filmstillgalore L-O

Aan het begin van de coronalockdown van 2020 ben ik begonnen met het elke dag op facebook plaatsen van een filmstill,  vergezeld door een (meestal korte) beschrijving. Om dit projectje een wat minder vluchtige status te geven zet ik ze hier op een rijtje, in alfabetische volgorde, waarbij ik meestal de internationale titel hanteer bij films uit landen met een taal die bij ons wat minder vaak over de lippen komt.

De lijst waaraan ik meermaals refereer vind je op de home page.

De hier geplaatste stills vallen binnen 3 categorieën:

1/ de 10 beste films aller tijden (die zijn genummerd)

2/ de 28 films die ex aequo op nummer 11 staan

3/ een in principe eindeloze lijst van films die in mijn herinnering zijn blijven hangen, films die ik onlangs gezien heb, op tv of netflix of uit mijn eigen collectie, en waarover ik iets te zeggen heb, of wanneer de actualiteit er aanleiding toe geeft. Ook films die ik zag tijdens de 20 keer dat ik het Filmfestival Rotterdam heb bezocht gaan hier hun plaats vinden. Omdat die stukjes in een heel andere context geschreven zijn (zie voor meer hierover deze pagina) zijn ze ook iets anders van karakter.

In de oorspronkelijke reeks ging het om de foto en gaf ik er summiere informatie bij. Toen die "klaar" was ging ik door met "duidingen" (geen recensies) met uitgebreidere teksten van de films die ik recent zag.

 

 

Je vindt het allemaal: corruptie bij de politie, afpersing, drugsbendes, hoeren die eruitzien als Hollywoodsterren, niets en niemand ontziende roddelpers, moorden. L.A. CONFIDENTIAL van Curtis Hanson uit 1997 speelt zich af in de jaren 50 en concentreert zich op 3 agenten: een rookie die integer is maar uiteindelijk toch zijn handen vuil moet maken (Guy Pearce), een rouwdouwer (Russell Crowe) en eentje die zijn ziel aan Hollywood verkocht heeft (Kevin Spacey). Ze haten elkaar maar zullen uiteindelijk toch moeten gaan samenwerken. Verder spelen hun baas James Cromwell en Veronica Lake look-a-like Kim Basinger nog een belangrijke rol. Alles draait om de criminele leegte die na de arrestatie van maffiabaas Mickey Cohen (zie GANGSTER SQUAD) ontstaan is en die anderen maar al te graag willen opvullen. Prima plotontwikkeling, boeiende personages, een grimmig maar mooi tijdsbeeld en uitstekend acteerwerk maken de film een genot om naar te kijken. Verfilming van een boek van James Ellroy.

Voor de filmstill van vandaag moest ik een hele omweg maken. Ik zag laatst The Eddy, een prachtige serie over een aftandse jazzclub in Parijs, en ontdekte dat regisseur Damien Chazelle ook LA LA LAND heeft gemaakt. Ik was niet van plan om deze film ooit te gaan kijken, want ik houd niet van musicals. De meeste zijn een belediging voor muziekliefhebbers. Gisteren toch maar gekeken, want Ryan Gosling en Emma Stone zijn bepaald geen onprettige acteurs. De eerste 3 kwartier me rotverveeld maar precies bij de scène van de still ging ie toch boeien en uiteindelijk bleek de film me toch te pakken. Dankzij jazz, Gosling, vooral Stone (haar zangstem raakte me) en het toch erg verrassende einde. Zijn er ook versies waar die oubollige en suffe musicalscènes er zijn uitgeknipt?

Op facebook was dit de still die de meeste reacties genereerde, allemaal van musicalliefhebbers vanwege mijn opmerking over het genre.

Eigenlijk gebeurt er niet veel en wat gebeurt gebeurt in alle coming-of-age films en zijn waarschijnlijk in je eigen leven ook ongeveer zo gelopen, dus wat maakt LADY BIRD, het semi-autobiografische debuut als regisseur van actrice Greta Gerwig, zo geweldig? Het oog voor detail? De vanzelfsprekendheid, zelfs in het ongemak? De doorleefde personages, tot in de kleinste rollen? De gevatheid, de onnadrukkelijke humor en de even onnadrukkelijke somberte? Het feit dat zelfs hoewel Lady Bird het centrale personage is en er geen scène zonder haar is, je je toch niet met haar vereenzelvigt maar telkens beide kanten van het verhaal ziet? De geweldige Laurie Metcalf als de moeder en de nog geweldigere Saoirse Ronan als dochter Christine, die Lady Bird genoemd wil worden? Al het genoemde en nog veel meer. Op de foto heeft de moeder net gezegd dat ze alleen maar wil dat haar dochter de best mogelijke versie van zichzelf wordt. Waarop de dochter antwoordt: Wat als dit de beste versie is?

Mijn leraar had voor mijn mondeling eindexamen Engels de helft gereserveerd voor DH Lawrence, want hij vond hem de schrijver voor mij. Lawrence was een socialist, pacifist en feminist en zag grote nadelen in de toenemende industrialisatie (en in democratie, hoewel hij de tirannie van de Sowjet Unie afwees). Zijn beroemdste boek Lady Chatterley's Lover (1928) werd vooral bekend en berucht om de open behandeling van seksualiteit en dat heeft altijd het eigenlijke onder-werp van de roman overschaduwd. Het boek is vaak verfilmd, onlangs (2022) nog door Laure de Clermont-Tonnerre. Het is te lang geleden dat ik eerdere verfilmingen gezien heb (en het boek gelezen heb) om vergelijkingen te maken maar deze LADY CHATTERLEY'S LOVER volgt voor zover ik me herinner de intentie van het boek getrouw. Hoe de heersende klasse vanuit rationalisaties heerst, alles inzet op mechanisatie en industrialisatie en daarbij de mens en de menselijke waarde uit het oog verliest, het contact met de aarde verliest en zichzelf daardoor impotent makend, hetgeen verpersoonlijkt wordt door Sir Clifford Chatterley. Zijn jonge, onbevangen vrouw Connie (briljant neergezet door Emma Corrin) heeft oog voor de wereld, is nieuwsgierig, wil leven en leren en mist genegenheid en lichamelijkheid bij haar man. Ze valt voor de jachtopziener Oliver Mellors, een aardse man die teruggetrokken leeft maar wel de nodige intellectuele bagage bezit (hij leest Joyce!). Joely Richardson speelde 30 jaar geleden Lady Chatterley, hier is ze te zien in de belangrijkste vrouwelijke bijrol. Een rijke film, mooi in beeld gebracht, een genot. De bovenste foto vat het onderwerp in 1 treffend beeld samen: zonder mensen heb je niks aan automatisering, aan vooruitgang. Zonder de basis, de mens met beide voeten op de grond, is alles luchtfietserij en gaat de menselijke waardigheid verloren. O ja, ik kreeg een 10.

