van Daniel Roby uit 2004 versieren de twee studenten Thierry en Henri twee meisjes. Het roodharige meisje probeert Henri de keel door te snijden. Later ziet Thierry in de metro een roodharig meisje fluit spelen. Ondanks zijn al eerder uitgesproken afkeer van roodharigen voelt hij zich sterk tot haar aangetrokken. Hoewel deze Claire hem telkens afhoudt krijgen de twee toch een relatie. Maar er is iets vreemds aan de hand met haar. Wanneer hij haar familie ontmoet, allemaal roodharige vrouwen met een ultrablanke huid, herkent hij in Claires zus degene die Henri heeft willen ombrengen. Thierry blijkt in een familie vampieren beland te zijn. Alleen de moeite waard als je het leuk vindt het vrijwel onverstaanbare Québecs-Frans te proberen te ontcijferen, maar gelukkig waren er ondertitels. En vanwege die ene snedige uiteenzetting van Henri’s tante waarin ze betoogt dat niet haar zwarte huidskleur maar de witte huidskleur de anomalie is, wat natuurlijk ook klopt.
In PEAUX DE VACHES van Patricia Mazuy uit 1989 komt Roland (Jean-François Stévenin), na tien jaar te hebben vastgezeten, terug in het noordwesten van Frankrijk bij de familieboerderij, waarvan hij de stallen met koeien in brand had gestoken, waarbij ook een zwerver verbrandde. Hij wordt hartelijk onthaald door zijn jongere broer Gérard (Jacques Spiesser), die er inmiddels een akkerbouwbedrijf van heeft gemaakt. Ook heeft hij een vrouw, Anna (Sandrine Bonnaire) en dochtertje (Salomé Stévenin, dochter van Jean-François). Anna is er helemaal niet blij mee, ze wantrouwt Roland, hij gedraagt zich vreemd en onvoorspelbaar. Tot haar ontzetting ziet ze haar liefdevolle, verantwoordelijke man voor haar ogen veranderen. Ik moest toen ik de film keek heel erg denken aan Ursula en Sabina Eriksson, de Zweedse identieke tweeling die, gescheiden van elkaar, een normaal leven leidden, maar eenmaal bij elkaar in een soort gezamenlijke psychose terechtkwamen. Over hen heeft de BBC ooit een documentaire gemaakt die je in verbijstering achterlaat. (Een dergelijk thema behandel ik zelf in mijn boek De Lange Schaduw Van Een Geboorte, en in Het Ingehaalde Heden Op Ramkoers wordt het geval van de Eriksson tweeling zelfs genoemd.) Daaraan moest ik dus denken als ik zag hoe de twee broers op elkaar reageerden. Anna staat er met het dochtertje midden tussen en hun veiligheid is in het geding, en het is aan haar om een uitweg te bedenken. Het is een intense film, ongemakkelijk, met een constant voelbare dreiging, ook in de meer ontspannen scènes, juist in die scènes, waarin Roland namelijk prima overweg blijkt te kunnen met het dochtertje van zijn broer, met subliem acteerwerk van Stévenin en Bonnaire.
Ik kwam de film PERCY op netflix tegen. Het enige dat ik van die film wist was dat Ray Davies er de muziek voor had geschreven, die uitgevoerd werd door The Kinks (muv de orkestrale passages). Kijken dus. Bekende namen die meedoen zijn Denholm Elliott, Britt Ekland en Elke Sommer. De film blijkt een sekskomedie te zijn over een man die door een ongeluk zijn penis is kwijtgeraakt en een nieuwe heeft gekregen. Nou ja, tweedehands eigenlijk, dus de man gaat adhv een lijst overleden mannen de weduwen na om te ontdekken aan wie zijn edel deel eerder heeft toebehoord. Dat blijkt een ware vrouwen-verslinder te zijn geweest en hij voelt zich aan zijn nieuw lid verplicht diens levensstijl over te nemen. Als ik gewoon de Kinks-lp met de soundtrack had opgezet had ik in elk geval drie kwartier langer van het leven kunnen genieten. De film is plat, onleuk en is meer verwant aan On The Buses dan aan Monty Python, terwijl Michael Palin en Terry Jones toch het scenario hebben (mee)geschreven. Bovendien is de film gezien het onderwerp en het tijdsgewricht (1971) vreselijk preuts. Geen bloot te bekennen. Ik ken Ray Davies als een scherp observator van de Engelse zeden en een intelligent tekstschrijver, dus waarom hij zijn medewerking aan de film heeft verleend is me een raadsel.
In 2023 maakte Wim Wenders in Japan de film PERFECT DAYS, met in de hoofdrol de Japanse topacteur Yakusho Koji, als Hirayama, een schoonmaker van openbare toiletten in Tokio. De man leidt een rustig, eenvoudig leven volgens een vaste routine en hij is daar heel gelukkig mee. Met zijn ouderwetse fotocamera probeert hij te vangen hoe de bomen, de zon en de wind spelletjes met elkaar spelen en legt die unieke momenten vast. Hij is beleefd, vriendelijk en bekijkt zwijgend de wereld om hem heen met een afstandelijke maar ook empathische blik. Zijn collega Takashi (Emoto Tokio) is een jonge hond, impulsief, een tikkeltje onbetrouwbaar en extravert. Enkele onverwachte ontmoetingen gunnen ons een blik in zijn verleden. Eerst het meisje dat Takashi voor zich tracht te winnen, verder de vrouw die de bar waar hij vaak heengaat runt, later haar ex die kanker heeft en niet lang meer te leven, en vooral zijn nichtje (Nakano Arisa), dat onverwacht opduikt en een paar dagen met hem optrekt, zijn boeken leest en hem helpt bij zijn werk. Hun interactie, en de scène met zijn zus, haar moeder, die haar later komt ophalen, zijn in hun gereserveerdheid bijzonder ontroerend. In de eindscène een langdurige close up van Hirayama, waarbij onder Feelin’ Good van Nina Simone alle emoties op zijn gezicht voorbijkomen. Wenders laat ons met een poëtische blik naar het alledaagse kijken en het wonderschone ervan zien, ervaren zelfs, en maakt hiermee zijn beste film in dertig jaar. Natuurlijk refereert hij aan Ozu maar dat maakt zijn ode aan de schoonheid van de eenvoud en van dat ene moment dat voorbijgaat en voor eeuwig weg is, niet minder persoonlijk. Ook de kijker, in elk geval ik, herken veel in Hirayama’s blik op de wereld en zijn innerlijke strijd; soms lijkt het bijna alsof ik het scenario geschreven heb. PERFECT DAYS is een (bijna) perfecte film.
Toen ik een paar dagen geleden SHADOWS (1959) van John Cassavetes (zie aldaar) zag moest ik denken aan een Amerikaans debuut van twintig jaar later, PERMANENT VACATION (1980) van Jim Jarmusch, en ik zag veel overeenkomsten, maar ook grote verschillen. Hoog tijd dus om die film in de dvd-la te schuiven. Beide regisseurs zijn boegbeelden van de Amerikaanse onafhankelijke cinema en zeer invloedrijk op wat erna komt (Cassavetes wat meer dan Jarmusch), en beiden lopen vooruit op de tijdgeest: Cassavetes bijvoorbeeld omdat hij racisme aan de kaak stelde toen niemand dat nog deed. Terwijl Cassavetes een vitale wereld laat zien waar de personages voortdurend in interactie met elkaar zijn en een doel hebben in het leven, toont Jarmusch ons een wereld in verval, de lower east side van Manhattan, die bijna apocalyptisch aandoet. Het hoofdpersonage Allie (Chris Parker) dwaalt dag en nacht door de straten, vaak verlaten, tussen afbraakgebouwen en ruïnes, en heeft er verscheidene vluchtige en vaak bizarre ontmoetingen met outcasts, onder wie een straatsaxofonist (John Lurie). Hij is alleen, al heeft hij een vriendin, en heeft geen doel. Hij noemt zichzelf een toerist op permanente vakantie. Hoewel er niet al te best geacteerd wordt (maar wel fantastisch gedanst door Parker) maakt de film grote indruk en geeft de malaise van de nieuwe jonge generatie, later met recht de verloren generatie genoemd, nauwkeurig weer. Ik weet dat, ik was er 1 van, en de film blies mij indertijd van de stoel. Nog een overeenkomst tussen beide films: ze hebben allebei een ijzersterke soundtrack, bij PERMANENT VACATION een gamelanachtige compositie van Jarmusch zelf, soms gelardeerd met de altsax van Lurie.
Ik heb LE PETIT CRIMINEL van Jacques Doillon voor het eerst gezien in de tijd dat hij uitkwam, begin jaren 90. Dat is 30 jaar geleden, dus nu ik de kans heb hem weer eens te zien grijp ik hem met beide handen aan. Marc is een stuurse impulsieve puber die bij zijn alcoholistische moeder woont. Hij is recalcitrant, pleegt kleine diefstallen en spijbelt van school. Dan komt hij erachter dat hij een oudere zus heeft. Hij gaat op zoek naar haar. Met het pistool dat hij van zijn stiefvader gejat heeft en met reisgeld buitgemaakt bij de beroving van een drogist. Een agent (Richard Anconina) heeft hem door maar Marc weet de agent te dwingen samen op zoek te gaan naar de zus. Want Marc is geen crimineel, wil helemaal geen crimineel zijn, maar is wanhopig op zoek naar genegenheid en wil serieus genomen worden, waarbij hij stommiteiten begaat zoals het schieten op een agent, die zich, zoals de zus later opmerkt, meer als een sociaal werker gedraagt dan als politieagent. Met zijn drieën proberen ze voornamelijk rondrijdend in de auto een uitweg uit de situatie te vinden, waarbij de agent zijn eer kan behouden, Marc ermee weg komt en zus Nathalie haar pas ontdekte broer kan geven wat hij nodig heeft.
Als Jacques Doillon iets is dan is het een excellente regisseur van kinderen. Denk aan LE JEUNE WERTHER, PETITS FRÈRES en PONETTE. Ook met zijn eigen dochter Lou (die sprekend op haar moeder Jane Birkin lijkt) heeft hij films gemaakt. Ook in deze film valt het volstrekt naturelle acteren op van de debuterende jongelingen Gérard Thomassin en Clotilde Courau wat maakt dat je hen ondanks hun wispelturige en soms onmogelijke gedrag in je hart sluit.
Hoewel de Franse film LE PETIT VOLEUR van Erick Zonca slechts 65 minuten duurt is het een heel intense, sterke film over een jongen die zijn uitzichtloze bestaan ontvlucht door zich aan te sluiten bij een bende criminelen. Hoe zeer hij ook zijn best doet om ruig, gevoelloos, meedogenloos te zijn, uiteindelijk moet hij, door schade en schande wijzer geworden, voor zichzelf erkennen dat hij een goed hart heeft. Goed spel van Nicolas Duvauchelle, die hierna een bekende verschijning is gaan worden in de Franse cinema.
In de Franse film PETITE CHÉRIE uit 2000 van Anna Villavèque krijgt een muurbloempje van 30 eindelijk een vriend, een windbuil en uitvreter. Zijzelf en haar ouders zijn echter zo blij dat zij eindelijk iemand heeft gevonden, dat ze helemaal niet zien wat voor huftervlees ze in de kuip hebben. Het meisje wordt in al haar blinde en onvoorwaardelijke liefde zo getergd dat ze uiteindelijk gruwelijk wraak neemt. Op de verkeerde. Mooi gefotografeerde en gekadreerde, uiterst zwartgallige film.
Sasha is 8 jaar oud. Sinds ze kan praten zegt ze dat ze later, als ze groot is, een meisje wordt. Ze heeft echter het lichaam van een jongen. Haar ouders en haar broers en grote zus zijn vol liefde en accepteren haar zoals ze is. Alleen de leerkrachten op school en, later, als ze een nieuwe balletjuf krijgt, blijven haar stug zien als jongen en verbieden haar bijvoorbeeld jurkjes te dragen. Het verdriet in de ogen van Sasha is hartverscheurend. Je vraagt je serieus af wat dergelijke mensen mankeert, om zo harteloos en doelbewust het geluk van een klein meisje te dwarsbomen. Ook zien we gesprekken met de psychiater, die haar serieus neemt en haar gereedschap geeft om met haar realiteit om te gaan en zich te wapenen. Op het einde zegt de moeder, ik parafraseer, dat ze vaak denkt dat Sasha op de wereld is gezet om wat mensen denken te veranderen en zij er is om haar ermee te helpen. PETITE FILLE is een documentaire van Sébastien Lifshitz, die eerder met de speelfilm WILD SIDE al liet zien (zie aldaar) affiniteit met het onderwerp te hebben. Het is een bijzonder mooie, empathische, klein gehouden film geworden die iedereen die volhoudt dat de mensheid verdeeld is in mannen en vrouwen en verder niets, en ander transfoob volk, verplicht zou moeten worden te kijken, want pas dan krijgt de moeder gelijk en gaat men misschien accepteren dat er talloze grijstinten zijn tussen man en vrouw, varianten zeg maar. En Sasha, je bent tijdens het kijken zielsveel van het meisje gaan houden en hoopt dat ze haar geluk vindt.
Toen ik in 2008 LA NAISSANCE DES PIEUVRES (zie hier) gezien had schreef ik: Als dit een debuut is kunnen we nog heel veel verwachten van regisseur Céline Sciamma. Iedereen die PORTRAIT DE LA JEUNE FILLE EN FEU (zie een paar lemma's hieronder) gezien heeft weet dat ze die verwachting waarmaakt. Nu is er PETITE MAMAN, over Marion (Nina Meurisse) wier moeder gestorven is en die met man en Nelly, dochter van 8, het oude ouderlijke huis gaat leegmaken. Ze kan het niet aan en gaat weg, laat man en dochter achter. Nelly (Joséphine Sanz) struint wat door het bos achter het huis en ontmoet een meisje dat sprekend op haar lijkt en Marion heet (Gabrielle Sanz). Zonder dat er verder concrete aanwijzingen gegeven worden weten we meteen dat het haar eigen moeder is, op dezelfde leeftijd als Nelly en onder soortgelijke omstandigheden. Ze worden meteen beste vriendinnen en zo probeert Nelly de dood van haar zo geliefde oma (die ze nu leert kennen als de moeder van Marion) en het verdriet van haar moeder te verwerken. Nelly weet dat Marion haar moeder is en vertelt het haar. Marion accepteert het als een gegeven. En, nee, het is geen fantasie want ook de vader ziet Marion. Nelly vraagt Marion: “Ben ik gewild?” Marion antwoordt: “Ik denk nu al aan je.” Is het misschien niet alleen Nelly’s rouwproces? Is het misschien tegelijk ook het rouwproces van de moeder waar we getuige van zijn? De laatste scène, waarin Nelly haar moeder weer ziet, lijkt in die richting te wijzen. Via bijna terloopse handelingen en gesprekjes, liefdevol observerend, weet Sciamma ons maximaal te ontroeren en levert opnieuw een poëtisch pareltje af.
PETITE SOLANGE gaat over de dertienjarige Solange. Ze leeft in Nantes, samen met haar oudere broer, haar vader, die in een muziekinstrumentenwinkel werkt, en haar moeder, die toneelactrice is. Ze is intelligent en haar grote heldin is Greta Thunberg. In het begin wordt ze door haar vader geïntroduceerd als levendig en vrolijk, een beetje te, zelfs. Dan merkt ze dat de verstandhouding tussen haar ouders slechter en slechter wordt, iets wat ze tot dan toe niet voor mogelijk gehouden had. Ze worstelt ermee, weet niet hoe ermee om te gaan, en het beïnvloedt haar schoolprestaties, haar omgang met anderen en haar stemming. Dan is ze helemaal niet meer levendig en vrolijk, maar onzeker en teruggetrokken. De film is heel klein gehouden, vermijdt melodrama, gaat echt drama al helemaal uit de weg en concentreert zich helemaal op Solange, subliem vertolkt door Jade Springer. Een film als het echte leven, waarin ieder van ons die ooit dertien is geweest zich kan herkennen, ook als je ouders niet gescheiden zijn.
Hoewel de titel doet vermoeden dat het om een film in de geest van THE MAN WHO SOLD THE WORLD gaat is niets minder waar. LA PETITE VENDEUSE DE SOLEIL van Djibril Diop Mambéty uit 1998 is een Senegalese film over een gehandicapt meisje dat de krant genaamd Le Soleil verkoopt. Hartverwarmend. Alle spelers zijn straatkinderen in Dakar. Onwillekeurig ga je je toch afvragen hoe het nu met titelrolspeelster Lissa Balera gaat. Ik vond recente foto's van haar en het gaat zo te zien goed met haar, hoewel ze nog steeds op krukken loopt.
Voor LES PETITS FRÈRES koos Jacques Doillon zo ongeveer dezelfde opzet als eerder in LE JEUNE WERTHER. Nu centreert het verhaal zich rond een meisje dat van huis wegloopt met haar pitbull en in de banlieues onderdak vindt. Daar wordt haar hond gestolen en verkocht. Een van de dieven wordt echter verliefd op haar en probeert van alles om haar voor zich te winnen. Door de amateurcast prachtig levensecht geacteerd in een subliem gechoreografeerd (zo moet je Doillons stijl wel omschrijven) juweeltje.
Kom bij vrienden met een stapeltje dvd’s en laat hen dan kiezen welke film(s) we die avond kijken. Dat doen we wel vaker. Deze keer was eerst US van Jordan Peele aan de beurt (beschrijving van deze film staat elders op deze site, heb er na deze keer zien niets aan toe te voegen), daarna wilden ze voor something completely different gaan en dat werd THE PETRIFIED FOREST uit 1936, van Archie L. Mayo en met Leslie Howard, Bette Davis en de eerste belangrijke rol van Humphrey Bogart. Deze film was in mijn gedachtes blijven hangen na het zien van de er enigszins door geïnspireerde Hongaarse film KÚT een week of wat geleden (ook op deze site te vinden). Ergens in een afgelegen tankstation in de woestijn van Arizona droomt de jonge serveerster Gabrielle (Davis) van een romantisch leven in Frankrijk en leest intussen Franse poëzie. De gedesillusioneerde en levensmoede Engelse intellectueel Alan (Howard) trekt liftend door Amerika en komt hier terecht. Ze vallen meteen voor elkaar. Maar dan arriveert de door de politie opgejaagde misdadiger en moordenaar Duke Mantee (Bogart) en zijn bende en gijzelt de aanwezigen. Dat de film oorspronkelijk een toneelstuk was is goed te zien: de hele film speelt zich voornamelijk op een en dezelfde plek af, er is geen soundtrack en de film wordt gedreven door dialoog. Het acteerwerk is, zeker als je de film meteen na een recente film kijkt zoals wij dus, erg ouderwets maar wel uitstekend. Howard zorgde ervoor dat Bogart en niet Edward G. Robinson de rol van Duke Mantee kreeg, net zoals eerder op Broadway, en het werd Bogeys doorbraak als filmster. Howard en Bogart werden vrienden voor het leven. Bogey en Lauren Bacall noemde zelfs hun dochter naar hem (Leslie Howard Bogart). Overigens zou Robinson twaalf jaar later een herkansing krijgen in KEY LARGO (zie daar), een met THE PETRIFIED FOREST vergelijkbaar verhaal, waarin hij de misdadiger op de vlucht mag spelen en Bogart de rol van held op zich neemt. In THE PETRIFIED FOREST zit overigens geen held. Hoe vaak al gezien, de film blijft een genot om te kijken.
Een paar jaar nadat een hautaine vrouw uit de hogere klasse (Katherine Hepburn) haar eveneens welgestelde echtgenoot (Cary Grant) uit huis heeft gegooid gaat ze trouwen met een arbeider die zich heeft opgewerkt tot fabrieksdirecteur (John Howard, eigenlijk vanaf het begin al kansloos). De ex weet middels een trucje zichzelf en een reporter (James Stewart) en fotografe (Ruth Hussey) de dag voor het huwelijk het huis binnen te loodsen. THE PHILADELPHIA STORY (1940) van George Cukor, destijds in Nederland uitgebracht als DE BRONZEN GODIN, is een screwball van het allerhoogste niveau. Een spervuur aan nooit stoppende dialogen vol pit, venijn, sarcasme. Later in de film wordt iets gas teruggenomen en wordt de personages meer diepgang gegeven. Met name Hepburn wordt gedwongen zichzelf onder de loep te nemen. Ruth Hussey en Virginia Weidler (als Hepburns jonge zusje) excelleren met hun vaak pijnlijke, de spijker op de kop slaande observaties, maar James Stewart steelt de show als de reporter tegen wil en dank, die eigenlijk een schrijver wil zijn van poëtische korte verhalen, en zich ontpopt als derde mededinger naar Hepburns hand. Hij kreeg er dan ook een Oscar voor (net als Donald Ogden Stewart voor het scenario).
PICCOLO ORRORI van Tonino de Bernardi uit 1994 zijn allemaal kleine horrorachtige verhaaltjes, zoals de titel al zegt, met bijna altijd een vrouw in de hoofdrol (in drie verhaaltjes Iaia Forte). De afzonderlijke verhaaltjes, zoals over een ballerina in een rolstoel of een vrouw die in haar onder water lopende keuken staat en denkt aan Ophelia en aan verdrinken, zijn wisselend van kwaliteit, soms vervelend, andere heel mooi, breekbaar bijna en pure poëzie, maar altijd meer kunst dan verhalende film.
In LA PIEL QUE HABITO uit 2011 van Pedro Almodóvar herken je, behalve de typische en uit duizenden herkenbare elementen zo eigen aan de regisseur, films als LES YEUX SANS VISAGE van Georges Franju, THE AWFUL DR. ORLOF van Jess Franco, de films van David Cronenberg en zelfs wat VERTIGO (Hitchcock). Met vaste kracht de onlangs overleden Marisa Paredes en Almodóvars alter ego Antonio Banderas maakt hij een film over een briljante maar op het psychopathische af geobsedeerde chirurg. Hij doet dat echter op uiterst klinische wijze en hoewel de oorspronkelijke motivatie alleszins begrijpelijk is ontbreekt verder ieder spoor van interne logica in wat hij vervolgens doet. In veel goedkope en oude horrorfilms kun je vaak ook vraagtekens plaatsen bij de motieven van de krankzinnige wetenschapper, maar daar maakt het onderdeel uit van de charme van die films, maar dit is een andere categorie, dit is niet eens horror maar een filmisch onderzoek naar obsessie en andere stokpaardjes van de regisseur, en Almodóvar is een gerenommeerde regisseur die het verder weer niet kan nalaten enkele karikaturale personages in de film te laten rondrennen, inderdaad, vroeger, toen hij regisseur was van extravagante goedkope films, een verademing, nu alleen maar vermoeiend.
Kom in een winkel, zegt de vrouw achter de kassa tegen mij: "U lijkt precies op mijn vorige baas." Ik antwoord: "Misschien ben ik hem wel." "Nee," zegt ze, "hij heeft in februari zichzelf van het leven beroofd." Ik moest meteen denken aan het verhaaltje dat Jean-Luc Godard in PIERROT LE FOU Belmondo laat vertellen, over de man die zijn evenbeeld ontmoette en vast van plan was die te vermoorden. Toen dat uiteindelijk gelukt was kwam hij erachter dat hij niet zijn evenbeeld had vermoord maar zichzelf. Dat dit in het geval van haar baas misschien ook zo gebeurd is, heb ik haar maar niet verteld. Kenners van mijn oeuvre weten wel dat ik dat Godard-verhaaltje als motto voor mijn boek Het Ingehaalde Heden Op Ramkoers heb gebruikt. En diezelfde kenners weten ook dat dit de essentie vormt van mijn verhaal Het Huisje Aan Het Meer uit de bundel Denken Dat Het Weer Licht Wordt.
PIERROT LE FOU uit 1965 van Jean-Luc Godard, met Jean-Paul Belmondo en de onlangs overleden Anna Karina, staat ex aequo op 11 in mijn lijst met beste films. Misdaadfilm, existentieel drama, analyse van de mislukking van zijn eigen huwelijk met Anna Karina, en komedie in 1, volgens de toen nog net niet onnavolgbare logica van de grootmeester.