THE LADY FROM SHANGHAI uit 1946 van Orson Welles is op en top film noir. De naïeve Michael O'Hara (Welles zelf, met Iers accent) laat zich verleiden om in dienst te gaan op het luxe jacht van de kreupele en louche advocaat Bannister (Everett Sloane) en zijn partner Grisby (Glen Anders). Letterlijk verleiden, want Bannisters vrouw Elsa (Rita Hayworth) is de ware reden om met hen letterlijk in zee te gaan. Zij heeft hem al eerder in haar web getrokken en O'Hara is niet bij machte de verleiding te weerstaan. Wat volgt is bijna onnavolgbaar, want wie luist wie er nu in, wie is het meesterbrein achter de ondoorzichtige spelletjes die met O'Hara gespeeld worden? Tot groot ongenoegen van de studio liet Welles zijn toenmalige vrouw Hayworth haar fameuze lang golvend rood haar, dat haar voor altijd met Gilda uit de gelijknamige film associeerde en haar onsterfelijke faam had bezorgd, afknippen en ervoor in de plaats kwam een kort blond kapsel en dat maakt, curieus genoeg, Hayworth aantrekkelijker dan ooit. Zij is de femme fatale naar wie de film is genoemd, en haar motivatie en haar gevoelens weet Hayworth succesvol in nevelen te hullen. Opmerkelijk is dat elk personage overdreven is, soms bijna grotesk, behalve O'Hara (het accent daargelaten) en Elsa, die wel realistische personages zijn. Hoewel de film in eerste instantie geen succes was en pas later op waarde kon worden geschat (geldt dat niet voor alle films die Welles maakte?) is de finale, de shoot out in het spiegelpaleis, legendarisch geworden. Overigens, de film was oorspronkelijk een uur langer en Welles was zelf ontevreden over deze versie van nog geen anderhalf uur, maar ook dat gebeurde maar al te vaak bij zijn films. Helaas kon niet, zoals bij TOUCH OF EVIL, later aan de hand van zijn aantekeningen het origineel hersteld worden. De aantekeningen zijn er, het materiaal niet meer.

Vanaf het begin stond de film LAGAAN – ONCE UPON A TIME IN INDIA op mijn nog-te-kijken lijst bij Netflix. Ik had de film al eens gezien, dus geen haast. We draaiden hem in het Filmhuis, begin zomer 2003. Distributeur Het Filmmuseum had kartonnen maskers van de personages bijgeleverd die het publiek tijdens de voorstelling kon opzetten. Ondanks de hitte en de lange duur van bijna 4 uur een opmerkelijk succes, en terecht. Het gaat over een arrogante Britse regent die eind 19e eeuw de arme uitgebuite bewoners van een dorp in “zijn” provincie uitdaagt: als ze van de Britten winnen met cricket hoeven ze 3 jaar geen belasting te betalen. Je hoeft niet van cricket te houden (en na de film ben je niks wijzer geworden van de spelregels) om volop te genieten van deze Bollywoodfilm. Nee, niet van de acteerkwaliteiten van de cast en niet van de plot (de Britten worden in hun hemd gezet), maar wel van het aanstekelijke spel, de sfeer en van de liedjes en de muziek, trouwens van A.R. Rahman, die samen met Mick Jagger, Joss Stone, Dave Stewart (nee, helaas niet die van Hatfield & The North, maar die van Eurythmics) en Damian Marley de superband Superheavy vormde. Netflix verwijdert de film op 7 december, dus wordt het hoog tijd de film weer eens te kijken.

Op de onderste foto: Austauschengel aus Österreich Marlies op ons kantoor met een Gupta-masker op.

 

Landru was een Franse seriemoordenaar ten tijde van WOI. Om zijn gezin te onderhouden maakte hij eenzame rijke dames het hof, maakte hen hun geld afhandig en vermoordde hen. Claude Chabrol stond nog aan het begin van zijn carrière toen hij Landru’s leven verfilmde. LANDRU is een merkwaardige film. Er is veel aandacht voor hoe de film eruitziet, met name in de kleurstellingen, en de geschiedenis wordt rechtlijnig verteld, maar Charles Denner speelt Landru als een mechanische automaat en ook zijn dictie klinkt robotachtig, terwijl de rij van gerenommeerde actrices die ten prooi vallen aan hem (o.a. Michèle Morgan, Danielle Darrieux, Stéphane Audran, Hildegard Kneff) wel op een realistische wijze spelen. Typisch Chabrol is de macabere humor (elke moord wordt verbeeld door een rokende schoorsteen gevolgd door over stankoverlast pratende buren), terwijl de platte politieslapstick daar weer haaks op staat. Hoe dan ook, door Denners benadering van het hoofdpersonage is het voor mij onmogelijk om in de film te komen en blijft het allemaal op een afstand. Ik heb best wel wat films van Chabrol gezien en kan mezelf wel een fan noemen, maar dat is niet vanwege deze film.

Eloise (Thomasin McKenzie) is een enthousiast en naïef meisje van het platteland van Cornwall dat leeft bij haar oma (sixties icoon Rita Tushingham), helemaal into the sixties is en haar eigen kleren ontwerpt. Ze gaat naar Londen om aan de mode-academie te studeren. Ze past helemaal niet tussen haar medestudenten en al snel verlaat ze het studentenhuis en gaat op kamers wonen bij een hospita (Diana Rigg, sixties icoon, ultieme Bond-girl en meer). ‘s Nachts droomt ze van Sandy (Anya Taylor-Joy, bekend van The Queen's Gambit), een aankomend zangeresje in 1965. Dat krikt haar zelfvertrouwen op en ze gaat zich kleden en doet het haar als deze Sandy. Ze gaat zich meer en meer identificeren met haar, wat vaak in beeld gebracht wordt met spiegelscènes die helemaal geen spiegelscènes zijn. Ze wekt de belangstelling op van een oude man met wit haar (sixties icoon Terence Stamp), maar wat erger is: de droomwerkelijkheid begint zich in haar wakende werkelijkheid te manifesteren en neemt steeds dreigender vormen aan. LAST NIGHT IN SOHO van Edgar Wright (BABY DRIVER) is een zeer geslaagde, wervelend en ingenieus in beeld gebrachte neon nachtmerrie, horror met een uitstekend scenario, uitgekiende opbouw en maatschap-pelijke relevantie. De zeer naturel acterende Thomasin McKenzie was me eerder al opgevallen in LEAVE NO TRACE (zie enkele lemma's hieronder) en maakt de verwachtingen meer dan waar; met haar 18 jaar kan ze zich al meten met de allerbesten. Ook Diana Rigg schittert in haar allerlaatste rol. Trouwens, over de hele linie wordt meer dan uitstekend geacteerd. En wat een camerawerk! Bij de 'making of' wordt duidelijk dat het meeste live voor de camera gebeurt, er nauwelijks CGI oid gebruikt wordt. De soundtrack zit vol met Britse sixties muziek, vooral zangeressen. De scène waarin Anya Taylor-Joy (die een uitstekende stem heeft) Downtown zingt is fenomenaal.

Bestaat de perfecte film? Misschien niet, maar als die zou bestaan zou THE LAST PICTURE SHOW uit 1971 van Peter Bogdanovich akelig dicht in de buurt komen. Des te vreemder dat ik deze film niet op mijn lijst beste films aller tijden heb staan, hoewel ik de film inmiddels al heel wat keren gezien heb. Tijd om die lijst te herzien. De film speelt zich begin jaren vijftig af in een ten dode opgeschreven stadje in het noordoosten van Texas, niet ver van Wichita Falls. Centrale figuur in het stadje is Sam the Lion (een Oscar winnende rol van Ben Johnson), die de biljartzaal, het caférestaurant en de bioscoop bezit, de drie centrale locaties in de film. Het draait om een groep middelbarescholieren: de gevoelige footballspeler Sonny (Timothy Bottoms), de joviale Dwayne (Jeff Bridges), en de pedante Jacy (Cybill Shepperd), die weet dat ze het mooiste meisje van de stad is en daarnaar handelt. Ook met Sam Bottoms als de simpele, niet pratende Billy en de gluiperige Lester (Randy Quaid). Het gaat allemaal om vriendschap, seks, de toekomst (voor de jongeren) en het verleden (voor de ouderen), al dan niet ten volle geleefd. Sam kijkt melancholisch terug op gelukkiger tijden, Jacy's moeder Lois (Ellen Burstyn) betreurt hoe ze later is vastgelopen in het burgerlijke bestaan en bestrijdt dat met affaires en drank, de wegkwijnende vrouw van de footballcoach Ruth (Cloris Leachman in een onvergetelijke hartverscheurende rol die haar een Oscar opleverde) gaat een relatie aan met Sonny. Een melancholiek, op aanraden van Bogdanovich' toenmalige huisgenoot Orson Welles in desolaat zwart-wit gedraaid meesterwerk. Voor Shepperd, de Bottoms broers, Bridges en Quaid, in hun debuut of eerste relevante rol, het begin van een prachtige carrière.