Haar vader is een pooier in de Bronx en zelf assisteert ze hem als een soort manager sinds ze 10 is. Voor Wednesday (Keke Palmer), door iedereen Wens genoemd, is het gewoon bizniz. Haar hart gaat naar haar overbuurmeisje Nikki (Haley Ramm), en dat is wederzijds. Wanneer haar vader overlijdt, neemt ze de zorg over voor haar junkie-moeder (Aunjanue Ellis), en ze neemt de hele zaak van haar vader over en wordt ze een volbloed pooier. Ze is een zelfverzekerde, gedreven en harde zakenvrouw, haar zachte empathische kant bewaart ze voor twee vrienden, voor haar moeder en voor Nikki. Ze droomt van een zorgeloos leven met Nikki. Maar de zaken gaan slecht. Nikki biedt aan om ook voor haar te gaan werken, maar privé en zakelijk mengen niet goed, zeker niet in een bedrijfstak als deze. Dat wordt duidelijk als Wens de zeer professionele en bloedmooie stripper Destiny (Vanessa Morgan) inlijft. Bovendien beschouwt de psychopathische pooier Kenny (Edi Gathegi) Destiny als zijn eigendom. PIMP uit 2018 van Christine Crokos is een rauwe, gewelddadige en harde film met slechts weinig momenten van compassie. Dat Lee Daniels als producer bij de film betrokken was verbaast niet, de toon en sfeer en het geschetste milieu van de film komen overeen met zijn ijzersterke PRECIOUS van een aantal jaar ervoor. Aunjanue Ellis speelt sterk, zoals eigenlijk altijd, maar Keke Palmer zet als spichtig meisje van net éénzestig een opvallend sterke hoofdrol neer en je leeft met haar mee in het najagen van haar droom in een meedogenloze omgeving.
Meteen na de dood van de gerenommeerde Duitse choreograaf Pina Bausch in 2009 begon Wim Wenders aan PINA, een film over haar, waarin haar werk centraal staat en grote delen van haar choreografieën uitgevoerd worden (ik herkende Frühlingsopfer en Café Müller van heel lang geleden), afgewisseld met korte overpeinzingen van haar dansers over haar, hun relatie en de inhoud van haar werk, ooit door een criticus “een pornografie van pijn” genoemd, en met archiefopnames. Ik weet niets van dans, maar ik kijk er graag naar. Het gaat mij meer om de beweging in de ruimte en de beweging an sich en niet zozeer om de betekenis, want ik ken de grammatica niet en wil niet gaan nadenken en betekenis zoeken, dat leidt maar af. Ergens in mijn onderbewuste zal ik de betekenis wel aanvoelen, en als niet, dan blijft er genoeg esthetisch te genieten over. Wenders stelt zich op in dienst van de dans maar is genoeg cineast om zich niet te beperken tot een registratie, hij laat de camera bijna onderdeel zijn van de dans. Het levert een bijzonder mooie film op, een waar en oprecht eerbetoon aan Bausch.
Frappant toeval: terwijl ik PINA aan het kijken was ontving ik een bericht van Venus Williams met als onderwerp: Let’s dance into the weekend. In het bijgevoegde filmpje staat ze op de tennisbaan voorafgaand aan een wedstrijd te dansen.
THE PINK PANTHER uit 1963 van Blake Edwards is een misdaadkomedie over een kostbare diamant, genaamd pink panther, en in het bezit van de exotische prinses Dala (Claudia Cardinale). De ongrijpbare meesterdief the Phantom heeft er zijn oog op laten vallen. Dat de onberispelijke vrouwenversierder sir Charles Lytton (David Niven) schuilgaat achter The Phantom weet niemand, behalve Simone (Capucine), die getrouwd is met de onhandige inspecteur Clouseau (Peter Sellers) maar samenspant met the Phantom. THE PINK PANTHER is een nogal banale film die de tand des tijds niet doorstaan heeft en iedereen speelt zo tongue-in-cheek dat het niet leuk meer is. Alleen Capucine maakt er nog wat van. En Sellers natuurlijk, die als inspecteur Clouseau de show zodanig steelt dat ze het personage gehouden hebben en een hele reeks films met hem zijn gaan maken, die gelukkig allemaal beter zijn, en grappiger. Zie ook A SHOT IN THE DARK.
In mijn oude vertrouwde papieren Speelfilmencyclopedie wordt THE PINK PANTHER STRIKES AGAIN van Blake Edwards uit 1976 de beste uit de hele serie genoemd. Daar ben ik het niet mee eens, voor mij is dat A SHOT IN THE DARK (zie aldaar) van meer dan tien jaar eerder, maar deze aflevering is zeker een leuke. Knettergek geworden door inspecteur Clouseaus onwaarschijnlijke gestuntel – en ermee wegkomen, is zijn baas commissaris Dreyfus (Herbert Lom) opgenomen in een inrichting. Hij ontsnapt en tuigt een bende van ‘s werelds grootste criminelen op om een professor te ontvoeren die een apparaat ontwikkeld heeft dat materie (gebouwen, steden, hele landen, mensen) kan laten verdwijnen. Hij zal het wapen gebruiken tenzij Clouseau vermoord wordt. The Pink Panther gaat James Bond. 26 landen zetten hun beste mensen op de zaak (in het Witte Huis zien we een Gerald Ford lookalike als president die geadviseerd wordt door iemand die sprekend op Kissinger lijkt) om Clouseau om te brengen. Natuurlijk falen ze allemaal en natuurlijk heeft Clouseau niets in de gaten. Peter Sellers heeft inmiddels vermommen aan zijn repertoire toegevoegd en zijn Franse accent heeft intussen groteske vormen aangenomen, maar ook worden veel grappen uit vorige afleveringen dunnetjes, en letterlijk, overgedaan. Lesley-Anne Down mag deze keer de vrouwelijke verleiding vertegenwoordigen, als de Russische agente Olga die bekeerd en overgelopen is door Clouseaus verfijnde kunst van het liefhebben (in werkelijkheid was haar minnaar een in het donker opererende Egyptische moordenaar).
LA PISCINE uit 1969 van Jacques Deray bekijk ik het liefst op een plakkerige avond met tropische temperaturen, maar een vriendin wilde deze kijken en waarom niet? Ook tijdens een wat frisse en regenachtige zomeravond krijg je het vanzelf warm tijdens het kijken. Het is een film van blikken. Begeerlijke, jaloerse, venijnige, vragende, twijfelende, beladen, minachtende, vriendelijke, hatende blikken. Ze worden onderling gewisseld tussen geliefden Jean-Paul (Alain Delon) en Marianne (Romy Schneider), zijn oude vriend en haar oude minnaar Harry (Maurice Ronet) en Harry’s dochter Penelope (Jane Birkin). In het begin, als Marianne en Jean-Paul nog alleen bivakkeren in een huis ergens bij Saint-Tropez, en dan vooral rond het zwembad, is alles paradijselijk. Voormalig geliefden in het echt Romy en Alain spatten van het scherm, de chemie tussen hen is er nog steeds. Dan bezoeken Harry en zijn dochter hen en al meteen lopen de onderlinge spanningen op, hoger en hoger. Er wordt voornamelijk geacteerd via die blikken, waarin alle vier excelleren en Delon nog een beetje meer, en dat levert een erg spannende film op, waar je hart sneller van gaat kloppen. En dat klopte al zo snel vanwege de aanwezigheid van Romy Schneider, in deze film mooier en sensueler dan ooit. Birkin speelt hier een 18-jarige bakvis maar was in werkelijkheid 5 jaar ouder, al getrouwd geweest (met filmcomponist John Barry) en gescheiden, en moeder van dochter Kate.
De meester van de goedkope B-film Roger Corman had voor zijn Edgar Allan Poe verfilmingen een veel groter budget tot zijn beschikking en dat is er ook aan af te zien. Neem THE PIT AND THE PENDULUM uit 1961. Een goed opgezette gothic horror over Frances Barnard (Johnn Kerr) die in de 16e eeuw vanuit Engeland naar Spanje overkomt om zijn dode zus Elisabeth (Barbara Steele) te betreuren. Hij wordt opgevangen door Catherine (Luana Anders), de zus van de weduwnaar Nicholas (Vincent Price). In de kelder van het kasteel bevindt zich een martelkamer, nog gebruikt door hun vader, die werkte voor de Spaanse Inquisitie maar daar ook zijn overspelige vrouw levend inmetselde, waarvan Nicholas als kind getuige was. Al snel lijkt het alsof Elisabeth door het huis begint te spoken; de enge onverklaarbare gebeurtenissen jagen iedereen de stuipen op het lijf, allereerst Christopher, die indachtig zijn jeugdtrauma denkt dat zijn vrouw misschien voordat ze echt dood was begraven is. Alles klopt aan THE PIT AND THE PENDULUM, misschien afgezien van het af en toe wat overdreven acteerwerk (vooral Price), maar ook dat hoort bij het genre en de tijd waarin de film is gemaakt. De muziek van Les Baxter is inventief, de sets zien er geweldig uit en worden inventief en zorgvuldig gekadreerd in beeld gebracht, het kleurgebruik is subliem en er wordt gebruik gemaakt van vervormende lenzen, van monochromie, van vloeistofdiaprojecties, jaren voordat het psychedelische tijdperk uitbrak van bands als (The) Pink Floyd en Jefferson Airplane.; zelfs voordat Henri-George Clouzot met (het nooit afgemaakte) L’ENFER in 1964 de “eerste psychedelische film” wilde realiseren. De montage is doeltreffend en verhoogt de spanning aanzienlijk, wat zich vooral uitbetaalt in de eindscène, waaraan de film (en Poe's verhaal) zijn titel ontleent (zie foto). Kortom, een meesterlijke film.
Mijn honger naar kannibalisme was na TROUBLE EVERYDAY (zie aldaar) blijkbaar nog niet gestild, dus ging ik tijdens het IFFR 2002 ook naar de Duitse film PLANET DER KANNIBALEN van Hans-Christoph Blumenberg. Over 20 jaar op tv: Hannibal Lecter als de Duitse Ron Brandsteder die vragen van kijkers beantwoordt. Een satire op tv-spelletjes die beschamend slecht is. Een beetje gemodelleerd naar de Amerikaanse s.f. uit de jaren vijftig, maar slaat de plank totaal mis. Is zelfs niet leuk als camp. Wat een knulligheid en zonde van de tijd.
De tijden dat hij gelauwerd werd lagen alweer ver achter hem en de meesten hadden hem al afgeschreven, toen Robert Altman, regisseur van eigenzinnige films als M*A*S*H*, NASHVILLE, McCABE & MRS MILLER, THE LONG GOODBYE (zie aldaar) en 3 WOMEN, in 1992 opeens met THE PLAYER kwam en weer top of the bill werd, overigens volkomen terecht. Zoals vaak bij zijn films ook deze keer een satirische insidersblik in een microgemeenschap, deze keer Hollywood. De film opent met een grandioos 8 minuten durend ononderbroken shot, waarbij de camera zwerft van kantoor naar een gezelschapje buiten naar weer een kantoor enz, telkens flarden van conversatie oppikkend, duidelijk geïnspireerd op de openingsscène van Orson Welles’ TOUCH OF EVIL, die in een van de onderonsjes ook genoemd wordt, twee keer zelfs. Producent bij een grote studio Griffin Mill (Tim Robbins), wiens baan op de tocht lijkt te staan, krijgt dreigansichtkaarten van een anonieme maar door hem niet goed behandelde scenarioschrijver. Hij denkt te weten wie het is, zoekt deze Kahane (Vincent D’Onofrio) op, een handgemeen volgt en Kahane komt daarbij om het leven. Hij verdoezelt dat, maar bij de politie (Whoopie Goldberg en Lyle Lovett) valt al meteen de verdenking op hem. Mill papt aan met weduwe June (Greta Scacchi, ook in het echt toen getrouwd met D’Onofio), een schilder van IJslandse komaf. De tot dan toe wat slappe Mill ontpopt zich nu als een machiavellist. Altman legt met de film de mechanismes en de cynische machtsspelletjes van Hollywoods studiosysteem bloot, waar idealisten het altijd afleggen tegen de haviken, en hij doet dat zonder te vervallen in al te gemakkelijke gemeenplaatsen. De film staat bol van filmreferenties en behalve de al zeer uitgebreide sterrencast verschijnen er minstens vijftig sterren die zichzelf spelen, daarbij zichzelf en hun reputatie niet sparend. Altman was terug (van nooit echt weggeweest) en hij bleef.
In PLAYTIME verbaast Jacques Tati’s alter ego Monsieur Hulot zich anno 1967 over de moderniteit, die in onze ogen natuurlijk compleet achterhaald en hopeloos ouderwets is. Dat neemt niet weg dat de film nog steeds een genot is om naar te kijken en extreem grappig. De film staat bol van de grappen: situationeel, absurd, visueel, auditief, slapstick, repetitief. Ook lopen er een paar nep-Hulots rond die voor de nodige verwarring zorgen. Er gebeurt zo veel tegelijkertijd in beeld en het leukste vindt misschien wel plaats ergens in de marge van het beeld op de achtergrond, dat je niet weet waar je moet kijken. Chaos alom. Tel daarbij op Hulots gestuntel en zijn onhandige en unieke motoriek en je hebt een van de leukste komedies aller tijden, die wel misschien net iets te lang duurt.
Ik heb genoeg filmkijkervaring om bij de voice over aan het begin van THE POISON ROSE meteen te weten dat dit een ondermaatse poging wordt om een film noir te maken in de geest van Raymond Chandler, maar goed, het genre en de cast doen me besluiten om verder te kijken. Het is zo’n film waarbij je voortdurend het idee hebt dat je hem al gezien hebt en toen ook al teleurgesteld was. John Travolta laat eens te meer zien dat hij helemaal niet zo’n goede acteur is, Morgan Freeman speelt op de automatische piloot, alleen aan Peter Stormare en vooral Brendan Fraser is enig acteerplezier te beleven. En dan Famke Janssen. Ik zag haar altijd graag spelen, maar tegen-woordig ziet ze er uit alsof ze direct uit een 3D-printer komt en dat doet pijn.
POLA X van Léos Carax is Cinema van de grote gebaren en allesverzengende hoogromantiek. Een schrijver uit een zeer welgesteld milieu laat alles en iedereen achter om met zijn teruggevonden zus een armoedig kunstenaarsbestaan te leiden in Parijs. De lang verwachte opvolger van LES AMANTS DU PONT NEUF deed het zo slecht in Frankrijk dat hij na 1 week alleen nog in Parijs te zien was en de Nederlandse distributeur maar besloot hem niet aan te kopen. Daarom was de vertoning tijdens het IFFR 2000 een unieke ervaring. Dat maakt het nog geen goede film. Ondanks de aanwezigheid van Guillaume Depardieu, Catherine Deneuve & vooral Yekaterina Golubeva (en ook haar ex, regisseur Sharunas Bartas doet mee), toch wel mooie plaatjes en intrigerende scènes (je verveelt je geen moment), is het allemaal veel te vet en te voorspelbaar. En het raakte me geen moment.
De afdeling van de Parijse politie in POLISSE (2011) van Maïwenn Le Besco concentreert zich op zedenzaken waarbij minderjarigen betrokken zijn. De film gaat echter niet om de zaken zelf, geen enkele zaak waarmee ze te maken krijgen wordt uitgewerkt en ze blijven beperkt tot een enkele scène, maar gaat over hoe de agenten ermee omgaan, individueel en als groep. Ze vormen bijna een familie, de enige manier om alle ellende waarmee ze dagelijks geconfronteerd worden te kunnen verwerken: ze spelen spelletjes als pictionary, doen karaoke, bezuipen zich, slapen met elkaar. De film doet documentair aan, is chaotisch, vitaal, rommelig, intens, choquerend, aangrijpend en boeit de volle 2 uur. De meestal zeer schrijnende zaken die de revue passeren tekende Maïwenn op toen ze een half jaar stage liep bij zo’n afdeling van Zedenzaken en zijn dus niet verzonnen. Samen met Emmanuelle Bercot (die ook een van de agenten speelt) schreef ze vervolgens het scenario. Verder zien we Karin Viand, rapper JoeyStarr, Marina Foïs en Maïwenn zelf, terwijl Sandrine Kiberlain een bijrolletje heeft als moeder van wie de dochter door haar man misbruikt wordt. De kinderen, een voor een geweldig, hadden allemaal nog nooit voor de camera gestaan.
Op de foto een deel van het team, links Maïwenn, in het midden JoeyStarr en voor hem Emmanuelle Bercot, rechts Karin Viand.
Marianne Elliott (1957-2011) meet zich de naam Poly Styrene aan en begint X-Ray Spex, misschien wel de leukste en muzikaal gezien interessantste 1e generatie Engelse punkbands. Ze is hypergevoelig, creatief, intelligent, spiritueel, ontwapenend en bijzonder aardig. Misschien niet de beste eigenschappen als je je in de kringen van Johnny Rotten en Sid Vicious begeeft, zeker niet als je een bi-raciaal meisje bent in een wittemannenwereld. De docu POLY STYRENE: I AM A CLICHÉ, gemaakt door haar dochter Celeste Bell, laat daar een paar schrijnende voorbeelden van zien. Ze speelt in haar teksten en presentatie met de tegenstellingen tussen de echte en plastic wereld, en consumentisme. Als ze in New York komt voor optredens in CBGB’s beginnen voor haar die tegenstellingen overlap te vertonen en dat kan ze niet verwerken. Ook kan ze het niet aan dat iedereen haar opeens zo geweldig vindt en met haar dweept. Ze gaat op zoek naar de Marianne Elliott achter de persona Poly Styrene en raakt hopeloos in de knoop met zichzelf. Ze verblijft in psychiatrische inrichtingen en sluit zich aan bij Hare Krishna. Dochter Celeste Bell, in de steek gelaten door haar moeder zoals ze het zelf ervaart en vooral opgevoed door haar oma, neemt ons aan de hand van parafernalia mee met een zeer persoonlijke zoektocht naar wie haar moeder echt was, daarbij ondersteund door onder anderen Poly Styrene's zus, een oude schoolvriendin, haar ex-man (en vader van Celeste), ex-leden van X-Ray Spex, onder wie Lora Logic, saxofoniste in de beginperiode van de band, Pauline Black (The Selector) en Neneh Cherry (die door haar is gaan zingen). Op een gegeven moment krijgen moeder en dochter weer contact, is Marianne Elliott dankzij medicatie weer stabiel, en maken ze samen een plaat, maar al snel overlijdt het voormalig punkicoon aan kanker. Het is een bijzonder boeiende docu geworden voor iedereen die geïnteresseerd is in die tijd, maar het is vooral een erg ontroerend en persoonlijk document geworden over een zeer bijzondere vrouw van wie je onvermijdelijk bent gaan houden.
LE PORNOGRAPHE is een Frans-Canadese film uit 2001 van Bertrand Bonello, met Jean-Pierre Léaud, Jérémie Renier en Alice Houri. Hoe komt een regisseur die net dertig is erbij om een film te maken over een man in een midlifecrisis? En dan ook nog in die typische Franse zeurstijl waarvan we al een paar jaar verlost dachten te zijn. Het enige wat niet slap is aan deze film zijn de piemels.
Aan de hand van foto’s, archiefmateriaal en nagespeelde herinneringen vertelt de 93-jarige Portugese filmregisseur Manoel De Oliveira in PORTO DA MINHA INFÂNCIA uit 2001 over zijn jeugd in Porto. Mooi, grappig, ontroerend en melancholisch. Dezelfde herinneringen verwerkte hij in 1942 al tot speelfilm, zijn debuut ANIKI-BOBO. Hoe het allerindividueelste (je eigen jeugd-herinneringen) universeel blijkt te zijn. Iedereen zou zo’n film moeten maken. De Oliveira zou na deze, naast korte films, nog 9 volwaardige speelfilms regisseren! Hij was 107 toen hij in 2015 overleed.
De herinnering eraan is belangrijker dan de ervaring zelf. Deze observatie deed ik heel lang geleden en kwam ik eergisteren weer tegen. Nu voeg ik eraan toe: maar zonder de oorspronkelijke ervaring geen herinnering, dan wordt het fantasie. Frappant dat ik gisteren PORTRAIT DE LA JEUNE FILLE EN FEU van Céline Sciamma zag. In deze film wordt met een soortgelijke opmerking verwezen naar de mythe van Orpheus en Eurydikè, omdat Orpheus toen hij omkeek niet dacht als minnaar maar als dichter. De hele film is in wezen een verbeelding ervan. Dat wordt op zeer ingetogen wijze gedaan, afwisselend stug en intiem, met gevoel voor de kleinste details en met zeer precies acteerwerk. Een film waarin alles klopt, niet op een klinische wijze, integendeel: de hele film is gevoel, zonder ook maar een moment van sentimentaliteit. Met Noémie Merlant, Adèle Haenel en Luàna Bajrami en een gastrol voor Valeria Golino.
Wie Steven Spielberg, Meryl Streep en Tom Hanks zegt, zegt degelijk vakmanschap en onberispelijke kwaliteit. Maar van enige opwinding tijdens het kijken naar THE POST is geen sprake. Het verhaal is vergelijkbaar met ALL THE PRESIDENT’S MEN en gaat er chronologisch gezien meteen aan vooraf, waarbij de laatste scène als bruggetje dienst doet. Het komt mij allemaal nogal plichtmatig over. Het belangwekkende onderwerp had een enthousiastere verfilming verdiend.
Het familiegraf in haar geboortestad is vernield en daarom moet Cheryl (Clotilde Coutau, die ik eerder deze week nog in haar debuut LE PETIT CRIMINEL zag) erheen om wat zaakjes te regelen. Ze neemt haar vriend Gabriel (Jean-Pierre Darroussin), een wat groezelige amateur privédetective bijgenaamd Le Poulpe (de octopus), mee. De grafschenners leggen 1 voor 1 het loodje, voordat ze aan de tand gevoeld kunnen worden. Er blijkt een smerig zaakje gaande te zijn, waarbij een plaatselijke extreemrechtse politica, een succesvol zakenman en een schip dat voor mensenhandel gebruikt wordt, betrokken zijn. LE POULPE is een nogal rommelig verteld misdaadverhaal waarbij grof geweld niet geschuwd wordt, dat geforceerd komisch wil zijn en waaraan bizarre personages en situaties toegevoegd zijn om maar hip over te komen. Doet met andere woorden zijn best om cult te zijn (terwijl 'cult' nooit een vooropgezette bedoeling is maar een onvoorzien en toevallig gevolg, dus 'camp' zou hier beter op zijn plaats zijn). Vooral de moeite waard als je Coutau graag in haar blootje ziet. Of voor de muziek, want met een soundtrack van Alexander Balanescu en liedjes van oa Massive Attack, Pixies, Nick Cave.
Ik zag THE POWER OF THE DOG van Jane Campion al een hele tijd geleden en vond niks om over de film te schrijven. Nu de film twaalf Oscarnominaties heeft gekregen moet ik er misschien toch een paar woorden aan wijden. Laat ik vooropstellen dat de film goed gemaakt is, dat er uitstekend geacteerd wordt en dat de film tot in de kleinste details klopt. Maar het deed me niets. Ik zat erbij en keek ernaar. Nu is Campion al vaker verweten te afstandelijk te filmen, een kritiek die ze zich blijkbaar aantrok want als reactie maakte ze het broeierig-sensuele IN THE CUT. Het werd haar enige mislukking. Ik heb daarentegen altijd van haar films gehouden en zag de afstande-lijkheid als slechts een stijlmiddel met barstjes die als je ze vond een ingang bleken tot diepte. Dat werd letterlijk zo verbeeld op het affiche van PORTRAIT OF A LADY. Die barstjes zitten absoluut ook in deze film, alleen voel ik me niet uitgedaagd ze op te zoeken en me er een weg doorheen te wurmen. Dat kan te maken hebben met Benedict Cumberbatch, die te perfect is, zelfs in zijn imperfectie, zoals ik dat ook ervaar bij bijvoorbeeld Daniel Day Lewis. Ik vond het personage van Kirsten Dunst veel boeiender. Ik vond het acteerwerk van Kirsten Dunst veel boeiender.
De enige reden om naar de Spaanse film EL PRACTICANTE, deze week op netflix uitgebracht, te kijken is hoofdrolspeelster Déborah François. De film zelf is weliswaar strak verteld en je verveelt je geen moment, ook al omdat je je in het begin afvraagt waarom dat aardige meisje toch bij die nare ambulancemedewerker blijft, of hoe de man opeens aan een contact komt dat sterk doet denken aan Harvey Keitels rollen als Cleaner in PULP FICTION en POINT OF NO RETURN, maar er zit geen aanvaardbare psychologie achter. Die laatste blik van Déborah François, daar doe je het dan voor. Waard om er een hele matige film aan te laten voorafgaan? Misschien wel. Die blik zit trouwens ook in LA TOURNEUSE DE PAGES en dat is wel een erg goede film. Desolé, Déborah.
In PREMIER VOYAGE uit 1980 gaat de moeder van de zestienjarige Marie en haar vijfjarige broertje Vincent dood. Omdat een tante hen uit elkaar wil halen vluchten ze nog voor de begrafenis en trekken dwars door Frankrijk, op weg naar Antibes, waar hun vader woont. Op een gegeven moment krijgen ze een lift van een nare man die probeert Marie te verkrachten. Ze slaat hem van zich af en ze vluchten. Omdat de nare man weet waar ze heen gaan achtervolgt hij hen, en dat drijft de “plot” verder voort. Zoals wel vaker bij de films van regisseur Nadine Trintignant is het nogal een familie-aangelegenheid (zie ook DÉFENSE DE SAVOIR op deze site). Daar is niks op tegen, het geeft de film en de verhoudingen een vanzelf-sprekendheid die de film zijn charme geeft. De stuurse, eigenzinnige en ook zorgzame Marie wordt fantastisch gespeeld door Nadine’s dochter Marie Trintigant en de argeloze, speelse Vincent door Maries echte broertje Vincent. De keuze van het verhaal geeft me echter een vreemd gevoel. Hoewel ze het niet alleen deed schreef Nadine, de regisseur en echte moeder, wel mee aan het scenario. Wat voor een rare Freudiaanse gedachtekronkel speelt hier een rol? Niettemin, vooral door de twee kinderen (de rest van de cast is hopeloos cliché) en het landschap de moeite van het kijken waard. En iedere keer als ik een film met Marie Trintignant zie vervloek ik de klootzak die haar heeft vermoord. Inmiddels heeft Nadine de docu over Marie voltooid: Tes Rêves Brisés. Hopelijk snel ergens te zien.
Fotograaf E.J. Bellocq werd bekend door de foto’s die hij ruim een eeuw geleden maakte in Storyville, de rosse buurt van New Orleans. Toen Louis Malle in 1977 een film over hem maakte concentreerde hij zich op één luxe bordeel, compleet met bar, lounge, danszaal en vaste huispianist, waar de senator vaste bezoeker was, op de prostitué Hattie (Susan Sarandon) en vooral op haar 12-jarige dochter Violet (Brooke Shields) en noemde de door Polly Platt geschreven en medegeproduceerde film PRETTY BABY. Sven Nykvist deed de camera en Keith Carradine speelde Bellocq. Een kind dat opgroeit in een hoerenhuis en als ze oud genoeg is (12, dus) in een veiling met de hoogste bieder meegaat als haar carrièrestart, dat is een controversieel onderwerp en de beschuldigingen van kinderporno waren dan ook niet van de lucht in die tijd. In veel landen werd de film zelfs verboden. Hoewel juist de scène die ik noemde misselijkmakend genoemd kan worden, op inhoudelijke grond, registreert Malle slechts de zeden van die tijd en houdt zich verre, zeer verre van het exploiteren van het kindsterretje dat Shields toen was. Shields speelt met verve het vroegwijze en vroegrijpe meisje dat zich enerzijds de manieren aanleert die ze bij de meisjes in huis ziet, en dan vooral haar moeder imiteert, maar ook nog maar een kind is en dolblij als ze een pop krijgt van Bellocq, die natuurlijk verliefd op haar wordt. Zelf zegt Shields dat het spannendste van alle opnames niet het moment was waarop ze slechts gekleed in een string door het huis moest rennen maar of ze na het kussen van de veel oudere Carradine geen vies gezicht zou trekken, hoewel hij ook buiten de set een heel aardige zorgzame man was. Juist door Malles afstandelijke benadering is het eigenlijk een vrij tamme film geworden, hij registreert hoe het er toentertijd aan toe ging, een maatschappij waarin de suggestie van interraciale omgang met een leeftijdgenoot Violet stokslagen oplevert terwijl het prostitueren en huwen van een 12-jarige volkomen normaal gevonden wordt, en laat het oordeel over aan de kijker. Ook met Antonio Fargas als de huispianist en Barbara Steele als een van de bordeelbewoners.
Een fotograaf die zojuist compromitterende foto’s heeft genomen ontmoet in de trein een filmjournalist. Bij hen in de coupé voegt zich een aantrekkelijke jonge vrouw. De journalist gaat met de vrouw mee, de fotograaf wordt op de wc van het station vermoord. Langzaam wordt duidelijk dat die vrouw niet toevallig in die coupé is gaan zitten. PREUVE D’AMOUR is een film die op alle fronten de plank totaal mis slaat, en op momenten dat de plank per ongeluk wel wordt geraakt weet de spijker niet door het hout te dringen. Niet omdat het hout zo hard is maar omdat de spijker de substantie heeft aangenomen van de vindplaats: laag water. Een film om als het maar even kan te mijden.
In A PRICE ABOVE RUBIES van Boaz Yakin uit 1998 speelt Renée Zellweger een vrouw die zich niet op haar gemak voelt binnen het joods-orthodoxe milieu van New York. Ze probeert een eigen leven te leiden en neemt een baan, maar maakt zichzelf wel onmogelijk binnen de gemeenschap. Zellweger is totaal verkeerd gecast voor de hoofdrol. Bovendien is het vreselijk om een hele film lang tegen haar siliconenlippen aan te moeten kijken. Christopher Eccleston daarentegen is fenomenaal als haar godvrezende man in deze matige, vlakke film.
Richard Brown (Johnny Depp) geeft Engels op een universiteit. Hij heeft een haat-liefde verhouding met zijn vrouw (Rosemarie DeWitt); ze hebben een dochter (Odessa Young), een echt papa’s kindje en lesbisch. Richard krijgt te horen dat hij kanker heeft in een vergevorderd stadium en binnen een half jaar dood zal zijn. Hij vertelt het alleen zijn beste vriend en collega Peter (Danny Huston, die erg veel op zijn vader John begint te lijken). Hij besluit de rest van zijn leven ten volle te leven en stuurt al zijn studenten naar huis, behalve een select gezelschap in wie hij perspectief ziet (onder wie Zoey Deutch) en met wie hij op campus literatuur bespreekt, filosofeert, drinkt en blowt, en seks heeft. THE PROFESSOR (2018) is een komedie met een boodschap: pluk de dag. Goed te verteren, echt grappig op zijn tijd, scherp, en natuurlijk sentimenteel. Depp speelt de rol erg tongue-in-cheek en hoewel dat wel past binnen de film zou ik liever Sean Penn, aan wie ik de hele tijd moest denken, in de rol hebben gezien. Penn zou wel overtuigen als man die de dood in ogen kijkt, wat Depp maar niet voor elkaar krijgt. Bovendien, een andere film met een soortgelijk thema, MY LIFE WITHOUT ME (zie aldaar), met Sarah Polley, is totaal superieur aan deze film, die ook onder de titel RICHARD SAYS GOODBYE bekend is. Regisseur Wayne Roberts maakte hiervoor een film onder de titel KATIE SAYS GOODBYE, maar die is heel anders.
In PROJECTION PRIVÉE uit 1973 heeft filmregisseur Denis (Jean-Luc Bideau) een scenario geschreven dat handelt over zijn vrouw Marthe (Françoise Fabian), die toen ze ontdekte dat hij haar wilde verlaten voor Camille (Bulle Ogier) zelfmoord pleegde. Nu is hij getrouwd met Camille en staat op het punt het scenario te verfilmen met in de hoofdrol een bekende ster (opnieuw Fabian). Voor de rol van Camille, in de film Hélène geheten, kiest hij Kate (Jane Birkin), een vriendin van Camille. Hij vertelt hun echter niet dat het autobiografisch is. Huidige werkelijkheid en filmwerkelijkheid beginnen elkaar wederzijds te beïnvloeden en zelfs aan de historische werkelijkheid is en wordt gesleuteld. Met deze werkelijk sublieme cast wordt een film neergezet die een ware traktatie is, met muziek van Serge Gainsbourg en een liedje gezongen door Françoise Hardy. Het scenario had door mij geschreven kunnen zijn (serieus).
Hoe is het mogelijk dat elke dag opnieuw vrouwen verkracht worden en de mannen er zo vaak zo gemakkelijk mee wegkomen? PROMISING YOUNG WOMAN gaat alle argumenten een voor een af wanneer drop out studente (Carey Mulligan) degenen die betrokken waren bij de verkrachting van haar boezemvriendin en het onderzoek ernaar zeven jaar eerder, ermee confronteert. Aan de basis staat natuurlijk misogynie, zowel in de ideologische vorm als in de dagelijkse, banale realiteit. Verder heb je het maatschappelijke rechtssysteem, het sociale narratief, de wegkijkers, de meelopers, de ontkenners, de bagatelliseerders. Je moet, zo stelt de film, jezelf opofferen om gerechtigheid te krijgen. Of is het ultieme wraak? Hoewel niet altijd evenwichtig of logisch in de opbouw, nu eens een wraakfilm, even later een thriller, dan een sardonische komedie, niets beter dan een musicalscène inlassen om prille verliefdheid te illustreren, en vervolgens een niets en niemand ontziende analyse van hoe alles nu eenmaal werkt (tenzij je er wat aan doet), dwingt de film je wel om niet alleen de mechanismes achter eenieders gedrag maar ook jezelf onder de loep te nemen. Mulligan is als altijd uitstekend maar, op Alison Brie en Laverne Cox na, de cast om haar heen niet altijd even overtuigend. Hierna zou regisseur Emerald Fennell SALTBURN maken (zie aldaar).
Toen ik de serie Bates Motel gekeken had moest ik meteen PSYCHO van Hitchcock weer zien, om te vergelijken. De serie behandelt uitgebreid het leven van Norman Bates en zijn moeder vanaf het moment dat ze het motel gingen runnen tot aan, in het 5e en laatste seizoen, de gebeurtenissen die in de film aan bod komen. In feite is de hele serie een uitwerking en verbeelding van wat de psychiater in de film op het laatst, na met Norman gesproken te hebben, aan alle betrokkenen uitlegt. Wel haspelt de serie, spoiler alert!, de personages uit de film door elkaar. Rihanna heeft de rol van Marion Crane (Janet Leigh) uit de film, maar het is niet zij die tijdens het douchen met messteken om het leven wordt gebracht maar haar vriendje Sam Loomis (die in de film Norman Bates juist overmeestert en uitschakelt). Het is verder een uitstekende serie, met over de hele linie prima acteerwerk, zeker Freddie Highmore als Norman Bates is uitstekend en hij heeft aantoonbaar bestudeerd hoe Anthony Perkins in de Hitchcockfilm Norman Bates vertolkt. Vanzelfsprekend is de film met zijn 109 minuten veel compacter dan de ruim 37 uur die de serie in beslag neemt, en heeft de film slechts een paar personages, maar binnen die beperking is PSYCHO bijzonder effectief. Omdat ik de serie net achter de kiezen heb en PSYCHO zo iconisch is en al zo vaak door mij gezien, valt het niet mee om met frisse ogen te kijken, te doen alsof ik niet weet wie Norman Bates is en hoe de film verder gaat, of op zijn minst die informatie voor even naar de achtergrond te verbannen, maar ik denk dat het me redelijk goed gelukt is en ik zie hoe subtiel Perkins het personage Norman Bates gestalte geeft.
Op de bovenste foto Norman met Marion Crane in PSYCHO, op de onderste Norman met zijn moeder Norma (Vera Farmiga) in Bates Motel.
PUCCINI is een onconventionele biopic uit 1984 over de Italiaanse componist maar dat weet je al als je de regisseur kent. Tony Palmer is een Britse regisseur die vrijwel uitsluitend films en docu’s over muziek maakt. Beatles, Fairport Convention, Stravinsky, Mozart. Zijn bekendste film is het Zappa-vehikel 200 MOTELS. Bij PUCCINI concentreert hij zich op een bepaalde periode in de nadagen van de componist. Zijn grote werken zijn dan al geschreven. Giacomo Puccini is een bon vivant en een charmeur en een rokkenjager en componeert alleen als hij krap bij kas zit. Zijn vrouw beschuldigt hem ervan een verhouding te hebben met hun dienstmeisje. Dat klopt niet maar de schande en schaamte in dat kleine Italiaanse dorpje waar iedereen familie van elkaar is is zo groot dat het dienstmeisje zelfmoord pleegt. De film probeert verbanden te leggen tussen dit schandaal en zijn laatste opera Turandot. Palmer wisselt scènes uit Puccini’s leven af met repetities van een door Palmer zelf geregisseerde hedendaagse uitvoering van Turandot, waarbij met name naast de muziek ook de ontwikkeling van het decor bijzondere aandacht krijgt. De “historische” scènes zijn nu eens impressionistisch, dan weer realistisch, of vol-op-het-orgel dramatisch en worden voorzien van commentaar door oude notabelen uit het dorp als ware het een Grieks koor. Het is een dappere poging om via verschillende invalshoeken te werk te gaan en te ontsnappen aan een recht-toe-recht-aan vertelling maar dat is niet gelukt omdat de film nooit een eenheid wordt en te fragmentarisch blijft. Dat de film voor tv gemaakt is en niet op 35mm maar op video is opgenomen met een bedroevende beeldkwaliteit tot gevolg helpt ook niet. Pas op het laatst in de monoloog van Puccini’s vrouw Elvira vallen de stukken op hun plek en weet de film te raken.
LA PUNITION is een film die alleen in de jaren zeventig gemaakt kon worden. Zowel experimenteren als een arthouse benadering toepassen, pretenderen iets te vertellen te hebben, om niet meer dan een sexploitatiefilm te maken. Misogynie, sado-masochisme, geweld en seks, kritiek op de onderdanige rol van de vrouw en objectivering van de vrouw, allemaal tegelijkertijd. De dure prostitué Britt (Karin Schubert) wordt gestraft door haar pooier omdat ze niet gehoorzaam genoeg is. In een gigantische villa wordt ze naakt opgesloten in een grote kamer met niks behalve een spiraalbed zonder matras en een kast vol sm-spul, om daar het meer perverse deel van de clientèle te bedienen. De film begint met de moord op de pooier tijdens een decadent feest en daarna slaat Britt samen met de pooiers protegé, die een soort liefdevolle maar ook laffe verstandhouding met haar heeft opgebouwd, op de vlucht. In flash backs zien we wat gebeurd is, terwijl de moeder van de pooier een moordenaar op hen afstuurt. Het is een nogal onaangename film om naar te kijken. Is er een moraal? Ja, we verlangen er allemaal naar om gestraft te worden (zegt Britt zelf tegen het einde van de film). Met het kijken naar deze film heb ik hier mijn bijdrage aan geleverd, want de film kijken is een straf.
THE QUARRY van de Belgische filmmaker Marion Hänsel is een metaforische film die zich afspeelt in Zuid-Afrika. De film zit goed in elkaar en heeft ook buiten het thrillerverhaaltje veel te bieden: mooi camerawerk, ethische dilemma's die ertoe doen, een politieke laag. Een in potentie prachtige film die echter niet werkt omdat de personages niet uitgewerkt zijn, niet geloofwaardig, slechts stereotypes. Dat is jammer, want ik houd van Hänsels films.
Omdat de afgelopen jaren mijn Rotterdams Filmfestival altijd met zo ongeveer de slechtste film begon, dacht ik het dit jaar (2001) anders te doen en te beginnen met een door mij nog nooit geziene film van wat mij betreft een van de beste filmmakers, namelijk QUERELLE van Rainer Werner Fassbinder uit 1982, zijn allerlaatste. Viel dat effe tegen. Theatraal, kunstmatig en afstandelijk verteld. Ik geloof niet dat Fassbinder deze film zelf serieus heeft genomen. En anders dan Tarkovski’s OFFRET en John Hustons THE DEAD is deze film beslist geen bewust testament. Inmiddels ben ik, anno 2025, wel benieuwd wat ik er nu van zou vinden. Helaas, hoewel ik heel wat Fassbinders heb (27), zit deze er niet bij.
Om aan het quotum te voldoen heeft Netflix enorme pakketten oude Europese films opgekocht en op hun platform gegooid. Daar zit heel veel bagger tussen, maar ook interessant werk, vergeten regisseurs als Alain Jessua die best de moeite waard zijn, en absolute meester-werken als LES CHOSES DE LA VIE. En nu we het toch over Romy Schneider hebben, ik vond ook een van de weinige films die ik nog niet van haar gezien had, namelijk QUI? (in het Engels uitgebracht als THE SENSUOUS ASSASSIN), met Maurice Ronet, twee jaar eerder haar tegenspeler in LA PISCINE. Het zijn deze twee die de film de moeite waard maken, want regisseur Léonard Keigel (wie?) maakt er een potje van (om over de muziek maar te zwijgen). Wat had ik graag gewild dat Chabrol of Hitchcock met dit materiaal aan de slag was gegaan. Maar goed, zoals Merkus’ Filmregel nr. 1 luidt: Een film met Romy Schneider is een goede film. Hoe je het ook wendt of keert.
Kena is een beetje een tomboy. Ze voetbalt met de jongens en zit het liefst achterop de motor van de rasta Blacksta. Dan ziet ze de flashy en zelfverzekerde Ziki, die van veel betere komaf is, hoewel hun vaders het tegen elkaar opnemen bij de komende verkiezingen. Ze raken bevriend en worden verliefd op elkaar. Dat kan niet zomaar in Kenia, waar de homofobie er met de paplepel en door de kerk ingegoten wordt. Iedereen keert zich tegen hen, behalve Kena’s vader (en de jongen die als uitgesproken homo sowieso al het pispaaltje van de wijk is). RAFIKI van Wainuri Kahiu is een levendige, kleurrijke en, zoals zo vaak bij Afrikaanse films, maatschappelijk relevante film. Niet voor niets is de film in Kenia zelf verboden, want je zou meisjes maar op het idee brengen zelf na te denken en voor zichzelf op te komen en hun eigen vrije keuzes te maken. Er wordt in de film heel aardig geacteerd (dat is geen gegeven bij Afrikaanse films), met als uitschieter de schuchtere, ingetogen spelende en innemende debutant Samantha Mugatsia als Kena. Leuk weetje: de film heeft met Reinier Selen als coproducent ook een Venlose inbreng.
RAINS IN THE OCEAN (DOZHDI V OKEANE) van Victor Aristov en Yuri Mamin uit 1994 speelt zich af in het Rusland van rond 1900, op een luxe cruiseschip. Een meisje valt ervanaf en dobbert samen met een moordenaar en de agent die hem arresteerde rond op de oceaan, totdat ze op een vrachtschip stuiten. Niemand aan boord, wel heel veel wijn. Het blijft onduidelijk of de film de ontmaagdings-droom van een jong meisje is of de natte droom van een ranzige regisseur. Er heerst een vreemde sfeer en er vinden bizarre taferelen plaats.
RASHOMON van Akira Kurosawa staat op de gedeelde 11e plaats in mijn lijst met beste films allertijden. Mogelijk niet de eerste Aziatische film die ik zag (dat zou zomaar zo'n kung fu geval kunnen zijn waar de Venlose bioscoop gedurende de jaren 70 in grossierde), maar wel de eerste die een onuitwisbare indruk op me maakte. Na 45 jaar nog steeds niet uitgewist. Als ik hem weer eens kijk steekt dezelfde opwinding als toen ogenblikkelijk de kop op.
THE RATCATCHER was het debuut uit 1999 van de Schotse filmmaker Lynne Ramsay, die hierna MORVERN CALLAR en WE NEED TO TALK ABOUT KEVIN zal gaan maken. Een portret van een arbeidersbuurt in Glasgow door de ogen van een twaalfjarig jongetje. Je weet wel, vader aan de alcohol, pesterige zusjes, etterige buurtjongens, een meisje dat door de hele buurt misbruikt wordt. Hijzelf draagt het vreselijke geheim met zich mee dat door zijn schuld zijn buurjongen verdronken is. Maar alles is zo liefdevol, met humor en mededogen verfilmd dat de grimmigheid, het schrijnende van alles te dragen is. Ik sta er versteld van hoe een debuut zo in balans kan zijn, zo de juiste toon kan treffen. Knap!
Dr Vollin (Bela Lugosi) is behalve een briljant arts ook geobsedeerd door Edgar Allan Poe, de dood en folteringen. Hij identificeert zich met de raaf en in zijn kelder bevinden zich martelwerktuigen zoals beschreven in de boeken van Poe, waaronder the pit and the pendulum en de kamer waarvan de muren zich naar elkaar toe bewegen. Nadat hij het leven van Jean Thatcher (Irene Ware) gered heeft, dochter van een belangrijk rechter (Samuel S Hinds), wordt hij verliefd op haar en nadat de rechter dat geweigerd heeft omdat hij Vollin maar een eng mannetje vindt bedenkt Vollin een plan om wraak te nemen op de rechter en zich Jean alsnog toe te eigenen. Als instrument gebruikt hij de misdadiger Bateman (Boris Karloff), die hij aan de linkerkant van zijn gezicht mismaakt heeft om hem met de belofte de schade te herstellen in zijn macht te krijgen en houden. Maar bankrover en moordenaar Bateman heeft nog wel degelijk moreel besef. THE RAVEN (1935) van Lew Landers aka Louis Friedlander is een klassieke Universal horror die nog steeds erg genietbaar is. Opmerkelijk is het verschil tussen de twee horroriconen: terwijl Lugosi het moet hebben van zijn sinistere voorkomen en vertrouwt op overdreven theatraal acteren, speelt Karloff subtiel, is in staat achter zijn mismaakte gezicht voorzichtig te laten doorschemeren wat in hem omgaat, je ziet zijn morele worsteling. Ik heb het al eens eerder gesteld: Boris Karloff was een briljant acteur, die wat mij betreft niet onderdoet voor, pak ‘m beet, Brando of De Niro. Overigens heeft deze THE RAVEN inhoudelijk niets te doen met Roger Cormans gelijknamige film van dertig jaar later (zie direct hieronder), behalve natuurlijk de connectie met Poe, en het gegeven dat Karloff in beide films speelt, maar wel heel andere rollen.
Alsof Roger Corman na een paar erg sterke en serieuze Edgar Allan Poe-verfilmingen gemaakt te hebben dacht: Nu gooi ik het een keer over een heel andere boeg. Want THE RAVEN uit 1963 is een parodie op zijn eigen films, een grand guignol toetje, zo je wil. De twee tovenaars Craven en Scarabus (respectievelijk Vincent Price en Boris Karloff) leveren een gevecht op leven en dood om de titel van Grote Meester, terwijl Bedlo, de derde, met minder krachten gezegende tovenaar (Peter Lorre) in een raaf wordt veranderd. De goede tovenaars dochter Estelle Craven (Olive Sturgess), de zoon van Bedlo (Jack Nicholson) en de overspelige, door Craven betreurde en door Scarabus ingepikte Lenore (Hazel Court) kijken toe. Lorre is hilarisch als hij zijn toverspreuken uitroept, allemaal Latijnse uitspraken, zoals Veni, Vidi, Vici of Cave Canem (pas op voor de hond) of Ceterum Censeo Carthaginem Delendam Esse (overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden, de uitspraak waarmee Cato de Oude elke toespraak voor de Senaat afsloot). Toen de film af was bleek Corman Karloff nog een paar dagen onder contract te hebben en maakte hij met hem (en Nicholson) op dezelfde locatie nog een film: THE TERROR (zie aldaar). Hij schoot de scènes met Karloff (twee of drie) en toen bleek er nog steeds tijd te zijn om Karloff in te zetten om TARGETS te maken, het debuut van Cormans protégé Peter Bogdanovich. Karloff was zo onder de indruk van Bogdanovich’ script dat hij aanbood extra dagen eraan te werken zonder ervoor te hoeven worden betaald. Zie ook het lemma hierboven, over een heel andere THE RAVEN.
Ik zag REBECCA van Hitchcock toen ik nog een kind was. Daarna nooit meer. Ik heb hem wel eens willen vertonen in mijn filmhuis maar van de kopie die het Filmmuseum had ontbrak het begin. Nu is er een nieuwe verfilming. Het moge duidelijk zijn dat Ben Wheatly geen Hitchcock is, Lily James geen Joan Fontaine en Armie Hammer geen Laurence Olivier. Dat is zoiets als Giphart vergelijken met Goethe. Zelfs Kristin Scott Thomas schmiert dat het een lieve lust is. 50 jaar na het zien van de Hitchcockfilm heb ik er nog steeds herinne-ringen aan maar vreemd genoeg niet aan het tweede deel van de film; ze houden op bij het feest. Alleen de sprong van de klif herinnerde ik me nog, maar het was in mijn herinnering een ander personage. De nieuwe versie ben ik morgen weer vergeten. Niet meer dan tijdverdrijf. Daarom geen foto van de remake maar van het origineel.