In THE LAST TYCOON zien we Robert De Niro in een atypische rol als Hollywoodstudiobaas in de jaren dertig. De film is gebaseerd op de onafgemaakte laatste roman van F. Scott Fitzgerald en Harold Pinter schreef het scenario. Het schijnt min of meer te gaan over Irving Thalberg, producent bij Universal en MGM, maar ik weet te weinig van de man om te beoordelen in hoeverre het waarheidsgetrouw is. Het was regisseur Elia Kazans laatste film. Naast De Niro zien we Robert Mitchum, Jeanne Moreau, Tony Curtis, John Carradine, Dana Andrews, Ray Milland, Jack Nicholson, Donald Pleasance en Anjelica Huston, dus voor zijn laatste had Kazan een gigantische sterrencast opgetrommeld. De twee debuterende actrices Ingrid Boulting (boven) en Theresa Russell (onder) fladderen om De Niro, de laatste als degene die hem aan de haak wil slaan maar geen succes heeft, en de eerste als degene die hij aan de haak wil slaan, zonder succes. Het is een film over teleurstelling en onafgemaakte zaken, waarbij Kazan en passant het anti-communisme en de homofobie van die tijd belache-lijk maakt, des te opmerkelijker omdat hij zelf, als een wegens de Stalin-terreur gedesillusioneerde ex-communist, tijdens de McCarthy-jaren getuigd had tegen de invloed van communisten in Hollywood. En op de een of andere manier weet Kazan zijn strijd met producent Sam Spiegel (met wie hij eerder ON THE WATERFRONT maakte) in het script verwerkt te krijgen. Tenminste, als ik de passages over de film in Kazans autobiografie erop nalees, hoor ik echo’s ervan terug in de film zelf. Het laatste shot, wanneer De Niro een gigantische lege studio-hangar binnenloopt, was Kazans welbewuste laatste shot als regisseur. Hij had het er helemaal mee gehad, en zou de laatste 27 jaar van zijn leven schrijvend doorbrengen.

De Canadese regisseur Xavier Dolan barst van het visuele en filmische talent, maar dat neemt niet weg dat ik moeite heb met zijn films. Om mijn bezwaar in één woord uit te leggen: te koketterig. Ook heb ik vaak moeite empathie te voelen voor de personages die hij opvoert. Wat een eikel is bijvoorbeeld zijn eigen alter ego in J’AI TUÉ MA MÈRE, en wat is het tegelijkertijd dapper om jezelf zo te portretteren. Waarom ik me dan toch aan zijn bijna drie uur durende LAURENCE ANYWAYS gewaagd heb is een goede vraag die ik niet kan beantwoorden. Deze film gaat over een leraar literatuur in Montreal, Laurence (Melvil Poupaud) die al heel lang samen is met Frédérique aka Fred (Suzanne Clément, die regelmatig in Dolans films speelt) en ze zijn zielsgelukkig met elkaar. Maar op een dag bekent Laurence dat hij zich al heel lang diep ongelukkig voelt met zoals hij zich voordoet te zijn en alleen nog verder kan leven als de vrouw die hij in werkelijkheid is. Dat legt een onherstelbare schade aanrichtende bom onder hun relatie. Geen enkele scène is gelijk aan de vorige, of volgende. Nu eens een scène in de stijl van Roy Lichtenstein, dan is het Johannes Vermeer, en vervolgens Edward Hopper of Andy Warhol of Rembrandt. Noem maar op. Je moet als het ware door de vorm heen kijken om de inhoud te zien, maar de vorm is telkens weer ook verbluffend mooi en interessant, maar is met een bedoeling voor juist die stijl gekozen of is het slechts mooifilmerij; is het meer dan visuele krachtpatserij of het brallerige etaleren van zijn enorme talent? Vermoeiende rijkdom. Ik wil zijn films zo graag goed vinden maar het lukt me ook bij LAURENCE ANYWAYS niet. Een vermelding verdient Nathalie Baye als Laurences moeder.

Op Netflix staat nu de gerestaureerde LAWRENCE OF ARABIA, het 3 uur en 45 minuten durende grandioze epos van David Lean uit 1962. De film is oorspronkelijk op 70mm opgenomen en dat is zelfs op het tv-scherm overduidelijk te zien: wat een diepte, wat een scherpte, wat een uitgekiende uitsnedes. Letterlijk adembenemend. Dat geldt ook voor de geweldige muziek van Maurice Jarre. T.E. Lawrence was een Engelse militair die tijdens de Eerste Wereldoorlog de opdracht krijgt om contact te maken met de Arabische prins Faisal. Het lukt Lawrence om de Arabische stammen te verenigen en hen aan Britse zijde te laten meevechten tegen de Osmaanse overheersers. De Arabieren wordt vrijheid beloofd, maar ze zullen later verraden worden middels het Sykes-Picot verdrag, een verraad dat tot op vandaag de verhoudingen in de wereld verziekt. Dus een film van historisch belang. Regisseur Lean neemt het risico door de hoofdrollen van deze gigantische productie te geven aan twee onbekende acteurs, Peter O’Toole in de titelrol en Omar Sharif als Sherif Ali, daarbij ondersteund door een sterrencast van Anthony Quinn, Alec Guinness, Anthony Quayle, Claude Rains en Mel Ferrer. O’Toole en Sharif groeien uit tot wereldsterren. Saillant detail: van de twee jongens die rond Lawrence hangen zal eentje later trouwen met Charlene Heineken, de rijkste persoon van Nederland.

In mijn videocatalogus krijgt de film geen hoge waardering, ik hield vroeger helemaal niet van dergelijke grootschalige producties. Nu, bij herzien, vind ik zeker het eerste deel, tot aan de Intermissie, fantastisch, maar bij het tweede deel verslapt door het trage tempo en de lange duur mijn interesse en verlang ik op een gegeven moment zelfs naar het einde, terwijl dan juist de historisch belangrijke periode aanbreekt. Misschien had Lean er twee afzonderlijke films van moeten maken.

 

Vandaag in mijn serie filmstills een keer niet eentje die opborrelt uit mijn grijze verleden, maar eentje die ik gisteren op Netflix zag. LEAVE NO TRACE uit 2018 van Debra Granik (die ook WINTER'S BONE maakte), met Ben Foster en een indrukwekkende Thomasin McKenzie. Over een vader die als gevolg van PTSS niet meer kan aarden in de maatschappij en samen met zijn dochter in de bossen van Oregon woont. Met alleen maar mensen die het goed met anderen voorhebben, dat is alvast een verademing. Heel onnadrukkelijke, intieme vertelling die, juist omdat alles zo totaal ondramatisch en onsentimenteel gebracht wordt, heel erg diep gaat. Ik was zeer onder de indruk.