Meteen na EAST OF EDEN speelde James Dean de hoofdrol in REBEL WITHOUT A CAUSE van Nicholas Ray. Daarin speelt hij een soortgelijk personage. Dean is er eigenlijk veel te oud voor maar hij speelt een heel stuk beter dan in zijn eersteling. Vooral in de eindscène in het planetarium, waarin hij Sal Mineo overhaalt zich over te geven, overtuigt hij. Maar die close up van Marietta Canty, haar desolate verdrietige blik wanneer ze ziet dat degene om wie zij als enige zich altijd bekommerd heeft dood is, beklijft het meest; in die ene blik zit een heel leven verscholen. Desondanks is EAST OF EDEN een veel betere en rijkere film.
RED RIVER (1948) was de eerste western van Howard Hawks en het debuut van Montgomery Clift als filmacteur. Dunson (John Wayne) eigent zich een stuk land toe in het noorden van Texas, net ten zuiden van de Red River, waar hij koeien wil gaan houden. Hij gaat het samen doen met Groot (Walter Brennan) en ze nemen al snel een wees op, Matt (als hij is opgegroeid gespeeld door Clift). Wanneer hij 24 jaar later een succesvol bedrijf met duizenden runderen heeft opgebouwd is het vee geen cent meer waard. Hij besluit de koeien naar Missouri te brengen en verzamelt een groep cowboys om zich heen. Onderweg lopen de spanningen snel op, dreiging van bandieten en indianen, onenigheid over de te volgen route en andere ontberingen, maar vooral vanwege het koppige en zelfs despotische optreden van Dunson. Wanneer hij twee deserteurs wil lynchen komen zelfs de trouwe Groot en de empathische Matt in opstand. Matt neemt de kudde over en Dunson wordt weggestuurd. Hij zweert wraak en zegt niet te rusten totdat hij Matt heeft vermoord. Op de set speelde zich hetzelfde conflict af als in de film: de macho-cultuur zoals verpersoonlijkt door Wayne en Hawks tegenover de bedachtzame zachtaardige aanpak van Clift, die door de anderen geminacht werd vanwege zijn gevoelige natuur. De sowieso al uitstekende film is nu dus actueler dan ooit. Er bestaan twee versies van de film: eentje met tussenteksten om het verhaal voort te stuwen en eentje die het via de voice over van Walter Brennan doet. Zelf prefereer ik de laatste versie.
De eerste films die ik zag van Jennifer Lawrence waren THE BURNING PLAIN en WINTER’S BONE. Samen met MOTHER! haar beste films tot nu toe, want haar keuze beperkt zich verder voorna-melijk tot vermakelijke pulp als X-MEN en THE HUNGER GAMES, hapklare brok waar nauwelijks acteertalent voor vereist is. Toen ik RED SPARROW ging kijken verwachtte ik niks anders en dat bleek al snel inderdaad zo te zijn: ze komt terecht in een soort Russische tegenhanger van SALON KITTY. Maar daarna wordt het iets interes-santer, waarbij ze ondersteund wordt door een hele serie goede en bekende acteurs en actrices. Te veel om op te noemen. En die Matthias Schoenaerts lijkt verdomd veel op Poetin. Wat me vooral bezighoudt: dat ze de ergste martelingen doorstaat begrijp ik nog wel, want ze was prima donna bij het Bolsjoi dus gewend fysiek te lijden om een hoger doel te bereiken, maar hoe kan een ballerina, die het er alleen maar om gaat dat haar zieke moeder goed verzorgd wordt, zich binnen de kortste keren ontwikkelen tot zo’n uitgekookte en manipu-latieve spionne? Niet erg geloofwaardig in een film die toch vooral realistisch wil overkomen. Daarover gesproken: in welke tijd speelt het zich af? Het lijkt het hoogtepunt van de Koude Oorlog, maar het is ook het heden, terwijl het gebruik van floppy disks nog een andere periode suggereert. Heb ik me alleen vermaakt vanwege Lawrence's pony omdat ik nu eenmaal graag een vrouw met een pony zie?
De vulkaanuitbarsting van 10 april 1815 op Sumbawa veroorzaakte in 1816 een ‘jaar zonder zomer’. Percy Shelley, zijn verloofde Mary Wollstonecraft Godwin en haar halfzus Claire bezochten toen Lord Byron en zijn dokter Polidori in Genève. Omdat het zo’n slecht weer was daagde Lord Byron iedereen uit het akeligst denkbare verhaal te verzinnen. Mary Shelley verzon Frankenstein en dokter Polidori kwam met Vampyre, waarvoor Lord Byron model stond en dat model zou staan voor Dracula. Deze bijeenkomst is onderwerp van verschil-lende films. In het weekend van 10 april 2021 leek het me een goed idee om de 2 films die ik erover heb te bekijken, gecombineerd met de Frankenstein-films van James Whale. Voor REMANDO AL VIENTO moesten de knoppen van mijn vhs-speler weer eens ingedrukt worden. Gelukkig was de band nog perfect in orde (dat is wel eens anders). Hoewel het bezoek aan Genève in het begin van REMANDO AL VIENTO zit wordt dat nauwelijks uitgewerkt. De film concentreert zich op Mary Shelleys schuldgevoel. Omdat haar moeder vlak na haar geboorte stierf raakt ze er sinds ze het Monster gecreëerd heeft van overtuigd dat ze daarmee een destructieve kracht in haar innerlijk ontketend heeft, die verantwoordelijk is voor alle sterf-gevallen in haar directe omgeving (en dat zijn er veel). Een zeer interessant uitgangspunt, dus. De uitwerking is uitstekend maar op de cast valt wel het een en ander aan te merken. Lizzy McInnerny heeft een te mooi en rond popperig gezicht voor Mary Shelley (hetzelfde geldt trouwens nog meer voor Natasha Richardson in GOTHIC, zie aldaar), Elisabeth Hurley lijkt op de echte Claire maar kan niet acteren en Hugh Grant als Lord Byron is een lachertje. Misschien speelt hierbij zijn latere imago als goedaardige en nerveuze stuntel met terugwerkende kracht een rol, want ik kan me niet herinneren dat ik dat bij eerder zien vond. Sterker nog, ik kon me niet eens herinneren dat Grant meespeelde. In elk geval, Hugh Grant als de duistere romanticus Lord Byron is totaal miscast.
In Frankrijk is LE REPOS DU GUERRIER van Roger Vadim uit 1962 de succesvolste Brigitte Bardot film. Ze speelt een rijke onafhan-kelijke vrouw die in de ban komt van een nihilist, gespeeld door Robert Hossein. Ze verandert haar leven radicaal en komt door hem in contact met jazz, poëzie en beeldhouwkunst, maar weet geen raad met zijn zelfdestructieve aard. Uiteindelijk blijkt zij sterker en breekt zij hem. Vadim probeert met de film de tijdsgeest te vangen en de film in een existentialistisch-filosofisch kader te plaatsen, maar het resultaat is langdradig en saai. De tijdsgeest voelde zich beter thuis bij Truffaut en Godard. De laatste zou meteen hierna met LE MÉPRIS de beste BB-film maken.
REPTILE legt de nadruk op camaraderie binnen de politie, het is zo goed als familie van elkaar. Daar doet de film erg denken aan COP LAND, maar deze keer is het niet een suffe sheriff die de knuppel in het hoenderhok gooit, maar iemand uit de inner circle. Het draait allemaal om rechercheur Benicio Del Toro, die de gruwelijke moord op de partner en vriendin van makelaar Justin Timberlake onderzoekt. Natuurlijk worden allerlei schimmige verdachten opgevoerd, voordat wat werkelijk aan de hand is langzaam aan het licht komt. Zo gaat dat in dergelijke films, maar het verhaal dat verteld wordt is niet het sterke punt van de film, niet eens waar het in deze film om gaat. Dat wordt duidelijk gemaakt door de bijna impressionistische benadering met dromerige sequenties en droomsequenties, het trage tempo, de alles behalve strakke vertelstijl, terwijl de film toch spannend is, mede dankzij een sterke, dreigende soundtrack met elektronische muziek. Mij beviel het wel. Zo probeer ik mijn detectiveverhalen ook te vertellen. Met een hoofdrol voor de uitstekende Del Toro, bijgestaan door, behalve Timberlake, Alicia Silverstone, Eric Bogosian, Michael Pitt, Ato Essandoh en Frances Fisher.
De vraag bij biopics over mensen van wie heel veel beeldmateriaal beschikbaar is en wier levenswandel bij het grote publiek overbekend is blijft: waarom geen documentaire met authentieke beelden? Aan inzicht in het leven van Aretha Franklin voegt RESPECT helemaal niets toe. Er is geen nieuwe invalshoek, geen uitgangspunt dat het beeld dat we van haar hebben op de kop zet en ons dwingt haar vanuit een ander perspectief te bekijken. Alleen het deel waarin ze voor het eerst in de Muscle Shoals studio komt en we ervan getuige zijn hoe ze een nondescript liedje omvormt tot haar grote hit I Never Loved A Man (The Way I Love You) heeft meerwaarde. Ware het niet dat Jennifer Hudson Aretha Franklin speelt. Je vergeet meteen dat je niet naar de echte zit te kijken en, hoewel haar stem toch echt anders is, als Hudson zingt denk je Aretha Franklin te horen. Briljante vertolking! Twee avonden achter elkaar een film met Jennifer Hudson mogen kijken is een waar voorrecht.
RIDE (JIZDA) van Jan Sverák is een Tsjechische roadmovie uit 1994. Twee jongens pikken onderweg een meisje op dat achterna gezeten wordt door haar agressieve vriend in een zwarte auto. De landerigheid, het plezier, het ins-blaue-hinein gezwam over kosmische zaken, de aandacht voor het detail: voor eenieder die weet wat stoned zijn is herkenbaar en goed getroffen. De drie in de film zijn dan ook voortdurend stoned. Op het laatst ontspoort de film nogal, voor de rest heel aardig.
Voor RIDE IN THE WHIRLWIND, zie: THE SHOOTING
Het lag natuurlijk wel in de lijn der verwachtingen, maar ik sprong toch een gaatje in de lucht toen tijdens Zomergasten met Alida Dors een fragment van RIZE voorbijkwam. Ik heb deze film tijdens mijn werkzame leven vaak gebruikt bij schoolvoorstellingen in het kader van cultuureducatie, omdat de film qua vorm en inhoud naar mijn mening goed aansloot bij wat ik dacht dat scholieren leuk zouden vinden en tegelijkertijd bij wat ik wilde vertellen. Die schoolvoorstellingen, waarbij ik soms ook een inleiding gaf en achteraf in gesprek ging met de scholieren, maar dat was altijd bij kortere films, want het moest natuurlijk wel altijd binnen het lesrooster vallen, hebben me wel een goed beeld gegeven van de verschillende schooltypes en schoolgemeenschappen. Het leukst was het VMBO, omdat ze daar niet schroomden hun zegje te doen en iedereen meedeed. Het ergste was altijd het VWO van het Blariacum want daar leken het allemaal wel hun vader napratende epigonen van Wilders, en dan kon het vertonen van RIZE nog een hele uitdaging zijn, laat staan een kortfilm als 11:59, met Nasrdin Dchar, die ik altijd gebruikte om te laten zien hoe je als kijker voortdurend gemanipuleerd wordt door de filmmaker. Regisseur Johan Kramer speelt daarin met vooroordelen en verwachtingspatronen. Maar goed, RIZE, een energieke, opwindende film met inhoud die opgenomen zou moeten worden in het schoolcurriculum.
In THE ROARING TWENTIES van Raoul Walsh uit 1939 komt Eddie Bartlett (James Cagney) terug als veteraan uit de Erste Wereldoorlog. Hij is afgedankt door de maatschappij en kan geen werk vinden. Hij besluit Jean (Priscilla Lane), het meisje dat hem een liefdesbrief naar het front had gestuurd, een bezoekje te brengen, maar zij blijkt nog op school te zitten. Zijn beste vriend Danny wil wel zijn taxi met hem delen en zo raakt hij betrokken in bootlegging. Al snel bouwt hij een imperium op, met als basis de speakeasy waar Panama Smith (Gladys George) werkt. De goudeerlijke Lloyd, die hij in de loopgraven heeft leren kennen, wordt naast Danny zijn rechterhand. Bij een overval op een schip vol met drank wordt hij bovendien herenigd met George (Humphrey Bogart), uit datzelfde loopgraf. Drie jaar later ziet hij Jean weer en wordt verliefd op haar. Hij doet alles voor haar, geeft haar werk en cadeautjes en de belofte om te trouwen zo gauw hij uit de misdaad stapt, maar heeft niet in de gaten dat Jean en Lloyd verliefd worden op elkaar. THE ROARING TWENTIES is een film rijk aan thema’s. Er is het maatschappelijk thema van terugkerende veteranen voor wie geen plek meer is, zoals overigens ook gebeurde na WOII, na Korea en na Vietnam, en het heeft een heleboel geweldige films opgeleverd (met als absoluut hoogtepunt THE BEST YEARS OF OUR LIVES). Er is de opkomst en ondergang van de gangs tijdens de drooglegging, we hebben de misdadiger tegen wil en dank en met een goed hart (Cagney) tegenover de meedogenloze gangster zonder hart (Bogart), en we hebben een tragisch verhaal over liefde die niet beantwoord wordt en die het hart van Panama Smith al lang geleden gebroken heeft, die haar lot gelaten aanvaardt en een trouwe vriendin van Eddy wordt, en op dit moment het hart breekt van Eddie Bartlett. Dat levert pijnlijke maar ontroerende scènes op. Een film om regelmatig opnieuw te bekijken, deze keer als laatste film van 2024.
HONG GAO LIANG is bij ons beter bekend als HET RODE KORENVELD, de debuutfilm van regisseur Zhang Yimou uit 1988 en de film die ons Gong Li schonk. Het eerste moment dat zij in beeld kwam zal ik nooit vergeten. Ik dacht dat mijn hart stilstond. Hoe kon iemand zo mooi zijn? Prachtige cinematografie, kleurrijk, een boeiend inkijkje in het rurale China van de jaren 30.
Eigenlijk doet het tussendoortje ROGUE ONE: A STAR WARS STORY, gemaakt tussen deel VII en VIII, het een stuk beter dan de drie trilogieën: het heeft een heldere verhaallijn, personages die je meenemen in het verhaal zodat hun avontuur een beetje het jouwe wordt, omdat je met hen meevoelt en meeleeft. Deze episode speelt zich af vlak voor deel I: THE PHANTOM MENACE, en vertelt over de dochter van een van de makers van de Death Star, die een fout in het concept heeft geïmplanteerd om de Death Star te kunnen vernietigen. Zij moet vervolgens de blauwdruk ervan uit het hol van de leeuw zien te stelen opdat de rebellen tegen het keizerrijk in elk geval nog een kans hebben.
zie verder bij STAR WARS
Ik ga gewoon door met het plaatsen van filmstills. Nog steeds gewoon voor de leuk. Niet meer volgens de lijst van de voor mij beste films allertijden, maar van films die hoe dan ook impact op mij gehad hebben, waarbij ik wel probeer aan regisseurs die ik al behandeld heb voorbij te gaan, maar ik weet nu al dat dat niet gaat lukken. Soms met een verhaaltje erbij, soms met alleen het noodzakelijke bijschrift. Het lijkt me vandaag (Pinksteren) wel een dag voor ROMA uit 1972 van Frederico Fellini.
In ROMANCE (1999) onderzoekt Catherine Breillat de beleving van seksualiteit bij een jonge vrouw (Caroline Ducey). Haar man is seksueel niet geïnteresseerd in haar en ze gaat buitenshuis op zoek naar de grenzen van haar seksbeleving. Haar overpeinzingen kwamen op mij over als clichés, hoewel het in feite de werkelijke ideeën van Breilat zelf aangaande dit onderwerp moeten zijn. De scènes met de oudere man, die haar inwijdt in sm, zijn belachelijk. Het was de première van de film en Ducey zat vlak voor me maar ze ging rennen toen ze op het doek voor het eerst uit de kleren ging. Toch was de interessantste vraag die de film bij me opriep: hoe het voelt wanneer je samen met duizend anderen naar je eigen tot tien meter uitvergrote geslachtsorgaan zit te kijken. Later zou Ducey, ten tijde van de film nog een beginnend actrice, Breillat beschuldigen van dwang en manipulatie om sexpliciete dingen te doen die ze niet wilde. Breillat antwoordde dat Ducey wist waar ze aan begon omdat ze altijd heel duidelijk was geweest in haar intenties.
Toen ROMANCING THE STONE in 1984 uitkwam was ik 24, dus elke 24-jarige die gisteren de film op tv zag heeft er met dezelfde ogen naar gekeken als ik indertijd naar, ik noem maar wat, KEY LARGO. Ik heb er moeite mee om dat te vatten. Toen de film uitkwam werd het al een ouderwetse avonturenfilm genoemd, hoe ervaren nieuwe kijkers het nu? En vielen de stereotyperingen in de film toen minder op? Want ik vond het toen een heerlijke film en stoorde mij er niet aan hoe de Colombianen, (en in het vervolg, THE JEWEL OF THE NILE, zowel de Arabische als de Nubische Soedanezen) als stereotypen neergezet werden. Ofwel als wreed en gewelddadig, ofwel als primitieve kinderen. Nee, je moet het niet in de tijd zien, ook toen al was racisme een misdaad, in elk geval op moreel vlak. Dat argument hoor je altijd alleen van de kant die er nooit slachtoffer van is geweest, zich niet realiserend dat ook toen, toen racisme net als geluk nog heel gewoon was, mensen er slachtoffer van waren. Dat moet je dus niet bagatelliseren of onder het tapijt vegen met het non-argument dat men toen niet beter wist. Niet alleen wist men wel degelijk beter (op domme mensen en de ideologisch of godsdienstig gemotiveerde volbloed racisten na, dan), het waren ook toen wel degelijk mensen die er onder leden. Kijk hen recht in de ogen en ik wil wel eens zien of het zich beroepen op onwetendheid of ‘andere tijden’ standhoudt. En deze film(s)? Laat ik het zo zeggen: KEY LARGO zal ik zeker nog regelmatig bekijken, deze twee hoef ik nooit meer te zien, hoewel ROMANCING THE STONE en JEWEL OF THE NILE soms best leuk en grappig zijn.
Hoewel zowel de film die ik gisteren weer zag (OUT OF TIME, zie aldaar) als die van vanavond als neo-noirs te boek staan, kan het verschil niet groter zijn. ROMEO IS BLEEDING uit 1993 van Peter Medak, die eerder THE KRAYS maakte, is een groezelige film over corrupte, moreel uitgebluste politieman Jack Grimaldi (Gary Oldman), die in de zak zit bij maffiabaas Falcone (Roy Scheider) en de opdracht krijgt huurmoordenaar Mona Demarkov (Lena Olin) om te brengen. Hoewel Grimaldi getrouwd is met Natalie (Annabella Sciorra) en er ook een vriendinnetje op na houdt (Juliette Lewis) wordt hij verliefd op de o zo gevaarlijke, maniakale maar ook erg verleidelijke Mona. Hij komt tussen twee vuren, beide meedogenloos en niet van plan hem ergens mee weg te laten komen. ROMEO IS BLEEDING behoort tot de in die tijd erg populaire Nouvelle Violence substroming en is nihilistisch deprimerend van toon, daarbij geholpen door de sterke jazzy muziekscore van trompettist Mark Isham. Met name Oldman, Sciorra en Scheider zetten prima rollen neer, maar Olin is me te zeer over the top. “Je weet best het verschil tussen goed en kwaad,” zegt Falcone tegen Grimaldi, “alleen interesseert het je niet.” Falcone heeft niet helemaal gelijk, want Natalie vertegenwoordigt voor Jack het goede, waar het werkelijk om gaat, en de scènes tussen Jack en Natalie zijn de enige momenten in de film waarin je iets anders voelt dan leegte en cynisme, namelijk melancholie en de laatste resten van liefde. De eindscène, en daar heb je het totale contrast met OUT OF TIME weer, is van een gruwelijke verlorenheid en doet pijn in je hart.
De Schotse film A ROOM FOR ROMEO BRASS van Shane Meadows gaat over de vriendschap tussen 2 jochies van een jaar of 12, die zwaar op de proef wordt gesteld door een twintiger (Paddy Considine) met wie ze bevriend raken maar die al snel psychopathische trekjes begint te vertonen. Ondanks de grimmigheid houdt de film een warme, humorvolle en lichte toon. Daardoor is de film perfect in balans en dat is heel knap.
In RUN OF THE ARROW van Samuel Fuller uit 1957 erkent een gedesillusioneerde Rod Steiger de nederlaag van de Geconfedereerden niet en weigert onder de vlag van de Verenigde Staten te leven. Hij trekt weg, waarheen weet hij niet, het westen?, maar ontmoet al snel een oude man met wie hij optrekt. Hij is Dakota, en hoewel hij uitlegt waarom de Dakota door witte mensen Sioux genoemd worden, blijft de hele film door de term voor dit volk Sioux, ook onder henzelf. Gevangen genomen door de Sioux overleeft hij de ‘run of the arrow’, als eerste mens ooit (daarbij stiekem geholpen door Sarita Montiel), en mag daarom nooit door een andere Sioux gedood worden. Hij en Montiel worden verliefd en trouwen en hij sluit zich aan bij de Sioux. Hij voelt zich helemaal Sioux, hoewel de Sioux zelf wel beter weten, zelfs zijn vrouw weet beter. Op een gegeven moment gaat hij als scout namens de Sioux met een Amerikaanse karavaan mee om te bepalen waar ze een settlement kunnen bouwen zonder de jachtgronden van de Sioux te verstoren. Tijdens de tocht maakt de leider van de Yankees (Brian Keith) hem fijntjes duidelijk hoe hypocriet zijn keuze voor de Confederatie was, waar het immers alleen om ultieme vrijheid voor witte mensen ging. Wanneer ze worden aangevallen door een groep rebellerende Sioux wordt het tijd voor hem om zijn keuze te maken. Fuller laat zien dat er aan alle zijden (Geconfedereerden, Yankees, Indianen) goede, redelijke mensen én slechte mensen zijn en hij toont, als levenslang bestrijder van racisme, veel sympathie voor de Sioux. De vragen die Fuller in deze film stelt en de dilemma’s die hij opwerpt zijn nog steeds actueel en urgent. Of het nu gaat om cultural appropriation, of om ultieme vrijheid, met al zijn impliciete racis-tische uitwassen, versus een meer controlerende overheid die alles in redelijke en eerlijke banen probeert te leiden (en daarin onherroe-pelijk faalt), het splijt ook de Nederlandse samenleving meer dan ooit.
THE RUNAWAYS gaat over een meidenrockgroep midden jaren zeventig rond Joan Jett en Cherie Curry, opgezet als gimmick door de narcistische producent Kim Fowler, die hen presenteerde onder het motto “This is not about women’s lib, it’s about women’s libido”. Dat ze de eerste all-female rockband waren is trouwens een mythe. Je had eerder al bijvoorbeeld The GTO’s en Fanny. Ook had je in dezelfde tijd The Slits van de charismatische Ari Up en de onnavolgbare Viv Albertine, die me trouwens ook erg interessant lijken als onderwerp voor een film. De meiden zien de band als allesbehalve een gimmick en zijn serieus met muziek bezig, behalve misschien Cherie die er als non-muzikant is ingerold vanwege haar uitstraling, wat meteen ook de grote splijtzwam binnen de groep zal zijn als ze bekend worden en alle media-aandacht uitgaat naar de sexy 15-jarige Cherie Curry. Het is het bekende verhaaltje van sex, drugs & rock’n’roll, en zowel Joan Jett als Cherie Curry waren nauw betrokken bij de totstandkoming van de film, dus het zal wel een vrij accurate weergave van die tijd zijn. Indertijd vond ik ze muzikaal niet erg interessant maar het is een alleszins vermakelijke film geworden met een als altijd zeer matig acterende Kristen Stewart als Jett en een als altijd zeer overtuigende Dakota Fanning als Curry.
In de Brise film RYE LANE uit 2023 van Raine Allen-Miller ontmoeten Dom (David Jonsson) en Yas (Vivian Oparah) elkaar bij een expositie van een bevriend kunstenaar. Dom heeft net op het toilet zitten huilen omdat zijn vriendin hem heeft verlaten voor zijn beste vriend en Yas hoort hem. Uit medelijden neemt ze hem mee op een wandeling. Een sprankelende, vrolijke, onverwachte en grappige conversatie volgt, een werkelijk spervuur, er wordt in vijf minuten meer gezegd dan doorgaans in een hele Kaurismäki-film, zonder dat het een praatfilm wordt. Intussen gebeurt er ook van alles, van ultrakorte ontmoetingen onderweg tot, het uiteindelijke doel, Dom die zijn ex gaat ontmoeten. Nadat ze vervolgens ook met Yas’ ex en zijn nieuwe vriendin zijn geconfronteerd moet Yas aan Dom toegeven dat zij niet eerlijk is geweest en dat zij er net zo beroerd aan toe is als hij. Wat leek op een beginnende romance krijgt een abrupt einde als Dom haar na haar bekentenis de rug toekeert. Of...? RYE LANE doet gezien de verhaallijn natuurlijk denken aan het onvolprezen BEFORE THE SUNRISE van Richard Linklater, maar is minder filosofisch maar wel exuberanter, kleurrijker, grappiger, en net zo hartverwarmend. Jonsson en Oparah zijn geweldig, spontaan, ongekunsteld en allebei om verliefd op te worden, Oparah overigens een beetje meer dan Jonsson. Een waar genot om naar te kijken en je wordt er gewoon een beetje gelukkiger van. Hopelijk krijgt Allen-Miller het idee om, net als bij de BEFORE-films, ook hier een trilogie van te maken.