As we look about us, things seem worse than ever, zingt Dagmar Krause op de lp The World As It Is Today van Art Bears in 1981, de meest angstaanjagende tijd die ik in mijn leven beleefd heb, met de concrete dreiging van een aanstaande kernoorlog. Tot nu. Deze keer is het de film LEAVE THE WORLD BEHIND die de tijdsgeest perfect aanvoelt. Wat we zien maken we nu mee. Op dit moment nog net niet, maar morgen. Lang blijven de personages en ook de kijker in het ongewisse over wat er aan de hand is, tot na de scène met Danny (Kevin Bacon). G.H. (Mahershala Ali) zegt: “A conspiracy theory about a shadowy group of people running the world is far to lazy of an explanation... especially when the truth is much scarier: no one is in control, no one is pulling the strings.” Het gebeurt omdat mensen niet nadenken en de sprookjes en leugens van de reclame en andere populisten geloven. Het is de verongelijkte massa, die iedereen met meer dan 10 hersencellen tot de linkse elite rekent, die door de rechtse populisten misleide massa, die ons naar de afgrond leidt. Het is ons eigen wantrouwen dat ons de das omdoet. Onze gemakzucht. Onze hang naar instant bevrediging. Verder zien we in LEAVE THE WORLD BEHIND Ethan Hawke, Myha’la en een op dreef zijnde Julia Roberts. De beste film van 2023, maar wel een heel verontrustende. De situatie waarin we ons in de echte wereld gemanoeuvreerd hebben, door telkens achter haat verspreidende heilspredikers aan te rennen en hun leugens te geloven, zelfs over te nemen, is echter nog veel verontrustender.

Constance (Miou-Miou) leest een boek in bed. Haar vriend bekijkt de cover. “Wil je het ook lezen?” vraagt ze. “Nee, lees het me voor.” Zo begint LA LECTRICE (1988) van Michel Deville. Het boek dat ze voorleest is tevens het boek dat in LA LECTRICE verfilmd wordt en gaat over Marie (ook Miou-Miou) die boeken voorleest aan iedereen die haar inhuurt. Zo is er de puberjongen in de rolstoel aan wie ze De Maupassant en Baudelaire voorleest, hoewel hij vooral aandacht heeft voor Maries dijbenen, tussen de kniekousen en haar rokje. Aan de weduwe van de generaal die in haar een intellectuele gesprekspartner ziet leest ze Tolstoj, Lenin en Marx voor, aan het meisje dat te weinig aandacht krijgt van haar moeder Alice In Wonderland, aan de gefrustreerde zakenman die vooral seksueel in haar geïnteresseerd is L’Amant van Duras, aan de notabele (en zijn hooggeplaatste vrienden) die onder een onkreukbaar imago een perverse inborst verbergen De Sade. Ze vormen kleine anekdotische verhaaltjes op zich en je wil tegelijkertijd de boeken die ze leest uit de kast trekken en aan iemand geven om ze aan je voor te lezen. Het rustige winterse landschap en de (kamer)muziek van Beethoven zorgen voor een aangenaam rustieke sfeer. De film is gelaagd en soms weet je niet of we ons in Constances leven bevinden, of in dat van Marie of in wat Marie via Constance aan het voorlezen is. Via Marie worden de fantasieën en verlangens van degene aan wie voorgelezen wordt (en van ons!) geprojecteerd, terwijl Marie (of Constance?) zelf een enigma blijft, het canvas waarop geschilderd wordt. Met aanwijzingen als haar aangename voorleesstem, dat schattige kuiltje in haar kin en haar grote bruine ogen onder dat blonde haar moeten we er zelf invulling aan geven.

LEE (2023) gaat over de fotograaf Lee Miller, maar vreemd genoeg wordt het interessantste deel van haar leven overgeslagen en begint de film pas wanneer ze voor Vogue als oorlogsverslaggever aan de slag gaat. Miller heeft tot dan in Parijse surrealistische kringen verkeerd, als model en muze van Man Ray, haar enige filmrol, voor Jean Cocteau (in LE SANG D’UN POÈTE, zie aldaar), en is bevriend met Nusch en Paul Éluard en Picasso. Ook is ze zelf fotograaf en ontdekt pseudo-solarisatie, een procedé dat ze zelf als eerste toepast en waarmee Man Ray furore maakt. Het zit allemaal niet in de film. Die concentreert zich op haar werk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze is als eerste in Dachau en maakt er foto’s die nog steeds de rillingen over de rug laten lopen. Ook op haarzelf hebben ze enorme impact, zodanig dat ze breekt en nooit meer de oude wordt. Alleen wanneer ze de beruchte foto maakt zittend in Hitlers badkuip zien we iets terug van haar surrealistische ziel. Voor de rest is het een erg conventionele film geworden, weliswaar goed gemaakt maar het maakt ons niets wijzer over Lee Miller, over hoe deze vrijgevochten hedonistische kunstenares oorlogsverslaggever wordt. Wat ook niet helpt is dat Kate Winslet weliswaar uitstekend speelt maar op geen moment overtuigt als de historische Lee Miller, want laat niet die ongenaakbare statueske slanke blonde en adembenemend mooie vrouw zien maar een letterlijk onder het leed van de wereld gebukt gaande vrouw die met een verbetenheid te werk gaat die ik onmogelijk kan associëren met het beeld dat ik altijd van haar heb gehad. Ik geloof best dat ze die transformatie heeft ondergaan, maar daar besteedt de film geen aandacht aan, omdat haar pre-WO2 periode overgeslagen wordt.

Gewoon, voor de fun, voeg ik een foto toe van haarzelf, waarin pseudo-polarisatie is toegepast.

Weer eentje in de korte serie kleine meisjes met schiettuig binnen mijn serie filmstills. Hier hebben jullie natuurlijk allemaal op zitten wachten: de verbluffende, toen 12-jarige, Natalie Portman in LÉON, naast Jean Reno en Gary Oldman. Regisseur Luc Besson bewees met deze film dat hij tot meer in staat is dan mooi uitziende maar inhoudsloze films. Jammer dat hij dat maar zo zelden laat zien.

De Zuid-Koreaanse film LIES (GOJITMAL) van Jang Sun-Woo uit 1999 handelt over de explosieve seksuele relatie tussen een jong meisje en een veertigjarige, getrouwde man. Al snel vinden ze hun kick in het elkaar slaan. Het begint met twijgjes, uiteindelijk gebruiken ze de stok van een pikhouweel. Voor het meisje is het allemaal spel, voor de man doodserieus. De film werkt er naar toe dat de 1 de ander kreupel slaat, maar zover komt het niet. Ik wist na het zien niet wat ik met deze film aan moest. Eerlijk gezegd verveelde ik me nogal tijdens het kijken, maar op momenten voelde ik me erg ongemakkelijk, en soms zat ik op het puntje van de stoel. De dag erna merkte ik dat ik nog steeds met de film bezig was en beelden eruit te pas & te onpas voor me verschenen…

Een van mijn favoriete composities in de rockmuziek is A Plague Of Lighthousekeepers van Van Der Graaf Generator. The film THE LIGHTHOUSE uit 2019 van Robert Eggers behandelt in grote lijn hetzelfde narratief. Het draait om twee vuurtorenwachters die begin 20e eeuw op een verlaten eiland voor de kust van New England gestationeerd zijn: de ouwe rot Thomas (Willem Dafoe) en de nieuweling Ephraim (Robert Pattison). Ze zijn volkomen op elkaar aangewezen en van elkaar afhankelijk en dat gaat na verloop van tijd natuurlijk voor spanningen zorgen. Ook beider geestelijke gezondheid, of liever het ontbreken ervan, gaat een steeds grotere rol spelen. Om nog maar te zwijgen over de enorme hoeveelheden alcohol die ze achteroverslaan. Dafoe en Pattison zetten enorm sterke acteerprestaties neer, alles is geschoten in subliem zwart-wit en wordt ondersteund door een ijzersterke soundtrack, dus het moet wel een geweldige film zijn, en dat is het in zekere zin ook. Maar het is ook krachtpatserij en, hoewel de film er alle aanleiding toe geeft, je bouwt, nou, laat ik voor mezelf spreken, ik bouw geen enkele emotionele band op met de personages. Als ik na een uur een beetje bekomen ben van al die overweldigende elementen die de film tentoonspreidt, raak ik meteen alle belangstelling kwijt en kijk ik plichtmatig de film uit. Ik had beter vier keer naar het 23 minuten durende stuk van Van Der Graaf Generator kunnen luisteren, want dat is wel een emotioneel verpletterende ervaring die je de eenzaamheid en waanzin tot in het diepst van je wezen laat voelen. Deze film lukt dat gewoonweg niet.

Vanaf zijn eerste film MABOROSI (1995) ben ik een fan van het werk van de Japanse regisseur Kore-eda Hirokazu. Niet alles is even goed (DISTANCE en HANA vond ik niet best), maar hij heeft toch een hele serie fijnzinnige kleine (familie)drama’s gemaakt die een diep humanistisch mensbeeld laten zien. Denk aan NOBODY KNOWS, STILL WALKING, I WISH, AIR DOLL en SHOPLIFTERS. Eigenlijk is LIKE FATHER LIKE SON uit 2013 best wel schematisch van opzet en laat Kore-eda er geen twijfel over bestaan welke positie hij inneemt, maar dat neemt niet weg dat hij er een evenwichtig en genuanceerd drama van weet te maken en, gelukkig maar, sentiment geen enkele kans geeft, wat overigens niet wil zeggen dat de film niet ontroert. In het ziekenhuis zijn na de geboorte twee baby’s omgewisseld. Na zes jaar wordt dat ontdekt en staan de ouders voor een onmogelijk dilemma: willen ze hun ‘echte’ onbekende kind terug of leven ze verder met het kind dat ze altijd als hun eigen zoontje hebben beschouwd maar het niet blijkt te zijn. De film concentreert zich op de welgestelde ambitieuze afstandelijke vader, die resoluut zijn hem bekende zoon wil inruilen voor het onbekende kind dat zijn bloedverwant is, en dat standpunt best wel lomp doordrukt. ‘Nature’ voor alles. Maar hij maakt een ontwikkeling door en dat maakt hem misschien niet het sympathiekste maar wel interessantste personage om te volgen. Kore-eda maakt duidelijk dat ‘nature’ wellicht de basis is, maar dat je er zonder ‘nurture’ helemaal niets aan hebt. Zo, is die discussie ook voor eens en altijd beslecht.

Zoals zo vaak bij de films van de Iraanse regisseur Abbas Kiarostami lijkt ook het in Japan opgenomen LIKE SOMEONE IN LOVE, de laatste speelfilm die hij maakte, nergens over te gaan, maar intussen, stiekem bijna, roert hij diepe menselijke gevoelens aan. Als het meisje de taxichauffeur vraagt om een rondje om het station te rijden, waar haar oma op haar wacht en wier telefonisch contact ze vermeden heeft, word ik onverwacht diep geraakt, ik meen doordat de scène wijst op de onmogelijkheid tot contact, hoe dichtbij iemand ook is en hoe gewild het ook is, en de melancholie als gevolg ervan. In een interview dat ik erna zag vertelde Kiarostami dat deze scène het beginpunt van de film was geweest, de reden dat hij deze film wilde maken. Hieruit blijkt dat hij weet wat hij wil overbrengen en precies weet hoe het te bewerkstelligen. Ook deze film bevat weer talloze typische Kiarostami dingetjes. Zo speelt opnieuw een groot deel van de film zich af in een auto. Ons zicht op wat zich afspeelt is beperkt en wordt gehinderd. We kijken door ruiten, door glasgordijnen, via reflecties; een voorwerp (boom, auto) staat tussen kijker en wat bekeken wordt. Je ziet in een totaalshot een tafereel maar degene die je hoort praten wordt net buiten beeld gehouden. Hoewel je je de hele tijd afvraagt waar je eigenlijk naar aan het kijken bent zijn de bijna twee uur zo voorbij en realiseer je je na afloop pas hoe bijzonder het is wat je gezien hebt.

De auto van een door het zuidwesten van de Verenigde Staten rondreizende klusjesman (Sidney Poitier) heeft water nodig. Hij stopt bij een huisje, waar vier Oost-Duitse nonnen en hun moeder-overste wonen. Die laatste heeft een visie en een zeer dwingend karakter zodat hij zichzelf gedwongen voelt klusjes voor hen te doen. Na gedane arbeid geeft hij hun ook nog lessen Engels. LILIES OF THE FIELD (1963) komt uit een tijd dat Hollywood kleurenfilms maakte als ze als entertainment bedoeld waren, maar voor de serieuze film zwart-wit gebruikte. Deze film is in zwart-wit, maar toch een luchtige vertelling, een allegorisch sprookje met een vleugje bijbelse moraal, over volharding, ego, bescheidenheid en koppigheid. Het is een film zonder slechte mensen of kwade bedoelingen. Ook racisme is totaal afwezig, toch opmerkelijk gezien het tijdsgewricht van de dan vol op stoom gekomen zijnde burgerrechtenbeweging. Misschien wel juist daarom kon aan Sidney Poitier als eerste zwarte man een Oscar voor beste mannelijke hoofdrol gegeven worden. Aan de ander kant is het God die aan de witte mens (moeder-overste en de rondreizende pastoor) de visie geeft, die door de zwarte man uitgevoerd moet worden, die daarbij geholpen wordt door de Mexicaanse bewoners. Wellicht was indertijd niet meer mogelijk, maar het maakt dat de film de tand des tijds niet heeft doorstaan. Wel kan ik me herinneren dat in mijn familie indertijd groot enthousiasme voor de film bestond (kennelijk was de film op tv geweest).

Van de Tsjaadse regisseur Mahamat-Saleh Haroun zag ik eerder de prachtige films ABOUNA en DARATT, maar dat is al zo’n twintig jaar geleden, dus benieuwd of hij heden ten dage nog zulke krachtige films maakt. Gelukkig wel, want LINGUI, LES LIENS SACRÉS is beslist de moeite waard. Deze warme, kleurrijke film gaat over Amina, die om in haar levensonderhoud te voorzien het ijzerdraad uit vrachtwagenbanden haalt en er vuurkorven van maakt. Omdat ze een alleenstaande moeder is wordt er op haar neergekeken. De geschiedenis dreigt zich te herhalen wanneer haar vijftienjarige dochter Maria zwanger is. Maria wil niet leven als verstotene, zoals haar moeder, en wil een abortus, maar dat wil Amina, lid van de Moslimbroeders, niet en het is sowieso streng verboden in Tsjaad. Toch draait Amina bij en ze gaat op zoek naar mogelijkheden voor een abortus, en naar geld om het te betalen. De film gaat over het onverbrekelijke verbond tussen vrouwen in een patriarchale samenleving. De film is onnadrukkelijk, neemt zijn tijd en kent veel ‘lege’ momenten, scènes die niet het plot voortdrijven of iets concreets willen vertellen over een personage, maar op de een of andere manier wel bijdragen aan de sfeer die de film wil oproepen; juist dan wordt de kijker als het ware deelgenoot gemaakt aan het verhaal.