In feite gaat de Belgische film S. van Guido Hendrickx uit 1998 over het gigantische trauma waarmee Dutroux de samenleving heeft opgezadeld. Een meisje (Natali Broods) kan niet leven met haar nihilisme, met het besef dat ze wel weet wat zonde inhoudt maar er geen gevoel bij heeft. Op zoek naar antwoorden vermoordt ze iedereen die het antwoord niet kan geven, omdat ze ervan overtuigd is dat men simpelweg met plezier zwelgt in de zonde. In een videodagboek overpeinst ze haar leven en de toestand van de wereld. Heftige film, in een frisse stijl opgenomen, en een integere zoektocht naar wat verloren lijkt in de kapot gerelativeerde wereld waarin monsters als Dutroux kunnen gedijen.
In mijn omgeving waren de meningen nogal verdeeld en werd de film door de ene 'saai' en 'pretentieus' genoemd, terwijl een ander er zich ontzettend kwaad over maakte en het een gekunsteld leugenachtig product noemde dat alleen maar draait om effectbejag. Ik was geloof ik de enige die de film kon waarderen.
De Tunesische film uit 2000 LA SAISON DES HOMMES van Moufida Tlatli is een mooie en warme film over de positie van vrouwen in hedendaags Tunesië. Hoe vrouwen van verschillende generaties ieder op hun eigen manier proberen uit de traditie te breken en een eigen leven te leiden. Ook degenen die strikt vasthouden aan die tradities, zoals de echtgenoot en zijn moeder, worden vol mededogen geportretteerd. Met de Tunesisch-Belgische zangeres Ghalia Benali, links op de foto.
Journalist Pierre (Jean-Luc Bideau, in die tijd in vrijwel elke Franstalige film te zien) krijgt de opdracht om een scenario te schrijven voor een film gebaseerd op een kort krantenbericht, over een oude man die beweerde dat zijn inwonende nichtje hem met een geweer verwond heeft. Omdat ze ontkende en beweerde dat hij zichzelf in de schouder geschoten had terwijl hij het geweer schoonmaakte en er verder geen getuigen waren, is de zaak geseponeerd. Pierre is nog met drie artikelen over zijn reis door Brazilië bezig en vraagt zijn vriend Paul (Jacques Denis), die romanschrijver is, om het samen te doen. Hun benadering is echter totaal tegengesteld aan elkaar. Terwijl Paul zijn fantasie meteen de vrije loop laat wil Pierre het meer documentair aanpakken, wil research doen, de oude man en het meisje leren kennen. Het laatste gebeurt en Rosemonde (Bulle Ogier) verschijnt in hun leven. Ze raken bevriend. Ook Paul ontmoet Rosemonde en is meteen om. Doordat ze het meisje nu kennen wordt het echter steeds moeilijker het scenario te schrijven. LA SALAMANDRE uit 1971 is van Alain Tanner, samen met o.a. Claude Goretta en Claude Sautet verantwoordelijk voor de hoogtijdagen van de Zwitserse cinema. Ik houd van zijn films, met name van DANS LA VILLE BLANCHE (zie aldaar), LE MILIEU DU MONDE en JONAS, QUI AURA 25 ANS EN L’AN 2000, en daar kan LA SALAMANDRE nu bijgeteld worden. Het is een ontwapenende karakterstudie en sfeertekening met gevoel voor humor en understatement, geweldig naturel geacteerd door Bideau, Denis en vooral Ogier, in zwart-wit en op academy standard formaat. Kent echter enkele overbodige scènes en duurt daardoor net iets te lang.
SALE COMME UN ANGE van Catherine Breillat uit 1991 is een in policier-vorm gegoten onderzoek naar lust en begeerte. Een oudere uitgebluste agent geilt op de frigide vrouw van zijn collega en beste vriend. Het policier-gedeelte is heel redelijk, maar daar waar het om gaat overtuigt allerminst. Claude Brasseur speelt dan als een zak aardappelen en zangeres Lio kan helemaal niet acteren.
Ik vond Emerald Fennells eerdere film, haar debuut PROMISING YOUNG WOMEN (zie aldaar), helemaal niet verkeerd, hoewel onevenwichtig, en ik had goede verhalen gehoord over SALTBURN (2023), dus besloot hem te gaan kijken. Centraal staat het sociaal onhandige buitenbeentje op Oxford, Oliver, gespeeld door Barry Keoghan, dus dan weet je het wel. Nee, eigenlijk centraal staat de immens populaire Felix (Jacon Elordi), waar hij ook is, altijd midden in de belangstelling. Hij is het object van Olivers verlangen. Het lukt Oliver om de interesse van Felix te wekken en ze worden vrienden. Felix nodigt hem zelfs uit om de zomer met hem door te brengen op Saltburn, het landgoed van zijn adellijke excentrieke familie, bestaande uit de valse moeder (Rosamund Pike), de door en door Engelse, flegmatische vader (Richard E. Grant) en de nymfomane zus Venetia (Alison Oliver). Ook een andere Oxford student, Farleigh (Archie Madweke), van de arme tak van Felix’ familie, die een hekel heeft aan Oliver en geen gelegenheid voorbij laat gaan om dat op verbale wijze te uiten, hangt er rond. Langzaam verwerft Oliver zich een plek binnen de familie en in hun harten. Maar wat zijn nu precies de intenties van Oliver? Wil hij gewoon gezien en geliefd worden, of heeft hij andere, meer duistere plannen? Eigenlijk is SALTBURN een erg vervelende film geworden, met erg vervelende oninteressante personages. Waar het mis is gegaan weet ik niet, iedereen speelt prima, Keoghan is zo geknipt voor dergelijke rollen dat je van ouderwetse typecasting kunt spreken, maar het werkt allemaal net niet, althans niet voor mij. En die spraakmakende naakte dans door het huis, wel, als het niet Oliver was geweest maar Farleigh was ik er misschien een stuk enthousiaster over. De hoofdrolspeler van PROMISING YOUNG WOMEN, de altijd geweldige Carey Mulligan, mag ook nog even meedoen, maar dat kan de film niet redden. Gelukkig heeft Pasolini vijftig jaar geleden met THEOREMA wel een sublieme film over het onderwerp gemaakt.
Omdat BIN-JIP van de Koreaanse regisseur Kim Ki-duk zo snel volgde op zijn SAMARITAN GIRL (SAMARIA) en de distributeur zijn geld zette op de eerste, kreeg de laatste een stiefmoederlijke behandeling en werd in Nederland niet echt uitgebracht. Een paar voorstellingen her en der, waaronder in Venlo. En de film laten meeliften op BIN-JIPs succes en hem iets later uitbrengen ging ook moeilijk want Kims volgende, THE BOW (HWAL), zat er alweer aan te komen. Ik heb dat altijd jammer gevonden, want ook bij herzien blijft SAMARITAN GIRL zeer de moeite waard. Een minderjarig meisje prostitueert zich en vergelijkt zichzelf met Vasumitra, die elke man met wie ze sliep zich tot een boeddhistische monnik liet bekeren. Wanneer ze sterft gaat haar vriendin, die de afspraken voor haar regelde en zich er schuldig over voelde, als boetedoening alle afspraakjes van haar vriendin af, slaapt met hen en geeft hun het eerder aan haar vriendin betaalde geld terug. Haar vader komt erachter en worstelt met die wetenschap, saboteert zijn dochters afspraken en wanneer dat zijn verdriet niet verzacht begint hij hen toe te takelen en uiteindelijk te vermoorden. SAMARITAN GIRL is een film die op verschillende manieren bekeken kan worden: als maatschappijkritische film (man-vrouwrelatie, vader-dochterrelatie, schuld- en schaamtecultuur), maar ook als een religieus-metaforische film waarbij katholieke en boeddhistische concepten uitgewerkt worden. Een zoektocht naar verlossing.
De later wegens grensoverschrijdend gedrag in opspraak geraakte Kim Ki-duk overleed december 2020 aan de gevolgen van corona.
Jean Cocteau was een homo universalis. Noem een kunstdiscipline en hij excelleerde erin. Poëzie, beeldhouwen, schilderen, film en ik zal nu beslist wat vergeten. Van zijn Orpheus trilogie heb ik het tweede deel, ORPHÉE, gezien toen ik er te jong voor was, het derde deel LE TESTAMENT D’ORPHÉE (zie aldaar) een keer op het IFFR, en het eerste deel LE SANG D’UN POÈTE staat nu zowaar op Netflix. De film gaat over een kunstenaar (Enrique Rivero) die op zoek naar inspiratie geconfronteerd wordt met leven, dood en een vliegend meisje, maar dat dan wel op een hoogst surrealistische wijze, waarbij allerlei verbluffende technieken, zoals (pseudo)solarisatie, gebruikt worden. Hem wordt de weg door de spiegel gewezen door een beeld (“Als je een beeld vernietigt, loop je grote kans zelf in een beeld te veranderen”). Dat beeld is een van de rollen die Lee Miller in deze film op zich neemt. De statige en ongenaakbare blondine is in die tijd (1930) muze en model van Man Ray en zelf ook een begenadigd fotografe (ze heeft de (pseudo)solarisatie-techniek ontdekt) en dit is haar enige rol als filmactrice. Ze zou na haar surrealistische periode voor Vogue gaan werken en fotografisch verslag doen van WOII (over dat deel van Millers leven is de film LEE gemaakt, zie aldaar).
Een meisje wordt dood in de greppel gevonden. Ze is een natuurlijke dood gestorven. Niemand weet wie ze is. SANS TOIT NI LOI van Agnès Varda uit 1985 volgt haar laatste dagen via interviews met de mensen met wie ze die heeft doorgebracht, die vooral hun visies en denkwijzes op haar projecteren, en de daarbij horende flashbacks, die bijna objectief documentair aandoen en allemaal beginnen met een rijder van rechts naar links en beginnen met een voorwerp waarmee de vorige ophield en begeleid worden door een strijkkwartet van Joanna Bruzdowicz, zo continuïteit suggererend. Sandrine Bonnaire speelt Mona en is, zoals zo vaak bij films waarin zij speelt, voortdurend in beeld. Ze was een jaar of zeventien toen en dan al in je eentje een hele film kunnen dragen, dat is voor slechts weinigen weggelegd. Zeker als je een personage speelt dat weinig sympathie oproept want Mona is allesbehalve iemand om in je hart te sluiten: ze is op zichzelf, onvriendelijk, nihilistisch, tot op het onbeschofte af, een dievegge en totaal egocentrisch. Alleen de episode met de Tunesische landarbeider is anders: hier is ze empathisch en aardig en toont ze genegenheid. Het is ook de enige keer dat zij er niet vandoor gaat maar hij, door omstandigheden gedwongen, hun samenzijn beëindigt. Ze heeft de keuze gemaakt om door het land te trekken met een tentje, met alle ontberingen die dat met zich meebrengt zoals honger, kou en verwaarlozing, en is slechts bereid zich met anderen te verbinden zo lang zij er profijt van heeft. Het is een onontkoombare weg naar uiteindelijke zelfvernietiging. Ze koos totale vrijheid en kreeg totale eenzaamheid, zoals de geitenboer haar zegt. Toch ga je met haar meeleven en als je haar van dichtbij de laatste adem ziet uitblazen en haar ogen ziet breken springen de tranen je in de ogen.
Als een film begint met de tekst dat de Australische overheid 50 jaar geleden nog hun oorspronkelijke bevolking categoriseerde onder ‘flora and fauna’ verwacht je een andere film dan deze feelgoodmovie over vier Aboriginal zusjes die ontdekt worden door een verlopen alcoholistische scout die voor hen een tour voor de Amerikaanse troepen in Vietnam regelt. Er zijn slechts platgetreden paden in THE SAPPHIRES, maar dat neemt niet weg dat het plezierig kijken is en Gail, het meisje met de grote bek, je hart steelt en er fantastische muziek te horen is (van de meisjes zingt alleen Jessica Mauboy als Julie echt): ze zingen liedjes van Marvin Gaye, Staple Singers, noem maar op. Wanneer uiteindelijk Gail, het zusje met de ”slechtste stem”, haar sololiedje krijgt en People Make the World a Better Place zingt breekt je hart. De zoon van een van de meisjes schreef het scenario, want het is gebaseerd op echte gebeurtenissen.
Als een film nu uitkomt onder de titel THE GAY AMIGO heb je er heel andere associaties bij dan toen deze western in 1949 het publiek bereikte. Het is een avontuur van The Cisco Kid en Pancho, over wie indertijd een hele serie westerns van 60 minuten is uitgebracht. Ik heb een merkwaardige versie, waarin deze film gecombineerd wordt met een ander Cisco Kid avontuur, SATAN’S CRADLE, en 87 minuten duurt, ook nog eens Duits nagesynchroniseerd onder de titel CISCO – DER BANDITENSCHRECK. In allebei speelt Duncan Renaldo The Cisco Kid, met als love interest respectievelijk Armida en Ann Savage. Het enige opmerkelijke aan deze goedkope routine-westerns is dat de Mexicanen de goeden zijn en de slechteriken Amerikanen zijn. De foto is uit SATAN'S CRADLE, met Ann Savage.
De Frans-Nederlandse coproductie SAUVAGE INNOCENCE van Philippe Garrel uit 2001 lijkt wel een Truffautfilm uit de hoogtijdagen van de nouvelle vague. Een regisseur raakt zijn vriendin, tevens de vaste hoofdrolspeelster in zijn films, kwijt door een overdosis. Hij besluit een antidrugsfilm te maken en vindt de ideale vertolkster, die meteen ook zijn vriendin wordt. Hij krijgt de film echter alleen gefinancierd door met een vermogend drugsdealer in zee te gaan. Hoe stom kun je zijn? Hoe het verder gaat kunnen we raden. Wel erg mooi gedaan.
De minuut stilte op 4 mei vind ik een bijzonder moment, omdat je met nagenoeg het hele Nederlandse volk tegelijk de doden herdenkt en met volle overtuiging ‘nie wieder’ denkt. Maar een derde van de Nederlandse bevolking heeft gestemd op fascistoïde partijen die twee oorlog hitsende, zelfs oorlog voerende landen steunen, landen die gezien hun recente verleden de ‘immer wieder’ gedachte aanhangen. De leider van de grootste partij van Nederland steunt met trots het genocidale regime in Israël en heeft met trots een Russisch vriendschapsspeldje op zijn revers gedragen, en dat was nadat Rusland Oost-Oekraïne was binnengevallen en had bezet; zijn secondant hing vanuit zijn kamer op het Binnenhof de NSB-vlag, droeg die ook als speldje op zijn revers en is aanhanger van de Apartheid in Zuid-Afrika. De laatste is nu de (indirect door ons) gekozen kamervoorzitter en zal in die hoedanigheid vanavond een krans leggen op het Monument op de Dam. Ik neem het het ‘Nationaal Comité 4 en 5 mei’ bijzonder kwalijk dat ze daar geen stokje voor hebben gestoken. Dat hij dat doet in functie en niet als de persoon die hij is, vind ik een slap excuus. Ik zal dit jaar (2024) geen minuut stilte betrachten want ik wil dit bijzondere moment niet delen met een volk van wie een derde sympathiseert met het fascisme. “Lang niet iedereen enz,” hoor ik al gezegd worden, maar kom op, zeg, als je PVV (of Ja21 of FvD) gestemd hebt ben je een fascist, of oliedom. Zij die vielen voor onze vrijheid herdenken met dergelijke lieden is een perversie. Ik ga vanavond om de gruwelen van toen en nu te herdenken Spielbergs pièce de resistance, het absolute meesterwerk SCHINDLER’S LIST kijken en om 8 uur even heel hard schreeuwen. In de beslotenheid van mijn huiskamer.
De eerste keer dat Romy Schneider na SISSY op Duitse bodem in een speelfilm acteerde en de eerste keer dat ze met Michel Piccoli samen in een film speelde was in 1966 als echtpaar in de Duits-Franse coproductie SCHORNSTEIN NR. 4, welke titel ik prefereer boven de Franse LA VOLEUSE, omdat daar een waardeoordeel in zit dat de film juist tracht te vermijden. Hoewel bij de Duits gesproken versie geen audio-nabewerking is gedaan en de dialogen door Marguerite Duras geschreven zijn, toch voor de Duitse versie gekozen omdat mijn Frans voor een talige film als deze niet voldoet en de dvd niet onder-titeld is. Dan maar de ruis en de volumeverschillen en andere geluids-hobbels voor lief nemen. Schneider “steelt” haar zoontje van zes van de mensen bij wie hij achtergelaten is omdat ze intens naar hem is gaan verlangen en ze haar fout van toen ze 19 was wil goedmaken, en ze heeft het recht aan haar kant. De pleegvader klimt op de 100 meter hoge schoorsteen uit de titel en dreigt ervanaf te springen als hij zijn zoontje niet terugkrijgt. Een ongemakkelijke maar interessante film over geweten en loyaliteit. Opgenomen in Berlijn en Oberhausen.
Nadat de leidster van een voodoo-cult is gestorven wordt Lisa (Pam Grier) als nieuwe leidster gekozen. De narcistische Willis (Richard Lawson) is het daar niet mee eens en om Lisa te bestrijden wekt hij via een ritueel uit de overgebleven botten Blacula (William Marshall) weer tot leven. SCREAM BLACULA SCREAM volgt grofweg dezelfde patronen als voorganger BLACULA (zie aldaar), maar blijft dichter bij de conventies van de horror. Deze keer wil Mamuwalde, die nog steeds in Blacula verscholen zit, verlost worden van de vloek die Dracula twee eeuwen geleden over hem afgeroepen heeft. Daarbij heeft hij de hulp nodig van Lisa. Deze film is veel beter dan de eerste: spannender, enger, een beter scenario, weet ook deze keer weer sympathie op te roepen voor de verdoemde ziel van Blacula, en Pam Grier doet mee. Haar présence is zo enorm dat ze zelfs naast Marshall, de bijna twee meter lange Shakespeare-acteur met zijn zware stem, alle aandacht naar zich toe trekt, en dat doet ze zonder haar befaamde en indrukwekkende fysieke kwaliteiten te etaleren. Eigenlijk jammer dat er nooit een derde Blacula-film is gekomen.
Op nummer 9 in mijn lijst beste films allertijden staat THE SEARCHERS uit 1956 van John Ford. Een grootse western met prachtige landschappen en een epische zoektocht van John Wayne naar zijn door Indianen ontvoerde nichtje. Het moment dat de racistische, wraakzuchtige en meedogenloze Wayne een warm kloppend hart op de juiste plaats blijkt te hebben, wanneer hij zegt: “Let’s go home, Debbie”, is een van de emotionele hoogtepunten uit de geschiedenis van de cinema.
Aangezien de sporen die we nalaten tegenwoordig voornamelijk digitaal zijn is de keuze om een thriller als SEARCHING te maken, waarbij voornamelijk op die manier naar een vermist meisje (de debuterende Michelle La) gezocht wordt, niet meer dan logisch. Centraal staat de vader (John Cho), die nadat zijn dochter plots is verdwenen op haar laptop en via haar sociale media op zoek naar haar gaat en probeert te achterhalen wat gebeurd is. Ook de gesprekken met de met het onderzoek belaste politierechercheur (Debra Messing) verlopen voornamelijk via videobellen, en anders staat ergens wel een laptopcamera alles te registreren. Vaak voorkomen vormexperi-menten dat je als kijker in de film getrokken wordt maar hier is het tegenovergestelde het geval. Juist de banale foto’s en filmpjes, de online chats met mensen die ze niet eens kent, scheppen direct een sterke emotionele band met het meisje, en samen met haar vader leren we haar kennen. Als de film vordert wordt de consequent volgehouden vorm, nu met beelden van bewakingscamera’s en de publieke media erbij, nogal gekunsteld en ontstaan er als gevolg hiervan wat scenariotechnische gaten, maar de film blijft erin slagen de kijker mee te slepen in de zoektocht en emotioneel betrokken te laten. Ik kende Cho eigenlijk alleen maar als komiek, maar hij weet hier volop te overtuigen als bezorgde, wanhopig wordende vader die toch zijn hoofd erbij houdt (en op momenten ook verliest). Het is juist de gekozen vorm die uiteindelijk de film overeind houdt, want op een traditionele manier verteld blijft een wel erg gemiddeld verhaaltje over.
In LE SECRET ontsnapt Jean-Louis Trintignant uit een psychia-trische inrichting en stuit, onderweg naar een verlaten plek om te schuilen, op het afgelegen wonende echtpaar Philippe Noiret en Marlène Jobert. Zij ontvangen hem hartelijk en verlenen hem onder-dak, hoewel JLT zwijgzaam en paranoïde is. Het enige dat ze weten is dat hij een geheim kent dat hij niet behoort te kennen en dat de auto-riteiten hem hierom zullen vermoorden. Noiret steunt hem volstrekt kritiekloos terwijl Jobert na verloop van tijd bang begint te worden en van hem af wil. Een paranoia- thriller uit 1974, een periode dat derge-lijke films schering en inslag waren, maar deze film moet het niet zozeer hebben van de spanning of van een plot, maar van de onzeker-heid bij de kijker (en bij Jobert, die min of meer de verpersoonlijking van de kijker wordt) of JLT oprecht is. Spreekt hij de waarheid of is hij een gevaarlijke gek? Verder wordt de film gedragen door de uitstekende cast van de drie, want behalve de verbeten Trintignant, de flegmatische Noiret en en de op haar hoede zijnde Jobert zijn er slechts kleine bijrollen. Regisseur Robert Enrico zou meteen hierna LE VIEUX FUSIL (zie aldaar) maken, opnieuw met Noiret.
Sandrine Bonnaire is de volle drie uur in beeld in Jacques Rivettes suspense SECRET DÉFENSE uit 1998, dus als je geen fan van haar bent is het wellicht een beproeving. Ik ben wel fan, groot fan, dus ik geniet. Na een uur begint het plot zich heel langzaam te ontvouwen, maar de film blijft tot op het laatst verrassende elementen in zich dragen. Mooi hoe voor het oog van de kijker de bad guy (Jerzy Radziwilowicz) zonder zichzelf anders te gaan gedragen door de veranderde informatie op het laatst bijna een heilige blijkt te zijn. Verder met Grégoire Colin als haar broer, en Françoise Fabian.
Twee actrices komen met hun man en enkele vrienden samen om op tv de uitzending van het toneelstuk Lysistrata van de klassieke Griekse schrijver Aristophanes, waarin zij de hoofdrol spelen, te bekijken, vandaar de titel DIE SENDUNG DER LYSISTRATA. We zien dus op de tv een tv-uitzending via de huiskamer van de actrices Barbara Rütting die Agnes Salbach speelt die Lysistrata speelt en Romy Schneider die Uschi Hellwig speelt die Myrrhine speelt, afgewisseld met wat zich in de huiskamer afspeelt. Charlie Kaufmann anno 1961. Het oorspronkelijke stuk gaat over de Griekse vrouwen van alle streken die zich verenigen, en seks aan hun man onthouden totdat zij eindelijk stoppen met oorlog spelen en werk maken van vrede (het speelt zich af tijdens de 2e Peloponnesische Oorlog). Dat spiegelt zich in het heden, de discussies in de woonkamer, waarbij tijdens het hoogtepunt van de Koude Oorlog steun aan het kernwapen-programma van de VS gezet wordt tegenover pacifisme. De ARD ondervond destijds grote druk uit rechts-politieke hoek om de uitzending te schrappen, maar zette door en de tv-film werd in de hele Bondsrepubliek uitgezonden, behalve in Beieren, waar het beeld die avond zwart bleef. Op meerdere niveaus interessant. Foto: links achter de Spartaanse vertegenwoordigster Lampito.
Spike Lee maakte met CHI-RAQ (zie aldaar) een eigentijdse variant van Lysistrata.