Een kleine UFO landt boven een appartement in New York; de alien is op zoek naar heroïne. Precies eronder wonen Margaret (Anne Carlisle) en Adrian (Paula Sheppard). De laatste is een dealer, dus dat komt goed uit. Maar Margaret, een model, houdt van seks en de alien komt erachter dat de stofjes in het menselijk lichaam die vrijkomen tijdens seks erg veel lijken op heroïne en nog lekkerder zijn, dus begint de alien Margarets sekspartners te vermoorden. De door de Rus Slava Tsukerman geregisseerde Amerikaanse film LIQUID SKY uit 1982 is een psychedelische queer sciencefictionglamourpunkfilm en maakte indertijd veel indruk (en was ook succesvol). Hoewel de computereffecten die wat de alien ziet visualiseren, inmiddels achterhaald overkomen en ook de klanken van de Fairlight CMI op de soundtrack redelijk gedateerd zijn (en me vaak deden denken aan The Residents), het acteerwerk niet best is en het verhaaltje op de keper beschouwd mager en flauw, blijft de film toch een genot om naar te kijken, vanwege de uitbundige fantasie, de artificiële (neon)kleurenrijkdom en de bizarre personages (volgens Carlisle in een interview slechts uitvergrotingen van de acteurs/ trices die min of meer zichzelf spelen). Carlisle fascineert mateloos met haar androgyne uitstraling in een dubbelrol, als Margaret (rechts) en als Jimmy, haar mannelijke nemesis (links). Dat ik de film nu zag in een Ultra HD/4K scan op blu ray vergroot alleen maar het visuele genot.

Man doet zich voor als doofstom en gaat als tuinman werken in een nonnenklooster, waar hij de hoofden van de nonnen op hol brengt. Dat klinkt als het uitgangspunt voor een pornofilm, maar het is een verhaaltje uit de Decamerone van de middeleeuwse Italiaanse schrijver Boccaccio. Filmliefhebbers herinneren zich misschien dat dit verhaaltje deel uitmaakte van IL DECAMERONE van Pasolini, maar er is ook een hele komedie van gemaakt, THE LITTLE HOURS, met Alison Brie en haar man Dave Franco (broertje van James) in de hoofdrollen, en verder met o.a. Aubrey Plaza, Kate Micucci en John C. Reilly. Het heeft allemaal niet veel om het lijf, maar de door de spelers grotendeels geïmproviseerde dialogen zijn geregeld hilarisch, evenals de running gags en de deadpan monologen vol paranoia van Nick Offerman als Lord Bruno.

Een erg klunzige jonge bediende in een bloemenwinkel heeft twee planten gekruist. Hij ontdekt dat de nieuwe hybride van bloed leeft en daar zijn dode mensen voor nodig. In de winkel is de plant echter een groot succes en wint hij er zelfs het hart mee van een collega, op wie hij altijd al een oogje had, hij heeft de plant zelfs naar haar genoemd, maar die hem niet zag staan tot nu, nu hij succesvol is. De horrorkomedie THE LITTLE SHOP OF HORRORS (1960) is een vroeg succes voor Roger Corman, de paus van de B-film, in wiens stal een hele generatie filmmakers en acteurs zou opgroeien: onder veel anderen Coppola, Scorsese, Bogdanovich, Monte Hellman, Jack Nicholson. De laatste heeft hier 1 scène, als de tandartsbezoeker die zo graag pijn wil lijden. De moeder van de bediende is een paranoïde hypochonder en er loopt ook iemand rond die voortdurend bloemen eet. Leuke film. Een jaar of vijfentwintig later zou Frank Oz, een van de creatieve krachten achter The Muppets, er een geslaagde musical van maken.

Is het echt nodig om het boek Little Women van Louisa May Alcott alweer te verfilmen? Dat was het eerste wat bij mij opkwam. Het is te lang geleden dat ik de eerdere verfilmingen zag om de verschillende versies te vergelijken (die van 1933 vond ik prima, die uit 1949 minder en die van 1994 uitstekend) maar als iemand kan opboksen tegen de eerdere Jo-vertolksters Katherine Hepburn, June Allyson en Winona Ryder is het Saoirse Ronan wel. Ronan maakt de verwachting helemaal waar en alleen al vanwege haar is het de moeite waard om deze versie te kijken, al ken je het verhaal inmiddels uit je hoofd. Ze krijgt sterk tegenspel van met name Florence Pugh. Chick flick of niet, deze versie van LITTLE WOMEN, zoals geregisseerd door Greta Gerwig, ontroert en bruist ondanks de belegen setting en thematiek. Dit is misschien wel de beste verfilming van het boek tot nu toe, dus een volmondig ja op de vraag aan het begin.

LE LIVRE DE MARIE, een Franse film uit 1983 van Anne-Marie Miéville is een film van een half uur. Wanneer de ouders van de 10-jarige Marie scheiden vlucht zij in Rimbaud, Mahler, wetenschap-pelijke verhandelingen en LE MÉPRIS. Het formidabele spel van de debuterende Rebecca Hampton als het meisje, die ons ervan weet te overtuigen dat ze oprecht van Mahler houdt, Rimbaud begrijpt en precies snapt hoe een oog in elkaar zit, maakt deze film zeer de moeite waard. Met Bruno Cremer en Aurore Clément als haar ouders. De film is een aanvulling op JE VOUS SALUE, MARIE van Jean-Luc Godard, met wie Miéville indertijd getrouwd was.

Films zijn fictie, ook al zijn ze gebaseerd op echte gebeurtenissen. Dat, en in hoeverre LIZZIE afwijkt van wat echt gebeurd is, en hoeveel anders deze versie is dan de eerdere, is nogal irrelevant. Blijft de vraag of deze film iets toevoegt aan eerdere verfilmingen rond de moord op Lizzie Bordens ouders in 1892, waarvoor de enige die ooit als verdacht aangemerkt is, namelijk Lizzie, vrijgesproken is omdat volgens de jury “een vrouw van een dergelijke hoge standing en sociale klasse onmo-gelijk twee zulke gruwelijke moorden gepleegd kan hebben”. Drijven-de kracht achter en hoofdrolspeelster van de film is Chloë Sevigny, een actrice die me altijd bijzonder gefascineerd heeft, zeker omdat ik haar erg mooi vind met haar prachtige lijf en beetje androgyne hoofd, maar vooral door haar gedurfde keuzes. Ook deze keer. Terwijl de meeste verfilmingen van deze beruchte moordzaak in een horrorvorm gegoten zijn kiest zij voor een zeer afstandelijke, bijna klinische aanpak. De film is beklemmend en verstikkend, precies zoals de vrouw het in de geschetste patriarchale samenleving ervaren moet hebben. De moord op de gierige vader die vrouwen geen enkele vrijheid, geen enkel beslissingsrecht over hun eigen leven gunt, komt als een bevrijding. Zo moet Lizzie Borden zich gevoeld hebben.

Het vuurwerk was buiten nog volop bezig toen THE LOBSTER uit 2015 van Yorgos Lanthimos in gang gezet werd. Niet mijn keuze als eerste film van 2025, maar à la. Ik waarschuwde nog dat het een heel vreemde, bizarre film was en daar waren we het na afloop mee eens. Alleen zijn is taboe, een perversie. Als je alleen komt te staan ga je naar een hotel om een nieuwe partner te vinden. Dat overkomt ook de flegmatische David (Colin Farrell). In het hotel heersen bizarre regels waar je je aan moet houden. Als je in de gegeven tijd geen partner vindt word je veranderd in een dier naar keuze. David kiest voor de kreeft. Zijn broer is al hond (en vergezelt hem). Je kunt de keuze uitstellen door in het bos loners dood te schieten, mensen die zich onttrokken hebben aan de maatschappelijke regels, hoewel daar ook vreemde regels gelden. Op een gegeven moment maakt David de keuze ook een loner te worden. Daar vindt hij wel de partner die bij hem past (Rachel Weisz). Veder met een topcast van Olivia Colman, Jessica Barden, John C. Reilly, Ben Wishaw en Léa Seydoux. Zoals meestal in Lanthimos’ films gaat het over hoe, door maatschappelijke en sociale conventies een kleine slag te draaien, duidelijk te maken dat de door ons allemaal geaccepteerde waarden en normen in werkelijkheid absurd zijn. Ook dit keer levert dat een fascinerende film op die, ondanks de vaak ogenschijnlijk nergens toe leidende dialogen en verwikkelingen, het late tijdstip en de rijkelijk vloeiende spumante, blijft boeien.

 

Ik zag LE LOCATAIRE, uit 1976 van & met Roman Polanski en verder met Isabelle Adjani, toen ik tijdens mijn studie in Nijmegen woonde en het niet zo goed met me ging, op dat zolderkamertje. Het zien van deze film maakte het leven er bepaald niet stabieler op en ik was bang dat het met mij dezelfde kant zou opgaan als met Trelkovsky. Dat is gelukkig niet gebeurd, maar het neemt niet weg dat deze film een enorme impact op mij had.

Dat een roadmovie het beste filmische middel is om twee antago-nistische personages nader tot elkaar te brengen wordt in de Belgische film LOLA VERS LA MER opnieuw onderstreept. Lola mist de begrafenis van haar moeder omdat haar vader die vervroegd heeft opdat Lola deze mist. Zij is namelijk een schande in zijn ogen want ze is een transvrouw. Lola steelt de urn en wil die niet afstaan. Omdat het haar moeders laatste wens was om bij de zee uitgestrooid te worden en Lola geld noch vervoer heeft ziet ze zich gedwongen er samen met haar vader heen te gaan. Wat volgt kan iedereen raden, maar wordt hier, op een enkele mislukte poging tot komisch inter-mezzo na zoals het morsen van as uit de urn, ingetogen en met veel gevoel en mededogen ingevuld en ook de kant van de vader wordt vol begrip belicht. De debuterende Mya Bollaers als Lola is een revelatie en krijgt uitstekend tegenspel van Benoît Magimel als de vader. Het hoogtepunt is wat mij betreft wanneer zij 's nachts over de weg rijden, het is noodweer, en via moeders iPod klinkt Vissi D’Arte van Puccini, gezongen door Maria Callas. Ik moest erbij denken aan de keer dat ik, lang geleden, met een vriendin ‘s nachts België doorkruiste, op weg naar de zee, met The White Album van The Beatles als soundtrack, een mij zeer dierbare, bijna magische herinnering.

Hoewel THE LONG GOODBYE gebaseerd is op de gelijknamige roman van Raymond Chandler met als hoofdpersonage de beroemde privédetective Philip Marlowe, ademt de film helemaal Robert Altman, de regisseur. Grofweg volgt Altman wel het oorspronkelijke verhaal, maar de film lijkt verder in niets op een Chandler-adaptatie en Bogey is erg ver weg zoals Elliott Gould Marlowe invult. Altman situeert de gebeurtenissen in het heden (i.e. 1973) en hanteert een laconieke stijl, zijn humor verschilt totaal van Chandlers humor, en de camera is voortdurend in beweging. Voeg daarbij de excentrieke personages en je hebt een echte Altman film. Chandler-puristen hebben het nakijken. Ik houd van Chandler maar ik houd ook van Altman en vind het allemaal heerlijk. Verder met een zich uitlevende Sterling Hayden als de alcoholistische schrijver, de Deense folkzangeres Nina van Pallandt als zijn bezorgde vrouw en Mark Rydell als de psychopathische crimineel. Als je goed oplet ziet je David Carradine ook nog even (als de celmaat van Marlowe) en is Arnold Schwarzenegger even te zien als bodyguard. Waar het over gaat? Marlowe helpt goede vriend Lennox te ontsnappen naar Mexico. Hij heeft grote gokschulden en al snel komt Marlowe er achter dat Lennox er ook van verdacht wordt zijn vrouw te hebben gedood. In Mexico pleegt Lennox zelfmoord. Marlowe gelooft er niets van, niet dat Lennox zijn vrouw vermoord heeft en ook niet dat hij zichzelf om het leven gebracht heeft en gaat op onderzoek uit. Nogmaals, verwacht geen Chandler-verfilming maar stel je in op een typische Altman, dan valt er veel te genieten.

De geschiedenis van de James-Younger Gang is natuurlijk ontelbare malen verfilmd, een ervan heeft zelfs het filmhuis gehaald (THE ASSASSINATION OF JESSE JAMES BY THE COWARD ROBERT FORD, 2007), maar het bijzondere aan THE LONG RIDERS (1980) van Walter Hill is dat de broers van de bende allemaal door echte broers gespeeld worden, allemaal bekende acteurs: Jesse en Frank James door respectievelijk James en Stacey Keach; Cole, Jim en Bob Younger door David, Keith en Robert Carradine; Ed en Clell Miller door Dennis en Randy Quaid; Robert en Charlie Ford door Nicholas en Christopher Guest. Dat lijkt een gimmick maar geeft de film wel degelijk meerwaarde. De film benadrukt dat de bendeleden behalve met het plegen van overvallen er ook een gezins- en liefdesleven op nahielden. Het bloedige geweld wordt opwindend en vaak in slow motion in beeld gebracht, à la Peckinpah, door wie Hill zegt beïnvloed te zijn en voor wie hij scripts geschreven had. Al met al een prima western in een tijd dat maar weinig westerns gemaakt werden en een van de mijns inziens betere films over Jesse James en zijn bende.

De LORD OF THE FLIES verfilming uit 1963 door Peter Brook van de debuutroman van latere Nobelprijswinnaar William Golding herinner ik me als een uiterst grimmige en goede film. Ik zag nu de 1990-versie. Het verhaal moge bekend zijn: een groep jongens in de leeftijd van 8 tot 14 belandt nadat hun vliegtuig in zee is gestort op een onbewoond eiland en probeert te overleven. Aanvankelijk wordt eendrachtig samengewerkt om de overlevingskansen te vergroten, onder aanvoering van de redelijke Ralph (Balthazar Getty, links) en de onderzoekende Simon (James Badge Dale), maar al snel gaat Jack (Chris Furrh, rechts) voor een wilder leven als jager, en de groep splijt. Steeds meer jongens voegen zich bij Jack en die groep vervalt tot barbarij en vijandigheden tegenover Ralph, die op het laatst alleen nog Piggy (Danuel Pipoly, midden) naast zich vindt. Er wordt bepaald niet overtuigend geacteerd (van allen die meespelen zijn alleen Getty en Dale blijven acteren), hoewel dat naarmate de film vordert beter wordt, maar ook dan zit er geen intelligente opbouw in het verhaal en in plaats van een geleidelijke afdaling naar primitief en moorddadig gedrag gebeurt dat schoksgewijs, abrupt. Alleen de moeite waard als je het leuk vindt om puberjongens een hele film lang in verre staat van ontkleding te zien rondrennen en een glimp van Furrhs blote bips te mogen opvangen, maar ik betwijfel of dat de beoogde doelgroep is.

De naïeve Spanjaard Luis (Fernando Tielve) arriveert in Berlijn en verliest zich in de gay club scene. Daar ontmoet hij eerst een vrouw en gaat met haar en haar vrienden mee. Hij wordt na een nacht doorhalen vol coke wakker in een appartement en zit opgesloten. Hij ontsnapt en komt Viktor tegen, een smoezelige man die hij eerder in de club gezien heeft. Luis wordt verliefd en trekt bij hem in. Hij ontmoet een vrouw en haar neef, die op zoek zijn naar haar broer, die spoorloos verdwenen is. Hij lijkt veel op Luis en begaf zich in dezelfde scene. Sterker nog, hij had eerder een relatie met deze Viktor. De paranoia slaat toe. LOSE YOUR HEAD is een Duitse film uit 2013 en deed me sterk denken aan UNMADE BEDS van Alexis Dos Santos van een paar jaar ervoor, ook met Tielve in de hoofdrol. Ook daar speelt hij de naïeve buitenlandse toerist die in een marginaal milieu terechtkomt. UNMADE BEDS is een veel betere film, lief en aandoenlijk, terwijl LOSE YOUR HEAD grauw is. Wel heeft de film mannelijk naakt, ook full frontal, en een seksscène, en Tielve ziet er in zijn blootje best appetijtelijk uit, maar ik prefereer de bijna goddelijke Déborah François, die de andere hoofdrol in UNMADE BEDS vertolkt (onderste foto).