SEVENTEEN YEARS (GUO NIAN HUI JIA) van het boegbeeld van de 6e generatie Chinese filmmakers Zhang Yuan (MAMA, EAST PALACE WEST PALACE, BEIJING BASTARDS, SONS, I LOVE YOU, GREEN TEA) was voor mij het hoogtepunt van het IFFR 2000, maar vond geen Nederlandse distributie. Na 17 jaar (de helft van haar leven) in de gevangenis te hebben gezeten wegens de moord op haar zus, komt een vrouw weer thuis, begeleid (of liever: ondersteund) door een sympathieke bewaakster. Heel klein gehouden maar hartverscheurend drama over vergeving.
Op de gedeelde 11e plaats van mijn lijst met beste films staat SHADOW OF A DOUBT uit 1943 van Alfred Hitchcock, met Teresa Wright en Joseph Cotten. Samen met VERTIGO mijn favoriete Hitchcock. Teresa Wright behoort samen met Romy Schneider en Cathy O´Donnell tot mijn favoriete actrices.
Filmcriticus Leonard Maltin noemde SHADOWS van John Cassavetes uit 1959 een van de belangrijkste debuutfilms uit de Amerikaanse geschiedenis, in één adem met CITIZEN KANE. Het is een vrijwel volledig geïmproviseerd explosief stuk beat-cinema, vergelijkingen met de in dezelfde tijd opkomende Nouvelle Vague in Frankrijk zijn gemaakt, over twee broers en een zus die een appartement in Manhattan delen en een vrij marginaal leven leiden. Hugh (Hugh Hurd) is een mislukte crooner die zich als oudste echter verantwoordelijk voelt voor Ben (Ben Carruthers), een jazz-trompettist die liever met twee vrienden kroegen afloopt om meisjes te versieren, en Lelia (Lelia Goldoni), jong, wispelturig en naïef. Ze gaat uit met een man die niet in de gaten heeft dat ze zwart is. Dat ontdekt hij pas als hij haar broers ziet en dan gaat hij ervandoor. De film is rauw en expressief en de camera zit dicht op de huid van de acteurs. Cassavetes was niet geïnteresseerd in verhaal en structuur maar in karakters en zou zijn hele carrière films maken waarin de acteurs strikt vanuit hun personage de scènes speelden. De opwindende score is van Charles Mingus (contrabas) en Shafi Hadi (altsax). De oorspronkelijke film uit 1957 raakte na 3 vertoningen zoek, waarna Cassavetes wat nieuwe opnames schoot en de film opnieuw monteerde. Die oorspronkelijke film werd pas in 2003 teruggevonden en toen op het IFFR vertoond, waar ik hem zag. Overigens heeft Cassavetes’ weduwe en vaste hoofdrolspeler Gena Rowlands (behalve dus deze; hierin is ze slechts kort in beeld in een nachtclub) altijd ontkend dat de teruggevonden kopie echt was. De dvd die ik heb is dus de officiële, tweede versie. Goldoni en Carruthers waren in werkelijkheid geen broer en zus maar getrouwd met elkaar.
Zie ook PERMANENT VACATION.
Het is op voorhand al een spannend idee: Raúl Ruiz die met SHATTERED IMAGE (1998) een Hollywoodthriller maakt. Anne Parillaud is op huwelijksreis maar verdenkt haar kersverse man William Baldwin ervan haar te willen vermoorden. Of: Parillaud is huurmoordenares en krijgt de opdracht een man om te brengen, te weten Baldwin, met wie ze net een verhouding begonnen is. Beiden dromen elkaars leven. Of niet? De film is te weinig Ruiz en te veel mainstream en valt daardoor nogal tegen. Of: de film is te veel mainstream en te weinig Ruiz en kan daarom een groot publiek aanspreken.
Op Netflix is DOCTOR SLEEP (zie aldaar), een soort vervolg op THE SHINING, verschenen. Voordat ik die ging zien schoof ik het origineel in de dvd-la. Nooit behoord tot mijn favorieten binnen Stanley Kubricks oeuvre (dat zijn PATHS OF GLORY, A CLOCKWORK ORANGE en vooral BARRY LYNDON) maar het bekijken zeker waard: prachtig camerawerk, goede sequentieopbouw, echt enge momenten, de muziek van vooral Penderecki. Wel valt me op dat iedere keer als ik de film zie Jack Nicholsons gekkebekkentrekkend overacteren (al vanaf de scène in de auto, veel te vroeg in de film) me meer gaat irriteren en in omgekeerde richting Shelley Duvall me steeds beter bevalt.
Maar dat liedje, Midnight, The Stars And You, is me blijven achtervolgen en heb ik zelfs verwerkt in mijn boek Fataal Water.
SHIRLEY PIMPLE AND JOHN WAYNE’S TEMPLE OF DOOM uit 1999 van de Canadees Demetrios Estdelacropolis had ik wellicht begin jaren tachtig wel leuk gevonden, maar nu vind ik het hopeloos gedateerde ongein. Vreemd hoe tijd werkt: als dit een punkfilmklassieker uit 1979 was geweest had ik hem nu gegarandeerd beter gewaardeerd, maar om zo'n film nu nog te maken... Of word ík oud? Het begint een traditie te worden dat ik met mijn eerste film van het festival (in dit geval het IFFR van 2000) meteen de ondergrens van waardering kan bepalen. Dat hoop ik toch tenminste.
Monte Hellman komt uit de stal van Roger Corman. In 1966 maakte hij meteen na elkaar twee westerns met Jack Nicholson en Millie Perkins, THE SHOOTING en RIDE IN THE WHIRLWIND. Beide zijn opgenomen in dezelfde woestijn in Utah en bij beide stond Gregory Sandor achter de camera. Ondanks de overeenkomsten verschillen de films aanzienlijk van elkaar. In THE SHOOTING is de wereld vaal en bijna kleurloos en je kunt je moeilijk voorstellen dat de mens erin kan overleven. Een man die duidelijk alle illusies verloren is (Warren Oates) en zijn jonge, wat simpele vriend (Will Hutchings) worden door een mysterieuze vrouw (Perkins) gevraagd haar naar een bepaalde plek te escorteren. Halverwege voegt een duister figuur (Nicholson) zich bij hen en wordt duidelijk dat ze achter iemand aan zitten.
In RIDE IN THE WHIRLWIND lijkt de omgeving groener en kleurrijker en heel wat bevolkter. Twee onschuldige voorbijgangers (Cameron Mitchell en Nicholson) worden door een soort burgerwacht aangezien voor leden van een moordbende (olv Harry Dean Stanton) en ze slaan op de vlucht, maar de burgerwacht is vastbesloten hen te grijpen (en te lynchen), waardoor de onschuldige jongens zich genoodzaakt voelen misdrijven te plegen, puur uit zelfbehoud.
De grimmige wereld die Hellman in beide films schetst is echter identiek. Niet alleen omdat bij beide films de titel verwijst naar de laatste scène van de film. De mensen die deze wereld bewonen zijn stug, wantrouwend, koesteren geen illusies meer (behalve de simpele jongen) en tolereren anderen slechts als het niet anders kan. Het lot is onontkoombaar, nihilistisch, de weg die de mens gaat komt nergens vandaan en gaat nergens heen, letterlijk. En al overleef je (zoals Nicholson in beide films) het is een volstrekt zinloze onderneming. Je zou een film met die boodschap verwachten in 1969, toen al het idealisme op de wereld vermoord was, maar in 1966 moest zelfs die zogenaamde Summer of Love nog beginnen.
Slechts een paar maanden na THE PINK PANTHER (zie aldaar) komt A SHOT IN THE DARK uit, met politie-inspecteur Clouseau (Peter Sellers) vanaf nu als middelpunt. Deze film introduceert ook commissaris Dreyfus (Herbert Lom), zijn baas die letterlijk gek wordt van Clouseaus gestuntel en er moordneigingen van krijgt, en Kato (Burt Kwouk), Clouseaus huisknecht die de opdracht heeft hem op de meest onverwachte momenten aan te vallen, wat hij ook doet, zelfs als Clouseau in bed ligt met Maria Gambrelli (Elke Sommer), de hoofdverdachte in een dubbele moord in het huis van de invloedrijke Ballon (George Sanders), waar ze dienstmeisje is. Hoewel ze allebei de keren gevonden wordt met het moordwapen in de hand gelooft Clouseau niet dat ze schuldig is. Als je tijdens de openingssequentie goed oplet weet je precies hoe alles in elkaar steekt, als je enig houvast zou hebben. A SHOT IN THE DARK is soms een beetje flauw maar over het geheel genomen ontzettend grappig. Het hoofdthema van de soundtrack van Henry Mancini wordt bijna net zo bekend als het Pink Panther thema, of ligt dat aan mij, omdat de band Naked City (met John Zorn en Fred Frith) het op geheel eigen wijze later gecovered heeft, samen met o.a. het Batman thema, James Bond en Chinatown.
Ik zag UNE SI JOLIE PETITE PLAGUE uit 1949 van Yves Allégret en met Gérard Philipe in de hoofdrol, toen ik jong was, ergens midden jaren 70. Hoewel de film enorme indruk op me maakte herinnerde ik me er later niet meer van dan dat het hoofdpersonage in de stromende regen door een dorp aan zee en over het strand loopt, ergens in het noorden van Frankrijk. Waarom, welk plot, wat gebeurde, dat allemaal was niet blijven hangen. Dacht ik. Nu ik de kans kreeg om de film zo’n 50 jaar na dato weer eens te zien blijkt de film mij in grote mate gevormd te hebben. Deze film is de voornaamste reden waarom de zee zo’n belangrijke rol in mijn werk speelt. In een van mijn eerste gepubliceerde verhalen, Een Gast In November, uit begin jaren 90, blijk ik (totaal onbewust) veel elementen uit de film verwerkt te hebben. Ook hier een kustplaatsje aan zee buiten het seizoen. Ook hier keert het hoofdpersonage er na vele jaren terug. Ook hier heeft hij onlangs een moord gepleegd. In plaats van aanhoudende regen in mijn geval dichte mist. Ook bij mij pleegt het hoofdpersonage op het einde zelfmoord, al is de motivatie niet vergelijkbaar met die in de film. De verwikkelingen zijn echter totaal anders en de rol van “het meisje” verschilt ook fundamenteel. De film is zo goed, zo triest, zo mooi, het is geen wonder dat hij voor eeuwig in het onderbewuste blijft rondspoken. Staat geheel terecht op plaats 11 (ex aequo) op mijn lijst beste films allertijden.
In juni 2020 is de Belgische filmregisseur Marion Hänsel overleden. Ze was een boeiende regisseur en de eerste film die ik van haar zag, DUST, met Trevor Howard en Jane Birkin, vond ik geweldig, en dat gold voor de meeste films die ik van haar zag. Een mislukte film als THE QUARRY was op zijn minst interessant. Zelfs NUAGES, LETTRES À MON FILS, met in beeld alleen wolkenpartijen, fasci-neerde me mateloos en wist door de voorgelezen brieven aan haar zoon diep te ontroeren. Als eerbetoon aan haar SI LE VENT SOULÈVE LES SABLES opnieuw bekeken. Dit schreef ik erover toen ik de film voor het eerst gezien had: “Onderwijzer Rahne en zijn vrouw Mouna (Carole Karemera) wonen in een dorpje in de Sahara. Met hun kinderen, buren en al het vee verlaten ze het dorp op zoek naar waterbronnen. Hun wacht een tocht vol ontberingen, verschrikkingen, geweld, vijandigheid en verlies. Je gaat echter al heel snel van deze mensen houden en lijdt met hen mee. Hartverscheurend mooi, bijna onverdraaglijk. Als je dan bedenkt dat in de werkelijkheid elke dag talloze Afrikanen ditzelfde moeten ondergaan breekt je hart. Slechts Rahne en zijn dochtertje, een kameel en een buurman overleven.” Na herzien niets aan toe te voegen.
SIBERIA van Robert Jan Westdijk is de opvolger van het onverwacht grote succes ZUSJE. Een schelmenkomedie over twee vrienden (Roeland Fernhout en Hugo Metsers) die als tijdverdrijf toeristes die in jeugdherbergen verblijven eerst neuken en dan beroven. Alles gaat op rolletjes, totdat ze in de Russische Lara (Vladka Simac) een tegenstander van formaat treffen. Heel aardig, hoewel Fernhout me zoals altijd enorm irriteert.
SILENT WATERS (KHAMOSH PANI) uit 2003 is het debuut van de Pakistaanse filmmaakster Sabiha Sumar. De film speelt zich af op het eind van de jaren zeventig in een dorpje dat voor de onafhankelijkheid van Pakistan door sikhs bewoond werd en nu islamitisch is. Salim is een mooie jongen van 17 die opgevoed wordt door zijn alleenstaande moeder (bekende actrice Kirron Kher), die Koranlessen geeft. Hij weet niet goed wat hij met zijn leven wil, behalve dromen en een beetje verliefd hangen rond Zubeida (het debuut van Shilpa Shukla). In het begin is de film kleurig en vrolijk, vol muziek en dans, zoals je het vaak ziet in Bollywood, maar staatshoofd Zia roept het tot dan toe seculiere Pakistan uit tot islamitische staat en ook de wat stuurloze Salim raakt in de ban van twee humorloze fundamentalisten die zich in het dorp vestigen. Hij raakt vervreemd van de wereldse Zubeida en van zijn moeder, die wat gebeurt met grote zorg beziet. Zij draagt een geheim verleden met zich mee, dat in korte tussenscènes met uitgebleekte beelden langzaam onthuld wordt. Een fascinerend stukje geschiedenis, mooi en subtiel aangrijpend verfilmd. Ik gaf de film 20 jaar geleden een ***½ (van de *****), en dat blijft een accurate waardering. Maar toen was het ver weg, nu hebben ook hier de zeloten het overgenomen (en dan doel ik op de fascisten van de PVV en consorten, die zich in niets onderscheiden van de moslimfundamentalisten).
De Hongaarse film SIMON MÁGUS van Ildikó Enyedi (MY 20th CENTURY) uit 1999 is een beetje een vreemde, mysterieuze maar ook stuurloze droge komedie geworden over een vermoeide Simon de Magiër die in het heden de strijd aangaat met een oude vijand. Wel sympathiek allemaal, een paar sterke scènes, maar onvoldoende uitgewerkt. Alsof de allereerste versie van het scenario maar meteen verfilmd is.
Bij hoge uitzondering zit achter de still een clipje verborgen. Klik op de foto en bekijk en beluister het geweldige dansje op Kool Thing van Sonic Youth. Uit de gortdroge misdaadkomedie SIMPLE MEN van Hal Hartley uit 1992 met achtereenvolgens Martin Donovan, de uiterst bevallige Elina Löwensohn, Bill Sage, Robert John Burke en Karen Sillas.
A SIMPLE PLAN is topamusement van Sam Raimi, met glansrollen voor Billy Bob Thornton en Bridget Fonda; Bill Paxton steekt er bleekjes tegen af. Alles draait om een in een neergestort vliegtuig gevonden tas met 4 miljoen dollar en hoe dit het leven van de vinders totaal de vernieling in helpt, met doden ten gevolg. Heerlijke film.
SISTERS van Brian De Palma uit 1973 zag ik toen ik nog heel jong was en daarna nooit meer en ik heb hem nooit gevonden op dvd, dus het is bij die ene keer gebleven, maar ik vond hem geweldig toen en ben altijd fan gebleven van Margot Kidder, die in 2018 na een tragisch leven van mentale instabiliteit (ze was bipolair) zelfmoord pleegde. Heel veel scènes in de film worden simultaan vanuit twee verschillende perspectieven in splitscreen vertoond, een ongebruikelijk procedé dat hier echter zeer effectief ingezet wordt.
In 1939 leidt Judi Dench aan de Engelse zuidkust een kostschool voor dochters en kleindochters van nazi-kopstukken. Omdat de Engelse regering deze meisjes eventueel als onderhandelingsmateriaal in het land wil houden werken ze de spion Eddie Izzard naar binnen als leraar. Ik wist niet dat Izzard in staat was tot serieus acteerwerk, maar het gaat haar best goed af in SIX MINUTES TO MIDNIGHT. Het hele verhaal en plot is zo knullig en onbenullig dat ik eerder geloof dat zoiets werkelijk gebeurd is dan wat ons in al die heldhaftige en vernuftige oorlogsfilms wordt voorgehouden. Die kostschool heeft overigens werkelijk bestaan.
De filmstill van vandaag komt uit DE SMAAK VAN WATER uit 1980 van Orlow Seunke, met Gerard Thoolen en Dorijn Curvers. In mijn herinnering een van de indrukwekkendste films van Nederlandse bodem. Over een ambtenaar van de sociale dienst die zijn cynisme kwijtraakt als hij in de kast van een overleden echtpaar een mensenschuw meisje aantreft en zich over haar ontfermt. Een grimmige nogal abstracte film die doet denken aan Kafka maar is gebaseerd op een verhaal van György Konrád. Won een Leeuw in Venetië voor beste debuut maar lijkt inmiddels helemaal vergeten.
Brian De Palma wordt wel vaker verweten meer van de vorm dan van de inhoud te zijn. SNAKE EYES uit 1998 is daar een goed voorbeeld van. De film blijft je vooral bij vanwege het duizelingwekkende en indrukwekkende camerawerk. Meteen al het begin: een twintig minuten durende, ogenschijnlijk niet gemonteerde steadycambeweging die de corrupte agent Rick Santoro (Nicolas Cage) volgt terwijl hij zich een weg baant door een sporthal in Atlantic City, waar een kampioenswedstrijd zwaargewichtboksen op het punt staat te beginnen. Daar loopt hij zijn vriend Kevin Dunne (Gary Sinise) tegen het lijf, een marinecommandant belast met het beschermen van de gouverneur. Dunne wordt afgeleid en de gouverneur wordt onder toeziend oog van Santoro eerst belaagd door een mysterieuze vrouw in het wit (Carla Gugino) en daarna vermoord door een sluipschutter. De schutter is snel gevonden en gedood, door Dunne, maar er zit meer achter. Santoro gaat op zoek naar de in de massa opgegane mysterieuze vrouw. Al snel is het de kijker duidelijk hoe de vork in de steel zit en wie het brein erachter is, wat niet wegneemt dat de film zijn spanning weet te behouden. Het verhaal stelt dan ook niet zo erg veel voor en de als altijd op het hysterische af acterende Cage weet deze keer net aan de goede kant van mijn irritatiegrens te blijven. Wat de film interessant maakt is, zoals gezegd, het camerawerk. Er zijn meer van die lange steadycamsequenties en soms wordt een subjectieve camera gehanteerd, die dan weer met een halve pan objectief wordt. Dat soort dingen. Ook de muziek van Ryuichi Sakamoto wordt efficiënt ingezet. Deze film niet te verwarren met de film met dezelfde titel van een paar jaar ervoor, van Abel Ferrara, met Harvey Keitel en Madonna, die trouwens ook niet al te best is.
Ik heb geschreven en een lezing gehouden (zie hier) over SOKOUT (DE STILTE) van de Iraanse filmregisseur Mohsen Makhmalbaf, een film die gaat over geluid, maar gisteren zag ik een interview van een uur met Makhmalbaf waarin hij dingen over de film vertelde die ik niet wist. Zoals dat de hoofdrolspeler, het blinde jongetje, niet blind is maar getraind door dochter Samira Makhmalbaf om met de ogen dicht te kunnen lopen, en dat dit jongetje gespeeld wordt door: een meisje! En dat het gebaseerd is op Mohsens eigen jeugd, omdat hij van zijn lieve maar zeer religieuze oma geen film mocht kijken en geen muziek mocht luisteren (en als hij muziek hoorde hij zijn oren moest dichtstoppen) omdat hij anders naar de hel zou gaan, zodat een van de grootste hedendaagse regisseurs pas op zijn 22e zijn eerste film zag! Voor mij aanleiding om de film weer eens in de bluray-la te schuiven.
Aan alles bij SOLARIS (1972, naar de roman van Stanislas Lem) kun je zien dat regisseur Andrej Tarkovski totaal niet geïnteresseerd is in science fiction, dus lapt hij alle techniek en alle regels die met ruimtevaart te maken hebben aan zijn laars. Het zou zich net zo goed op een afgelegen deel van de Aarde waar andere natuurwetten gelden kunnen afspelen, wat hij een paar jaar later met STALKER, de beste film ooit gemaakt, inderdaad zou gaan doen. De psycholoog Kris Kelvin (Donatas Banionos) komt aan op een ruimtestation dat de planeet Solaris observeert. Van de 85 bemanningsleden zijn er nog 3 over, twee eigenlijk omdat een van hen zelfmoord heeft gepleegd. Al lang geleden is door wetenschappers de route om de wetten van Solaris te onderzoeken en proberen te begrijpen losgelaten, en Kelvin is er om te bekijken in hoeverre de vreemde verschijnselen, die voortkomen uit de planeet, een grote oceaan die een bewust wezen lijkt te zijn, het geestelijke welbevinden van de bemanningsleden hebben aangetast, en om het ruimtestation te ontmantelen. Hij treft wanorde aan, en de twee wetenschapper aan boord reageren vreemd.
Kelvin komt er al snel achter dat het planeetbewustzijn mensen uit de herinneringen van de individuele mens kan materialiseren. Hij wordt wakker en zijn ex-vrouw Hari (Natalya Bondarchuk), die tien jaar eerder zelfmoord heeft gepleegd, is weer tot leven gewekt. Via haar, door haar te beschouwen als een echt mens en een (hernieuwde) liefdesrelatie met haar aan te gaan probeert Kelvin tot het bewustzijn van de planeet door te dringen. En inderdaad wordt ze steeds meer mens, wordt ze zich bewust van haar eigen situatie en van wie ze in werkelijkheid is, maar dat gaat ten koste van hem. In feite houdt de film ons een spiegel voor en reflecteert op ons mens-zijn. Dr. Snaut, een van de twee overgebleven wetenschappers, zegt: “Wetenschap? Onzin! In deze situatie zijn middelmatigheid en genialiteit allebei nutteloos. Ik moet vertellen dat wij helemaal niet verlangen om welke kosmos dan ook te veroveren. Wij willen de Aarde uitbreiden tot de grenzen van het universum. We weten niet wat te doen met andere werelden. We hebben geen andere werelden nodig. We hebben een spiegel nodig. We worstelen om contact te maken, maar het lukt ons nooit. We bevinden ons in de belachelijk positie dat we een doel nastreven waar we bang voor zijn en dat we niet eens nodig hebben. Het gaat om de mens in relatie tot de mens.” De film probeert liefde te doorgronden, niet slechts liefde als intermenselijke relatie, maar vooral Liefde als het allesomvattende en verstandelijk onbegrijpelijke begrip waar Christus het over heeft, hier verbeeld als de liefde tussen mens en projectie (Kris en Hari). De eindscène van deze contemplatieve, de grote levensvragen stellende film is troostend en tegelijkertijd zeer verontrustend.
SOLARIS uit 2002 van Steven Soderbergh is geen remake van de gelijknamige film van Tarkovski (zie direct hierboven) maar een nieuwe verfilming van het boek van Stanislas Lem. Omdat beide films hetzelfde bronmateriaal gebruiken komen de verhaallijnen grotendeels overeen, al wijkt het einde nogal af (maar blijft in essentie overigens gelijk). Ook hanteert Soderbergh hier een bedachtzame stijl, net als Tarkovski, vol onderhuidse dreiging, daarbij geholpen door de magnifieke muziekscore van Cliff Martinez (drummer bij de laatste incarnatie van Captain Beefheart & The Magic Band). Hoewel de verklaarde atheïst Soderbergh wel degelijk zo nu en dan een religieuze, existentialistische insteek laat doorschemeren is zijn SOLARIS meer een verhaal over schuldgevoel, menselijke liefde en moraal. Hij concentreert zich veel meer op de voorbije relatie tussen Chris Kelvin (George Clooney) en Freya, zoals Hari nu heet (Natascha McElhone), en spiegelt deze aan wat tussen Kelvin en de Solaris-Freya gebeurt. Sterker nog, de Solaris-Freya spiegelt zichzelf voortdurend aan de Aarde-Freya. Dat maakt deze film meer een onconventioneel liefdesverhaal in een science fiction setting dan de abstractere, een uur langer durende versie van Tarkovski. Dat wil niet zeggen dat Soderberghs interpretatie niet geslaagd is. Integendeel, hij maakt er een sterke film van, met prima spel van Clooney en McElhone, naast de, als altijd, erg krachtig spelende Viola Davis en de mafketel Jeremy Davis.
Soms vraag ik me af wat me bezielde als ik mijn waardering van films in mijn “catalogus” zie. Een redelijke waardering was de reden om deze film in de la van mijn speler te gooien. Ik heb het over SOLEIL ROUGE, een western uit 1971 van Bond-regisseur Terence Young. Met Charles Bronson, Ursula Andress, Alain Delon en Toshiro Mifune. Inderdaad, een totaal internationale cast: een Amerikaanse hoofdrol, met een Zwitserse, Japanse en Franse tegenspeler onder een Engelse regisseur. Dat is al het positieve wat er over de film te zeggen valt. O ja, Delon is mooi en Mifune maakt korte metten met westerse superioriteit, maar voor de rest: verspilling van tijd. Wat me nog het meest ergerde was dat ze in 1971 toch beter moesten weten. Ik doel op de racistische invulling van de Indianen. Kom op, zeg, wat een armzalige clichévertoning. Daar doen de naaktscènes van Andress (ik word koud noch warm van haar, nooit) niets aan af. Toen ik de film kocht en voor de eerste keer zag was ik blijkbaar in een zeer ruimhartige bui.
De titel zegt het al, van deze film word je niet vrolijk: SOMBRE uit 1998 van Philippe Grandrieux, met Elina Löwensohn. Tijdens het kijken word je op en neer geslingerd tussen walging en fascinatie.Over een poppenkastspeler die door het land trekt om op te treden en een spoor van dode vrouwen achterlaat. Hij speelt het echter niet klaar om juist haar te vermoorden. Zeer duister en zeer angstaanjagend, met magnifiek gebruik van licht en functioneel experimenteel camerawerk binnen de narratieve structuur. In latere films zou hij het trucje echter blijven herhalen.
Je kunt niet zeggen dat de Zuid-Afrikaanse film SON OF MAN van Mark Dornford-May diep graaft. De personages blijven aan de oppervlakte en het verhaal volgt de gekende wegen. De context is wel bijzonder want de film plaatst Jezus in een hedendaagse Afrikaanse setting, in een politiek onrustig land waarin het volk opstandig is en machthebbers onder Herodes het volk afslacht. Jammer dat de stijl van het eerste kwart van de film, waarin de beeldtaal van Afrikaanse mythische films gehanteerd wordt, niet volgehouden wordt en pas op het einde terugkeert en het middendeel een nogal droge opsomming is van enkele van Jezus’ daden en leringen, maar de muziek maakt veel goed. Pauline Malefane speelt Maria, schreef mee aan het scenario en heeft een geweldig krachtige stem en uitstraling. Ze speelde een jaar eerder de rol van Carmen in Dornford-May’s adaptatie van Bizets opera in een film die wel een Nederlandse distributie kreeg: U-CARMEN e-KAYELITSHA (zie aldaar). Op de foto zien we Jezus bidden in het Hof van Gethsemane, met de apostelen op de achtergrond.
In SOUS LE SABLE van François Ozon zien we een (in elk geval ogenschijnlijk) gelukkig echtpaar van middelbare leeftijd (Bruno Cremer en Charlotte Rampling) op de eerste dag van hun vakantie. Terwijl de vrouw op het strand ligt te zonnen gaat de man de zee in. Hij keert echter niet terug. De vrouw weigert zijn verdwijning te aanvaarden, ontkent letterlijk zijn afwezigheid. Overtuigend juist door haar minimale acteren staat Charlotte Rampling eindelijk weer eens in het middelpunt. Ozon trekt bijna een monument voor haar op en bewijst zijn veelzijdigheid door nu eens uiterst beheerst te werk te gaan.
Een stuk of 8 reservisten gaan op oefening in de bayou van Louisiana en raken verdwaald. Ze denken dat ze open water moeten oversteken en stelen daarom een boot van de cajuns. Voor de grap schiet een van hen zijn mitrailleur met losse flodders leeg op de bestolenen, maar die schieten met scherp terug. Er ontstaat een soort guerilla-oorlog en al snel legt de een na de ander het loodje. SOUTHERN COMFORT (1981), van Walter Hill en met oa Keith Carradine, Powers Boothe, Fred Ward en Peter Coyote, is een soort DELIVERANCE meets APOCALYPSE NOW, en ik moest ook heel erg denken aan De Schim Van Mijn Liefde, een roman van de Vietnamese schrijfster Duong Thu Huong over een soldaat die tijdens de oorlog zijn regiment kwijtraakt en veertien jaar alleen door de jungle zwerft. De passages die hierover gaan, want de roman heeft een heel ander onderwerp. De vriend met wie ik de film keek verbaasde zich erover dat ik SOUTHERN COMFORT nog nooit gezien had; ik heb er althans geen actieve herinnering aan. De film kwam een beetje laat, want de Amerikanen hadden in 1981 inmiddels genoeg van het cynisme, de zelfkritiek, van het tonen van het eigen falen, en kozen massaal voor Reagan als president en Rambo die liet zien hoe je de oorlog alsnog kon winnen. De muziek is van Ry Cooder.
Halverwege THE SOUVENIR vroeg ik me af of ik verder wilde kijken. De film is een semi-autobiografische vertelling van regisseur Joanna Hogg, uit de tijd dat ze begin jaren tachtig zelf als meisje uit een geprivilegieerd milieu op de filmacademie zat en in een relatie terechtkwam met een behoorlijk onbetrouwbare en arrogante man, die ook nog eens een junkie bleek te zijn. Ik vond hem vanaf het begin al onuitstaanbaar, terwijl zij zich geestelijk helemaal leeg laat zuigen door hem. Mijn probleem is dat het soms lijkt alsof je real time zit mee te kijken, met alle nietszeggendheid vandien, maar dat alles zo afstandelijk wordt geobserveerd dat je geen deelgenoot wordt. Er zijn momenten waarop dat doorbroken wordt, bijvoorbeeld het geluid van de lach van de protagonist, prachtig naïef en kwetsbaar gespeeld door Honor Swinton Byrne, de dochter van Tilda Swinton, in deze film ook haar moeder. Die lach is zo echt, zo aards. Joanna Hogg en Tilda Swinton zijn overigens al sinds hun vroege jeugd bevriend. Toen ik het handvat kreeg dat juist omdat ze het allemaal zelf had meegemaakt ze bewust die gestileerde vorm gekozen had, misschien wel om er geen egotrip vol zelfmedelijden van te maken, of om eerlijk haar eigen on-macht om als bevoorrecht meisje op eigen benen te staan en het echte leven aan te gaan, te kunnen analyseren, toen werd de film meteen een stuk boeiender. Bleek het juist een heel intieme film te zijn. Nu kan ik niet wachten totdat het inmiddels gemaakte vervolg op Netflix verschijnt.
SPACED OUT aka OUTER TOUCH is een Engelse science fiction sekskomedie uit 1979 en gaat over drie mannen en een vrouw die ontvoerd worden in een ruimteschip, dat bestuurd wordt door drie vrouwelijke aliens, die het bestaan van mannen niet kennen en hen platborstigen noemen. Ze weten ook niks van seks dus er valt veel te verkennen. 6cm, hé 9cm, wat is er met mijn meetapparaat aan de hand, wow 15cm. Van dat niveau dus, en zeer knullig, maar de film bezit een zekere charme, is zeer grappig (zoals de aanhoudend om aandacht smekende sprekende boordcomputer, wiens rampberichten voortdurend genegeerd worden terwijl het schip letterlijk uit elkaar valt), en de vrouwen zijn aantrekkelijk.
Toen ik de film SPIRAL: FROM THE BOOK OF SAW ging kijken, had ik niet in gaten dat de toevoeging in de titel betekende dat de film deel uitmaakt van de SAW-filmreeks. Die heb ik nooit gezien en nooit willen zien, en na het kijken van deze film word ik in die keuze bevestigd. Een afgezaagd wraak-verhaaltje als kapstok om zoveel mogelijk wreedheden te laten zien. Ook het acteerwerk is van een van-dik-hout-zaagt-men planken niveau, maar meer kunnen we ook niet van Chris Rock verwachten, maar wel van Samuel L Jackson. Waardeloze film, alleen geschikt voor mensen die voor hun plezier in een abattoir rondhangen.
THE SPIRAL STAIRCASE uit 1946 is een gothic thriller van Robert Siodmak, met in de hoofdrol de lieftallige Dorothy McGuire als meisje dat niet kan praten terwijl er in het gigantische landhuis waar ze werkt een moordenaar rondloopt die het voorzien heeft op meisjes met een gebrek. “Er is geen plek op de wereld voor imperfectie,” zal de moordenaar aan haar uitleggen op het moment dat hij haar wil ombrengen. Buiten regent en bliksemt het constant, zoals hoort bij dergelijke films. De film is sfeervol en op momenten spannend, en heeft prachtig suggestief camerawerk. Verder met George Brent, Kent Smith, Ethel Barrymore, Rhonda Fleming en Elsa Lanchester.
1 van de weinige Amerikaanse strips die ik te pruimen vind, Will Eisners The Spirit, wat heet, ik vind ze geweldig. Dus benieuwd naar de film, van Frank Miller, die toch het prachtige SIN CITY heeft gemaakt, met in de voornaamste rollen Gabriel Macht, Samuel L Jackson, Scarlett Johansson en Jaime King. Maar wat is THE SPIRIT vreselijk en wat een totaal verkeerde benadering. Een pornoversie van Suske & Wiske lijkt meer op een echte Willy Vandersteen dan dit gedrocht op de originele comic.
voor THE SPIRITUALIST, zie THE AMAZING MR X
Vandaag komt de filmstill uit SPOORLOOS van George Sluizer uit 1988, met Gene Bervoets, Jean-Pierre Donnadieu en de debuterende Johanna ter Steege. Een film van Hitchcockiaanse allure, zonder overigens zo’n niveau te halen. Niettemin spannend en verontrustend en goed geacteerd. Sluizer maakte enkele jaren later een Amerikaanse remake, maar die haalt het ondanks het 10x zo grote budget en een topcast niet van het origineel. Bij lange na niet.
Nadat hij het scenario had geschreven van de door Larry Clark geregisseerde film KIDS (1995) werd Harmony Korine gezien als het wonderkind dat de onafhankelijke cinema zou redden. Zijn eigen films GUMMO en JULIEN DONKEY-BOY zijn echter te eigenzinnig, ronduit bizar en verontrustend voor de gemiddelde kijker. SPRING BREAKERS uit 2012 is echter veel toegankelijker en vertelt zowaar een echt verhaal, met kop en staart, het is niet een film als een grap waarvan de clou niet verteld wordt (zijn eigen woorden). Faith, Candy, Cotty en Brit (respectievelijk vlnr Selena Gomez, Vanessa Hudgens, Harmony’s vrouw Rachel Korine en Ashley Benson) zijn vanaf hun kindertijd vriendinnen, maar terwijl Faith opgroeit als braaf, diep gelovig meisje leven de andere drie puur voor de kick. Ze gaan met zijn vieren naar St. Petersburg, Florida, om spring break te vieren. Daar worden ze tijdens een uit de hand lopend feestje vol drank, drugs, seks en vernielzucht gearresteerd. Alien (James Franco) is een pocherige crimineel uit de stad, vindt zichzelf geweldig, ziet wel wat in de meisjes en betaalt hun borg. Faith haakt al snel af, maar de andere meisjes vinden het geweldig om als een soort misdaadharem van Alien te fungeren. Korine gebruikt allerlei vervreemdende technieken en vertelwijzen om de film een dromerige, surrealistische sfeer te geven, van oververzadigde kleuren, het niet synchroon laten lopen van beeld en geluid, herhalingen, sprongetjes in tijd, vooruit en terug, voice overs van de meisjes die in telefoongesprekjes naar hun moeder een contrastrerend beeld schetsen, en slaagt er zo in om een intrigerende film te maken van een dun verhaaltje. Op de foto worden de meisjes na op borg te zijn vrijgelaten door Alien gerekruteerd.
Wat mij betreft de beste film die ooit gemaakt is. Het voor de zoveelste keer herzien, sinds lang weer op het grote scherm, een jaar of twee geleden, bevestigde het weer eens: het kan geen andere zijn dan STALKER van Andrej Tarkovski. De film zit zo boordevol met de mooiste beelden die je in je leven zult zien, met levensbeschouwelijke bespiegelingen en mystiek, dat je hem rustig 10 keer kunt kijken en elke keer weer nieuwe dingen ontdekt en een waardevolle ervaring rijker de zaal uitkomt. Nee, inhoudelijk geen gemakkelijke kost maar als je hem niet goed kunt volgen zijn er altijd die plaatjes nog. Op Tarkovski's grafsteen staat “Voor de man die de Engel zag” en misschien heeft dat wel betrekking op iedereen die een film van Tarkovski heeft gezien.
George Sluizer heeft met STAMPING GROUND het legendarische popfestival van Kralingen in 1970 geregistreerd. Nou is het natuurlijk onmogelijk om bij een vol driedaags festival elke optredende artiest in anderhalf uur aan bod te laten komen, dat maakt de keuze om een aantal bands meer keer te laten zien (wat in het geval van Santana nog te verdedigen valt maar bij Pink Floyd een gigantisch fiasco is) en aan veel andere geen aandacht te besteden wat mij betreft onverteerbaar. Leuk om o.a. The Byrds, Dr. John The Nighttripper, T. Rex en vooral The Soft Machine (het absolute hoogtepunt!) te zien, maar de kans om zeldzame opnames van de maar zeer kort bestaan hebbende band Fotheringay niet te gebruiken is onvergeeflijk. Daarom hier een stukje audio van hun optreden. Klik op het plaatje om te luisteren naar de legendarische Sandy Denny en haar engelenstem.
De still van vandaag komt uit LA STANZA DEL FIGLIO uit 2001 van en met Nanni Moretti en verder met Jasmine Trinca en Laura Morante. Wat mij betreft Moretti’s beste film, over hoe een harmo-nisch gezin de dood van de zoon probeert te verwerken. Een diep doorleefde film. Wat me vooral bijstaat is de scène waarin Moretti als de vader de basketbalpartij van de dochter binnenkomt om haar te vertellen dat haar broer dood is. Slechts blikken over en weer heeft Moretti de regisseur nodig. Maar goed, we kennen de blik van Trinca uit LA MEGLIO GIOVENTÙ (zie aldaar), die kan een hele film dragen. Hartverscheurend.
LA STANZA DEL VESCOVO speelt zich net na WOII af op en rond Lago Maggiore. Patrick Dewaere dobbert er nietsnuttend rond in zijn bootje en heeft een vriendin in elk dorp dat aan het meer ligt. Dan ontmoet hij Ugo Tognazzi die hem uitnodigt om bij hem thuis te komen eten. Dat blijkt een gigantisch gebouw te zijn, waar hij woont met zijn oude, bittere vrouw en bloedmooie jonge schoonzus, die weduwe is. De man is een rokkenjager, een driftkikker en een fantast en dringt zich aan Dewaere op om thuis te ontvluchten. Samen varen ze over het meer en beleven avontuurtjes. Dan verandert deze komedie in een moordmysterie. Dewaere en de kijker zien Tognazzi als een leugenachtige manipulator, en dat is hij zeker, maar staat er niet iemand op de achtergrond uiterst beheerst aan alle touwtjes te trekken? Nog net op tijd heeft Dewaere het door. Tognazzi speelt de sterren van de hemel, waar zelfs Dewaere bleek bij afsteekt, naast een bijna lethargisch beheerste Ornella Muti, de schoonzus, die in de periode dat deze film gemaakt is uitgeroepen werd tot de mooiste vrouw op aarde.
Meer dan eens heb ik beweerd dat ik, hoewel fan van alle Star Trek series, de STAR TREK films van mindere kwaliteit vind. Bij het herzien van de 6 films met de originele crew moet ik zeggen dat mijn oorspronkelijke oordeel wel geldt voor de THE MOTION PICTURE en ook min of meer voor THE WRATH OF KHAN, maar met name deel III, THE SEARCH FOR SPOCK, is erg goed en het erop volgende deel een amusante curiositeit, want THE VOYAGE HOME is in zijn uitwerking nauwelijks een scifi-film maar vooral een komedie met een sterk ecologische boodschap. Save The Whales! Wat ook opvalt is dat terwijl de serie een aaneenschakeling van losse afleveringen was, de films een doorlopend verhaal vertellen; de volgende begint precies waar de vorige ophield. Deel V THE LAST FRONTIER staat bol van oubollige grappen. In deze film gaan ze, zoals de titel al zegt, voorbij de Grote Barrière in het centrum van de Melkweg, waar God woont. Dat zou spannende cinema kunnen opleveren, en even lijkt dat ook zo, maar de kijker wordt net zo gedesillusioneerd als de mensen van de Enterprise. Er wordt uitzonderlijk beroerd geacteerd, door iedereen en door William Shatner, die ook meegeschreven had en regisseerde, in het bijzonder. Het dansje van Uhura (foto) mag er trouwens wel zijn. THE UNDISCOVERED COUNTRY is de laatste met de oorspronkelijke cast, dus met William Shatner, Leonard Nimoy, Nichelle Nichols, DeForest Kelly, George Takei, James Doohan en Walter Koenig die respectievelijk Kirk, Spock, Uhura, Bones, Sulu, Scotty en Chekov vertolken. Ze zijn allemaal grijs en gerimpeld en dit is de laatste opdracht voor het pensioen. Ze moeten proberen vrede te bewerkstelligen tussen de Federatie en (een van) hun aartsvijanden, de Klingons. De film gaat over hoe vijanddenken omgezet moet worden in samenwerken en over je eigen vooroordelen onder de loep nemen en opzijzetten om vreedzame coëxistentie een kans te geven. De film spiegelt zich hier duidelijk aan de tijd waarin ie gemaakt is (1991), toen de Sovjet Unie uiteenviel, de Russen hadden immers altijd model gestaan voor de Klingons.
Het was inmiddels zo’n 40 jaar geleden, dus waarom niet de eerste Star Wars film, STAR WARS IV: A NEW HOPE, weer eens kijken? Behalve de oorspronkelijke trilogie zag ik bij uitbreng ook nog THE PHANTOM MENACE en toen ben ik indertijd afgehaakt. Ik vernam dat Veronica van plan is deze maand alle films te gaan uitzenden en ik vraag me af hoever ik deze keer kom. A NEW HOPE valt niet mee, het is escapistische schooljongensboekenromantiek, de plot is simpel en het acteerniveau is bedroevend; zelfs Alec Guinness kan zich niet helemaal aan die malaise onttrekken, maar vooral Harrison Ford valt totaal door de mand. En die zogenaamde wijsheden van Obi-Wan Kenobi zijn van een ronduit lachwekkend kinderniveau. Tijdens het kijken moest ik denken aan wat Xiuling, een vriendin van me, ‘s middags nog tegen me gezegd had: “Zo veel films kijken, dat is toch saai?” Ik antwoordde toen: “Ik kijk elke keer een andere film.” Na deze film moet ik haar gelijk geven.
STAR WARS V: THE EMPIRE STRIKES BACK en STAR WARS VI: RETURN OF THE JEDI zijn een hele vooruitgang ten opzichte van de eerste film. Hoewel het laatste deel nauwelijks meer is dan herhalingen van wat eerder gebeurd is, zit deze aflevering wel het beste in elkaar en wordt het soepelste verteld. Voeg een proloog van een half uur toe aan RETURN OF THE JEDI waarin de eerste twee films worden samengevat en je hebt de hele trilogie als een enkele film. Dan heb je 1 goede film, in plaats van 1 slechte en 2 middelmatige en bespaar je een hoop tijd.
Ik had gedacht dat Veronica na de tweede trilogie de reeks zou vervolgen met de eerste trilogie, de volgorde waarin ze gemaakt zijn, maar ze stomen direct door naar STAR WARS VII: THE FORCE AWAKENS. Het is allemaal meer van hetzelfde, letterlijk de eerdere films gerecycled, maar nu Mark Hamill cs te oud zijn met jonge frisse koppies. Rey (Daisy Ridley) neemt aanvankelijk de rol van Luke Skywalker over om vervolgens te switchen naar Han Solo, John Boyega als Finn die min of meer de Leia-rol overneemt en Adam Driver die de rol van Darth Vader dunnetjes overdoet, niet toevallig de zoon van prinses Leia en Han Solo. Het moet immers binnen de familie blijven. Ben benieuwd van wie Rey de dochter is, maar dat zal in het volgende deel beslist onthuld worden. Niettemin prima vermaak en beter dan de vorige delen. Ook een veel betere cast.
Toen ik na deel VII opmerkte dat de STAR WARS saga eigenlijk telkens hetzelfde verhaal vertelt, elk deel opnieuw, verzekerde iemand me dat STAR WARS VIII: THE LAST JEDI anders is. Dat moge zo zijn, maar dat wil niet zeggen beter. Saai, eendimensionaal en met de diepgang van carpaccio, hoewel onuitstaanbaar pretentieus. En dan hebben we het nog niet gehad over de mislukte pogingen tot humor. Lijkt het eerste deel van de film nog op een gekookt bintje dat meent haute cuisine te zijn, naarmate de film vordert wordt het allemaal wat beter, bijna tot op het vermakelijke af. Nog 1 deel te gaan.
Eens kijken of het laatste deel uitsluitsel geeft waarom STAR WARS zo bijzonder zou zijn. Aan de delen I t/m VI kan het niet liggen, die zijn met deel VI als uitzondering, stuk voor stuk vrij beroerd (zie de lemma's hier direct boven), daarom werd met ingang van deel VII alles met nieuwe technieken en fris nieuw talent dat in elk geval een stuk soepeler acteerde opnieuw gedaan, maar ook dan bleef het puntje van mijn stoel onbezet en verbaasde mij het gebrek aan enige diepgang. Hoeveel uren aan filmavontuur zijn er voorafgegaan aan deel IX: THE RISE OF SKYWALKER en je komt nog steeds niet verder dan een wat schematisch plot dat ook nog warrig verteld wordt, zonder een verhaal dat je bij de strot grijpt (al zou dat wel moeten), zonder personages waarmee je mee kunt voelen? Maar de verwachting van VII wordt ingelost en we ontdekken nu wie de vader van Rey is. Oké, je verveelt je niet, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Al met al: STAR WARS, it’s a gas.
zie ook ROGUE ONE: A STAR WARS STORY
In 2022 verscheen STELLA EST AMOUREUSE, het vervolg op STELLA uit 2008, dus die film uit de kast geplukt voordat ik het vervolg ging kijken. STELLA is een min of meer autobiografische film van de Franse regisseur Sylvie Verheyde. Het titelpersonage (een geweldige Léora Barbara) gaat in 1977 naar de brugklas in een heel ander Parijs’ district dan waar ze woont, en komt terecht tussen de kakkers. Zelf woont ze in een volksbuurt en is opgegroeid in het café van haar ouders, waar alleen stamgasten komen (onder hen, als publiekstrekker, Guillaume Depardieu in een van zijn laatste rollen), allemaal alcoholisten die vroeg zullen sterven. Ze wordt er min of meer aan haar lot overgelaten en zit liever met de vaste gasten (voor wie ze veel te slim is) te kaarten dan dat ze huiswerk maakt. Op school is ze ook een buitenbeentje en ze houdt zichzelf het liefst afzijdig. Toch krijgt ze een vriendin, Gladys, ook uit een andere buurt en het slimste meisje van de klas, die haar in aanraking brengt met boeken. Je leest? vraagt haar moeder stomverbaasd. Via de voice over horen we wat Stella ervaart. Normaal is dat vaak een irritante kunstgreep, maar hier volkomen knap zowel haar gedachten op het moment zelf weergevend alsook een reflectie van een volwassene die terugkijkt, zo een diepere laag gevend. Het is een volkomen naturel middel, zoals alles aan de film heel naturel is. Stella is het type dat op zich af laat komen, observeert, zich aanpast, en groeit. Erg mooi gedaan.
Als je meteen na STELLA de film STELLA EST AMOUREUSE kijkt blijkt deze qua sfeer en vertelwijze naadloos aan te sluiten bij zijn voorganger. We zijn zes jaar verder en Stella begint aan haar eindexamenjaar. Omdat de film niet zes jaar maar veertien jaar later gemaakt is hebben we wel een totaal andere cast; alleen haar vader en de minnaar van haar moeder worden ingevuld door dezelfde acteur. Gladys is nog steeds Stella’s beste vriendin maar ze zijn nu met een groepje van vijf meiden. Ze ontdekken de discotheek en daar wordt Stella verliefd op de ster van de tent, een breakdancer en muzikant. En deze André voelt ook veel voor Stella. Maar Stella weet niet wat ze met haar leven moet, ze is onzeker, zwijgzaam, onvoorspelbaar en, zelfs met haar vriendinnen en zelfs alleen met André, nogal in zichzelf gekeerd. Wel wordt na de scheiding van haar ouders het contact met haar moeder veel en veel beter. Het leven is shit, zegt de moeder. Stella voegt eraan toe: maar mijn moeder weet er wel smaak aan te geven. En dat is precies Stella's leerproces in de film. We kunnen alleen maar hopen dat regisseur Sylvie Verheyde, met Truffauts Antoine Doinel in haar achterhoofd, meer films met Stella gaat maken, en dat mag met Flavie Delangle, die in deze film Stella speelt, maar liever nog met Léora Barbara, die in de oorspronkelijke film Stella speelde en het acteren weer heeft opgepakt. Maar, mijn god, wat wordt er veel gerookt. In elke scène wordt een of meerdere sigaretten aangestoken. Door iedereen. Het werd mij als verstokte roker zelfs af en toe te veel. Op de foto de eerste blikuitwisseling tussen Stella en André.
Meteen na KRAMER VS KRAMER castte regisseur Robert Benton hoofdrolspeler Meryl Streep opnieuw, maar nu in een heel ander soort film. STILL OF THE NIGHT uit 1982 is namelijk een Hitchcockiaanse thriller. Roy Scheider speelt psychiater Sam Rice, van wie een patiënt vermoord is, George Bynum. Hij krijgt de politie op bezoek, maar ook Brooke Reynolds (Streep), de minnares van Bynum, die het tijdens sessies altijd over haar had en haar zelfs onvermoeibaar aan Rice probeerde te koppelen. De politie verdenkt Brooke, Rice wordt verliefd op Brooke, maar verdenkt haar er ook van de moord te hebben gepleegd. Hij neemt zelf meer en meer de rol van privédetective op zich. De film is degelijk vakwerk, laat je geregeld op het puntje van de stoel zitten en kent zelfs enkele echt enge momenten en wie had verwacht dat Meryl Streep ooit in de schoenen van Grace Kelly gepast heeft?
Op de puinhopen van de protopunkband Rocket From The Tombs verrezen midden jaren 70 twee inmiddels legendarische bands: David Thomas en Peter Laughner begonnen Pere Ubu, Cheetah Chrome en Johnny Blitz The Dead Boys. Bij de laatste was Stiv Bators de zanger. Deze had een stage act waarbij vergeleken zijn voorbeelden Jim Morrison, Alice Cooper en Iggy Pop zich als brave schooljongens gedroegen, en ook zijn leven stond in het teken van exces. Zijn favoriete hobby was, naast muziek, practical jokes en drugs, car surfen en dat in zijn blote kont. Na Dead Boys zou hij met de resten van Sham69 The Wanderers oprichten en met Brian James van The Damned The Lords Of The New Church. Er staat nu een docu over hem op Netflix, STIV: NO COMPROMISE, NO REGRETS. Gegarandeerd kijkplezier, met live opnames van oa The Dead Boys. Toch wel goed van Netflix dat ze toch wel best het een en ander uit de marges van de muziek in hun aanbod hebben.
In de Deense film DET STORE FLIP (1997) verhuist ergens midden jaren zeventig een zestienjarige jongen met zijn ouders naar een maoïstische commune. Is het een poging de tijdgeest te vangen? Is het een coming-of-age drama? Is het een kritiek op het radicale commu-nisme uit de jaren 60/70? Is het een satire? Is het een parodie? Het is in elk geval totaal ondoordacht, dom, slecht geschreven en opper-vlakkig. Waarschijnlijk zag Lukas Moodysson deze film, dacht, dat kan ik beter en maakte TILLSAMMANS. Ter illustratie: wanneer de jongen met zijn meisje uit de platenwinkel komt heeft hij de lp How Dare You! van 10CC onder de arm. Eenmaal thuis leggen ze de lp op de draaitafel, de naald zakt en dan klinkt The Lamb Lies Down On Broadway van Genesis, en niet eens het eerste liedje van kant 1, maar het vierde liedje van kant 2. Opmerkelijk: er zit een scène in in een zweethut en het hoofdpersonage is de enige met kleren aan. In de film die ik direct erna zag (KOM HIER DAT IK U KUS, dus ander land, andere tijd, ander onderwerp) zat ook een scène in een zweethut waarbij het hoofdpersonage de enige is die de kleren aanhoudt.
STORYTELLING van Todd Solondz uit 2001 vertelt twee verhalen: “Fiction” gaat over een literatuurstudente (Selma Blair) die zich door haar docent (Robert Wisdom) laat verkrachten, er een verhaal over schrijft en dat voorleest voor de klas. “Nonfiction” gaat over een gefrustreerd documentairemaker (Paul Giamatti), die in contact komt met een disfunctioneel gezin, met John Goodman en Julie Hagerty als ouders en Noah Fleiss als zoon, en zijn jongere broertje (Mark Webber) wiens ambitie niet verder gaat dan “op de tv willen”. Er wordt over de hele linie sterk geacteerd in deze bittere film vol wrange humor. Deel 1 is strak verteld en sterk, deel 2 zwabbbert een beetje, alsof Solondz niet precies weet welk verhaal hij nou wil vertellen. Behalve dan dat hij niet van mensen houdt.
Je neemt niet alleen op wat je ziet maar dit apparaatje gaat een directe verbinding aan met je hersens zodat alles wat je meemaakt, voelt, ervaart op degene die later de opnames bekijkt overgedragen wordt. Het is verboden maar anno oudejaarsdag 1999 handelt voormalig LAPD-agent Lenny (Ralph Fiennes) erin, in STRANGE DAYS (1995) van Kathryn Bigelow, op een scenario van James Cameron. Het duurt zo’n drie kwartier voordat Lenny een opname in handen krijgt dat explosief materiaal bevat. Tot dat wordt zijn leefwereld geschetst, en zijn directe relaties neergezet: zijn beste vriend, privédetective Max (Tom Sizemore, met belachelijke pruik), handelaar in deze verboden opnames Tick (Richard Edson), zijn obsessie voor zijn ex, zangeres Faith (Juliette Lewis, ze zingt in de film liedjes van PJ Harvey), haar huidige vriend, paranoïde producer Gant (Michael Wincott) en Mace (Angela Bassett), de enige met een moreel kompas. De explosieve opnames betreffen de dood van rapper Jeriko One (Glenn Plummer), immens populair bij het volk, gehaat door de politie. Het is Bigelow wel toevertrouwd om een uitstekende actiefilm te maken en de film zit dan ook goed in elkaar, is flitsend, spannend en interessant, maar de film faalt als het geen actiescènes zijn. Hoe ze het met zo’n cast klaarspeelt zou ik niet weten, maar als de film meer over de personen en hun relaties gaat, overtuigt ze allerminst en weet ze deze topcast behoorlijk bedroevende prestaties te ontlokken, iets wat me trouwens eerdere keren dat ik de film zag nauwelijks was opgevallen. Ook de finale, de shoot out een paar minuten voordat het jaar 2000 begint, tussen het feestvierende publiek in LA, is over the top. Niettemin, als science fiction actiefilm zeer geslaagd en veel meer dan hersenloos popcornvermaak, want Bigelow (en Cameron) heeft wel degelijk iets te vertellen, bijvoorbeeld over wat de verantwoordelijkheid is van degene die veilig op afstand toekijkt zonder deel te nemen, waarbij ze dus ook kritisch kijkt naar haar eigen vakgebied en de afnemers van haar producten.
Soms voel ik me een Westlander die PVV gestemd heeft en zich nu begint af te vragen waar hij, als zijn “partij” zijn zin krijgt, straks al die arbeidskrachten vandaan moet gaan halen. Ik heb STRANGE WORLD OF COFFIN JOE (O ESTRANHO MUNDO DE ZÉ DO CAIXÃO) uit 1968 uit mijn kast gepakt, wetende dat ik hem bij de eerste keer zien waardeloos vond, en vraag me af waarom alweer. Op de dvd-hoes staat dat hij de Braziliaanse Hitchcock, Bava en Buñuel in één is. Dat is waarschijnlijk de reden geweest waarom ik de film ooit gekocht heb. Deze productie bestaat uit drie korte verhalen en wordt omlijst door regisseur Jose Mojica Marins als Coffin Joe die ons tegen een achtergrond van dreigende luchten en bliksemschichten, alsof hij God zelf is, of op zijn minst Orson Welles, halfbakken filosofieën bestaande uit lege clichés toespuugt. Pas na meer dan zeven minuten begint het eerste verhaaltje, over een poppenmaker met vier dochters die hij mannen met mooie ogen laat verleiden om hun ogen uit te steken, welke hij vervolgens gebruikt voor zijn poppen. Het tweede verhaal gaat over een gebochelde ballonnenverkoper die geobsedeerd is door een mooie jonge vrouw, zelfs tot na haar dood. In het derde en minst slechte verhaal probeert een professor (Marins zelf) te bewijzen dat je elk mens zover kan krijgen dat de primaire instincten het overnemen en zelfs kannibalisme normaal wordt bevonden. Ik meende zelfs performances van het legendarische Venlose theaterduo Instituut Bizar te herkennen.
De technische kant van de film is om te huilen. Hij speelt het klaar om in een en dezelfde scène de zwart-wit fotografie afwisselend keihard en vol grijstinten te laten zijn, en nu eens onderbelicht en dan weer totaal overbelicht. De geluidsband wisselt bijna onhoorbaar en vervormd gemurmel af met normaal gesproken passages, ook binnen dezelfde scène. Alsof verschillende prints van uiteenlopende kwaliteit aan elkaar zijn geplakt. Het wordt gepresenteerd als ‘cult’ maar is in dit geval gewoon belabberd slecht. Toch heeft de man 43 films als regisseur op zijn naam staan. Misschien heb ik gewoon die ene mislukking gekocht.
De filmstill van vandaag komt uit STRANGER THAN PARADISE uit 1984 van Jim Jarmusch. Hier staan van rechts naar links John Lurie, Eszter Balint en Richard Edson niet aan de oever van Lake Erie, Cleveland, waar het middendeel van de film zich afspeelt, maar aan de Atlantische kust van Florida. Hoofdrolspeler John Lurie is voornamelijk bekend als übercoole saxofonist en leider van fakejazzband The Lounge Lizards en ook Eszter Balint is in de eerste plaats muzikant.
De filmstill van vandaag komt uit de zeer verontrustende Japanse film SUICIDE CLUB (JISATSU SAKURU) uit 2001. Dit schreef ik er toen over: "Op een dag plegen 54 meisjes collectief zelfmoord door allemaal hand in hand voor de trein te springen. Een vloedgolf aan massazelfmoorden volgt, die verband lijken te houden met een populaire meisjesband. Zeer verontrustende film over de waarde van het leven, massapsychose en de vraag in hoeverre wij nog in relatie staan tot onszelf. De derde Japanse film met deze onderwerpen die ik dit jaar in Rotterdam zag (vgl. DISTANCE en KAÏRO). Japan is erg ziek of, net als de kinderen in deze film, nog onbevangen en voelt als eerste aan wat er zo mis is met de mensheid."
Aan alles bij SUMMER OF FEAR is te zien dat het een tv-film is: hoe hij eruit ziet, hoe hij is opgebouwd, hoe er geacteerd wordt, het ademt allemaal jaren 70 tv-film. En dat klopt, het is STRANGER IN OUR HOUSE, een tv-horror uit 1978 met 4 toegevoegde minuten. Waarom indertijd gedacht werd dat deze tv-productie bioscoop-waardig was valt nu niet meer te achterhalen. Dat neemt niet weg dat deze vroege Wes Craven het kijken waard is. Het gaat over pubermeisje Rachel (Linda Blair, meteen na EXORCIST II: THE HERETIC), die het allemaal heeft: deel van een gelukkig gezin, een eigen paard, een leuke vriend. Nadat de ouders van haar nichtje Julia (Lee Purcell) zijn omgekomen neemt dit harmonieuze gezin haar in huis. Al snel beginnen er vreemde dingen te gebeuren en neemt Julia Rachels leven als het ware over, en meteen ook de affectie van Rachels familie en vrienden. Alleen Rachel heeft door dat Julia niet is wie ze zegt te zijn. Let op Fran Drescher, Rachels beste vriendin en nog niet behept met de nasale stem die haar wereldfaam zou bezorgen. Cheesy, zoal de Amerikanen zeggen, en helemaal niet eng, en niet alleen vanwege Linda Blair een kijkje waard, om vervolgens weer snel te vergeten.
Een jonge boer (George O’Brien) woont met zijn vrouw (Janet Gaynor) en kind op het platteland. Ze zijn gelukkig. Maar dan komt een stadse vrouw (Margaret Livingston) die hem verleidt en verlokt met verhalen over het vertier dat de stad heeft te bieden. Ze haalt hem over zijn vrouw te vermoorden. Hij gaat wel erg snel om en dat is de enige smet op SUNRISE – A SONG FOR TWO HUMANS (1927) van FW Murnau, die de film nog in Duitsland voorbereidde maar maakte nadat hij naar de VS geëmigreerd was. Net op tijd komt de man tot bezinning, maar hij heeft wel zijn vrouw intussen doodsbang gemaakt. Ze vlucht van hem weg naar de stad. Hij gaat achter haar aan, schuldbewust en alles in het werk stellend het weer goed te maken. Uiteindelijk, wanneer ze een kerk is ingevlucht en ze beiden kijken naar een gelukkig bruidspaar, zwicht ze voor zijn smeekbedes en beleven ze een idyllische, vrolijke tijd in de stad, opnieuw verliefd en, zoals de tussentitel meldt, als een tweede huwelijksreis. Maar dan, weer op weg naar huis, slaat het noodlot toe. Cahiers du Cinema noemde SUNRISE de beste film aller tijden en de net twintigjarige Janet Gaynor ontving de Oscar voor beste actrice, de eerste Oscar ooit, volkomen terecht want dat de film zo’n emotionele lading heeft komt in de eerste plaats door haar onbevangen spel. En als ze gelukkig en helemaal opnieuw verliefd door de stad lopen, word je als kijker zelf gelukkig en wordt je hart verwarmd. Voeg daarbij de enorme filmische kwaliteiten van Murnau (FAUST, NOSFERATU) en je hebt een vroeg melodramatisch meesterwerk.
Op de gedeelde 11e plaats van mijn lijst met beste films staat SUNSET BLVD uit 1950 van Billy Wilder, met William Holden, Gloria Swanson en Erich von Stroheim. Tijdens een acceptance speech bij een Oscaruitreiking zei een regisseur (wie alweer?) eens (ik parafraseer): "Normaal dank je op een moment als dit God, maar ik geloof niet in God, ik geloof in Billy Wilder."
Ik kan me nog herinneren dat SUR PLACE (1996) aangekondigd werd als Paul Ruven’s Revenge. De maker van zoiets prachtigs als DE TRANEN VAN MARIA MACHITA en EN ROUTE had het ook klaargespeeld om een van de vreselijkste films uit de Nederlandse filmgeschiedenis te maken, namelijk FILMPJE! Meteen hierna maakte Ruven SUR PLACE, een ode aan het werk van Marguerite Duras en Chantal Akkerman, dus aan de totaal andere kant van het filmische spectrum. Een statische vooral in blauwtinten geschoten film waarin het verhaal verteld wordt via een mannelijke en vrouwelijke Franse voice over, elkaar bevestigend, aanvullend, corrigerend, tegensprekend. Een vrouw wordt gegijzeld door haar schoonfamilie om haar vriend te dwingen de moord op zijn vader te wreken. De film is helemaal opgenomen in de Amsterdamse Pijp, wat verwarrend kan werken omdat het verhaal zich afspeelt ergens in een oorlogsgebied aan de Kaspische Zee. De vrouw wordt gespeeld door de als altijd mysterieuze, in 2011 overleden Katerina Golubeva, in een periode dat er wel elk jaar een film met haar in Nederland uitgebracht werd. (zie bv ook FEW OF US en KORIDORIUS op deze site). Ach, dat waren nog eens tijden! Ook haar toenmalige man regisseur Sharunas Bartas is van de partij. En met mooie muziek van Henny Vrienten. De twee vrienden met wie ik de film toentertijd zag waren er absoluut niet over te spreken, maar ik vond het geweldig. En nu, bij herzien, heeft de film nog niets van zijn hypnotiserende kracht verloren. Golubeva heeft trouwens nog een keer de hoofdrol in een Nederlandse film gespeeld, de kortfilm SOLINAS.
SUSPICIOUS RIVER, een Canadese film uit 2000 van Lynne Stopkewich gaat over een jonge vrouw (Molly Parker) die is geboren en getogen in de rimboe van Canada. Ze werkt nu als receptioniste in een hotel. Voor de mannelijke klanten heeft ze ook wat extra’s te bieden. Wat wil je: het is er dodelijk saai, er is geen buitenwereld, haar man (Callum Keith Rennie) heeft geen interesse in haar. Van het geld dat ze ermee verdient hoopt ze haar droom te verwezenlijken: weg van daar, de bewoonde wereld in. Ze wordt verliefd op een klant, die haar de prostitutie indrijft. Maar wat maakt het uit: ze voelt er toch niets van, ook niet wanneer een hele club over haar heen gaat. Erdoorheen geweven de belevenissen van een klein meisje, dat later zijzelf blijkt te zijn. Dat laatste is erg mooi gedaan, de sfeer het beste te vergelijken met Twin Peaks, alleen speelt Parker haar rol nogal eendimensionaal, ongetwijfeld op aanwijzingen van de regisseur want het past wel bij de psychologie van het personage, maar het voorkomt ook invoelbaar medeleven van de kijker en daarom is de film niet helemaal gelukt.
SUSPIRIA van Dario Argento uit 1977 is een klassieke Italiaanse horror met een behoorlijke status, dus je moet van goede huize komen als je er een remake van wil maken. Regisseur Luca Guadagnino kennen we van IO SONO L’AMORE, A BIGGER SPLASH en CALL ME BY YOUR NAME (zijn beste film BONES AND ALL zou hij na SUSPIRIA maken), je kunt je dus minder capabele handen voorstellen om dit aan te pakken. En goed, de namen kloppen, de arena klopt en het verhaal klopt in grote lijnen, maar ik had toch het idee naar een heel andere film te zitten kijken. Zeker weten doe ik het niet, het is te lang geleden dat ik het origineel zag. Ik heb de dvd met het origineel uit de kast gehaald om te vergelijken, en misschien doe ik dat vanavond wel. Hoewel de sfeer al vanaf het begin onheilspellend is is de film opgebouwd als een normale speelfilm en word je pas na drie kwartier met de eerste expliciete horror geconfronteerd. Hoewel wat warrig qua thematiek, ook door de gebeurtenissen synchroon te laten plaatsvinden met de vliegtuigkaping om de eerste generatie RAF-leden vrij te krijgen, wat eindigde met de zelfmoorden van Baader, Ensslin en Raspe, waardoor een directe relatie gesuggereerd wordt, weet de film te boeien, maar op het laatst vliegt de film gierend en onsmakelijk uit de bocht met wat je een Lovecraftiaanse interpretatie van de orgie-scène uit EYES WIDE SHUT kunt noemen. Er zijn ook andere verwijzingen naar andere films, met als meest obscure die uit VERHÄNGNIS van Fred Kelemen, die niet voor niets in de film ook een rolletje als politieagent heeft, namelijk de plasscène. Hetzelfde camerastandpunt. In eerste instantie denk je waarschijnlijk aan THE EXORCIST, maar daar is de camera anders geplaatst. Guadagnino heeft een enorme stoet aan bekende actrices opgetrommeld, met van de oude garde Tilda Swinton, Angela Winkler, Ingrid Caven, Sylvie Testud en Renée Soutendijk en van de jonge generatie Dakota Johnson, Mia Goth en Chloë Grace Moretz. De show wordt gestolen door Swinton, vaste actrice bij Guadagnino, in een driedubbele rol, ijzig beheerst als madame Blanc, onherkenbaar als de nerveuze (mannelijke) psychiater Klemperer en als de hysterische afzichtelijke Mother Markos. Jessica Harper, die de hoofdrol speelde in het origineel, krijgt hier een erg ontroerende scène als de (overleden) vrouw van Klemperer.
Hoewel de remake van SUSPIRIA heel goed om aan te zien is, haalt deze het niet bij het origineel van Dario Argento uit 1977. Argento laat er vanaf het begin geen twijfel over bestaan: dit is horror. Hij houdt zich aan het onderwerp, een heksenkring in de verpakking van een dansschool, en trekt geen parallellen met de gebeurtenissen rond de RAF, zoals Guadagnino doet. Als de kleurenfilm nog niet had bestaan, was hij gegarandeerd uitgevonden om deze film te kunnen maken, want de kleurstellingen spelen een hoofdrol, waarin zelfs het gebruik van monochrome belichting niet geschuwd wordt. De vormgeving en de decors zijn uitzonderlijk en daar maakt de camera dankzij uitgekiende standpunten dankbaar gebruik van. De hele film is een genot voor het oog. Er zijn ook minpuntjes: de muziek van de Italiaanse band Goblin is soms zo nadrukkelijk aanwezig dat het op momenten de film in de weg zit. En, ondanks de aanwezigheid van veteranen Joan Bennett en Alida Valli wordt er in de remake veel overtuigender geacteerd. Behalve dan Jessica Harper, die ik verre prefereer boven Dakota Johnson, al was het maar om die constante “ik weet niet wat en of er iets aan de hand is, maar ik raak toch bijna in paniek” blik in die grote bruine ogen onder die prachtige wenkbrauwen. Hoewel Harper al bijna dertig is ziet ze eruit als een meisje van net twaalf, en dat was precies de leeftijd van de meisjes op de dansschool zoals Argento ze in gedachte had; hij zag ervan af en maakte hen twintig omdat hij bang was dat de film anders verbannen zou worden.
Ex aequo op 11 in mijn lijst beste films staat SUZHOU RIVER (SU ZHOU HE) van Lou Ye uit 2000. Een soort VERTIGO in Shanghai, met Zhou Xun in de Kim Novak-rol en met heel veel nattigheid.
Ergens diep in de moerasgebieden van South Carolina werkt een briljante geleerde (Ray Wise) in een lab aan de symbiose tussen plant en dier met als doel de honger op de wereld uit te bannen, maar de kwaadaardige Arcane (Louis Jourdan) heeft er andere, snode plannen mee en probeert met een groepje paramilitairen het goedje in handen te krijgen. Bij die gevechten krijgt de geleerde het goedje binnen en verandert in The Swamp Thing. Alleen Alice Cable (Adrienne Barbeau) overleeft, en is in het bezit van een cruciaal aantekenboekje. Terwijl de boeven achter haar aan zitten beschermt de met bovenmenselijke kracht, genezend vermogen en rechtschapen moreel kompas gezegende Swamp Thing haar. THE SWAMP THING uit 1982 is een vroege Wes Craven, onvergelijkbaar met de echt zeer enge voorgangers LAST HOUSE ON THE LEFT en THE HILLS HAVE EYES en opvolgers A NIGHTMARE ON ELM STREET en SCREAM. Het is met een vette knipoog naar de jaren vijftig horrormonsterfilms gemaakt en verwijst zelfs naar Frankenstein, gezien het schilderij met Mary Shelley dat Arcane achter zijn bureau heeft hangen. Een zeer vermakelijk tussendoortje.
A SWEDISH LOVE STORY maakte de Zweedse filmmaker Roy Andersson in 1969, het cynische jaar toen de hippieluchtfietserij definitief ten grave gedragen werd, nadat in eerdere jaren Martin Luther King, Malcolm X, John F. en Robert Kennedy en Benno Ohnesorg waren vermoord, in Altamont het Woodstockideaal vernietigd, Charles Manson, noem maar op. Dus Andersson heeft de tijdsgeest perfect begrepen toen hij twee aandoenlijke tieners en hun prille onschuldige liefde afzette tegen de materialistische generatie van de ouders, zich stiekem realiserend dat die zo frisse jongelingen later, eenmaal volwassen en gesetteld, net zo neurotisch en materialistisch en schofterig zouden worden. Dat maakt deze film erg zwartgallig en cynisch. Andersson zou pas dertig jaar later internationaal doorbreken met zijn film SONGS FROM THE SECOND FLOOR.
Vanwege het overlijden van Ian Holm (19 juni 2020) een extra filmstill vandaag en wel uit THE SWEET HEREAFTER van Atom Egoyan uit 1998, hier met de (altijd) fenomenale Sarah Polley.
De Hongaarse film SZÜRKÜLET van György Fehér uit 1990 is een verfilming van de roman Das Versprechen van Friedrich Dürrenmatt (net als trouwens ES GESCHAH AM HELLICHTEN TAG met Heinz Rühmann en THE PLEDGE met Jack Nicholson). Sombere zwartwit film over de jacht op een kindermoordenaar, waarbij elk shot, maar dan ook werkelijk elk shot, zo mooi is dat het aan de muur in een museum niet zou misstaan.
Maak jouw eigen website met JouwWeb