Het begin van THE LOST DAUGHTER, totdat ze contact krijgt met die grote en erg aanwezige familie, is zo sterk en je gaat je zo identi-ficeren met Olivia Colman, dat je sympathie bij haar blijft, hoewel je er gaandeweg achterkomt dat ze niet erg sympathiek en nogal egoïstisch is (wat helpt is dat alle anderen nog onsympathieker zijn). Nu en als jonge moeder (in de flashbacks gespeeld door Jessie Buckley) van twee kleine dochters al helemaal. Maar waarschijnlijk moet je wel jezelf op de eerste plaats zetten en je gezin opofferen als je het als vrouw wilt maken in de maatschappij, in haar geval als academica. Zoals bij veel van haar rollen als actrice is deze hele film, Maggie Gyllenhaals debuut als regisseur, onderhuids ongemakkelijk. Het innerlijke dreigende schuldgevoel over haar vroegere beslissingen wordt geëxternaliseerd door die familie die ook daar op vakantie is, als een spiegel. Olivia Colman maakt over een maand kans op de Oscar voor beste actrice in een hoofdrol, Jessie Buckley voor beste actrice in een bijrol en Maggie Gyllenhaal voor best bewerkt scenario. Allemaal terechte nominaties. En Dakota Johnson laat zien dat ze met sterk tegenspel en een goede regisseur zo beroerd nog niet is.

 

Als er iemand is die nachtmerries in film kan verpakken en daarbij kan vasthouden aan de voor ons bewustzijn onbegrijpelijke logica waarmee deze zich manifesteren, is het David Lynch wel. LOST HIGHWAY, met Bill Pullman en Patricia Arquette, is hier een uitstekend voorbeeld van.

LOVE AND MERCY gaat over Brian Wilson, het breekbare en labiele genie achter The Beach Boys, en concentreert zich op twee periodes: de periode rond het album Pet Sounds (midden jaren 60) en het einde van de periode waarin hij onder curatele staat van psycho-therapeut Eugene Landy, wanneer hij zijn toekomstige (tweede) vrouw Melinda ontmoet (eind jaren 80). Als groot bewonderaar van Wilson vertelt de film mij niets nieuws, sterker nog: ik ervoer het als een (heel goed gemaakte) trip langs memory lane. Drie mannen staan centraal in Wilsons leven: zijn vader, een rancuneuze en gewelddadige mislukte liedjesschrijver, Beach Boy Mike Love, die Brians muzikale ontwikkeling afwijst en aan “the formula” (surf, auto’s, strand, meisjes) wil vasthouden, en Eugene Landy, die hem weliswaar het leven redt maar totale controle over hem verwerft en tot in de aller-kleinste details Wilsons doen en laten bepaalt, zelfs wat en wanneer hij mag eten en met wie hij (onder supervisie!) mag omgaan. Melinda redt hem uit de klauwen van Landy, en de film is min of meer een correctie op Wilsons autobiografie Wouldn’t It Be Nice uit 1991, waarin Landy’s invloed overweldigend aanwezig is en Melinda (die hij in 1986 had leren kennen) niet eens voorkomt. Wilson is nog steeds getrouwd met Melinda en zij had een stevige productionele vinger in de pap bij deze film. Paul Dano als de jonge Brian overtuigt volledig, maar waarom John Cusack gekozen is voor de oudere Brian is me een volkomen raadsel. Geen moment heb je het idee dat je naar Brian Wilson zit te kijken. Eerst dacht ik nog, dat hij gekozen was juist om afstand te creëren met de echte persoon, maar Elizabeth Banks, die Melinda speelt, lijkt wel erg veel op de echte.

LOVE LIES BLEEDING uit 2024 speelt zich af in de jaren 80 in white trash Amerika, ergens in New Mexico of Arizona. Lou (Kristen Stewart) werkt in een sportschool. Op een dag komt de bloedmooie Jackie (Katy O’Brian) daar en ze vallen als een blok voor elkaar. Jackie wil gaan deelnemen aan een bodybuildwedstrijd in Las Vegas. Verder hebben we ook nog Lou’s onderdanige zus (Jena Malone), haar extreem gewelddadige man (Dave Franco) en de psychopathische vader (Ed Harris). Al bij de eerste beelden zie ik het: dit is geen goede film. Dat ligt niet eens alleen aan Kristen Stewart, van wie ik geen fan ben en die hier alle reden geeft om dat zo te houden. Je ziet aan alles dat ze acteert. Ze acteert verbetenheid zo verbeten dat het bijna karikaturaal wordt. De rest van de cast legt het er zo mogelijk nog dikker bovenop. Alsof je naar WILD AT HEART zit te kijken, maar dat is duidelijk niet de intentie van regisseur Rose Glass. Die wil ons een authentiek rauw stukje cinema over de onderkant van de samenleving voorschotelen, maar doet dat zo gekunsteld, artsy bijna met de opvallende maar ook te bedachte kleurstellingen (bijna geen scène zonder filter), en de totaal misplaatste Hulk-scène op het einde, dat ze haar doel voorbijschiet. De film faalt niet op alle fronten, want het scenario is wel oké en de soundtrack is geweldig. Hoe vaak hoor je Nona Hendryx, Suicide en Throbbing Gristle nou in een mainstreamfilm?

Puberen is niet leuk. Oostenrijk is niet leuk. Puberen in Oostenrijk moet dus wel de hel zijn. Tot zover is LOVELY RITA, het debuut van Jessica Hausner, een open deur. Rita (Barbara Osika) is 15 en helemaal niet ‘lovely’ maar stuurs en zwijgzaam. Ouders noch leraren en evenmin klasgenoten krijgen hoogte van haar maar zijn eigenlijk ook niet in haar geïnteresseerd. De enige met wie ze plezier heeft is het (jongere) buurjongetje. Dat loopt echter niet goed af. Mooi gemaakt, heel sober en naturel, en het knappe van de film is dat welke streken Rita ook uithaalt, je sympathie bij haar blijft.

“God heeft de verschillende rassen op verschillende continenten geplaatst, omdat Hij niet wil dat ze zich mengen.” zo verdedigde de staat Virginia nog in de jaren 60 het verbod op gemengde huwelijken, iets wat Richard en Mildred Loving tot aan het Hooggerechtshof aanvechten. Voorbije geschiedenis zou je zeggen maar het zou me niet verbazen zoiets te gaan lezen in het verkiezingsprogramma van FvD. De prachtige film LOVING vertelt dit historische verhaal en doet dat op extreem ingetogen wijze. Er wordt zelfs niet meer dan voor het verhaal noodzakelijke aandacht geschonken aan de juridische kant van de zaak, die de verhoudingen in de VS fundamenteel zouden veranderen, maar des te meer aan het dagelijkse leven van de Lovings en hun kinderen. De stugge maar liefdevolle man Richard en zijn zachtaardige vrouw Mildred worden uitstekend vertolkt door Joel Edgerton en Ruth Negga. Verwacht geen spektakel, maar een uiterst beheerst vertelde geschiedenis, zonder vet aangezette ensceneringen. De nuchtere feiten zijn drama genoeg.  Op de foto worden ze gearresteerd alleen maar omdat ze getrouwd zijn.

In essentie gaat LUCE over de spanning tussen individualiteit en een vertegenwoordiger zijn (of als vertegenwoordiger beschouwd worden) van een gemeenschap, maar ook tussen wie je in wezen bent versus hoe je je tegen de buitenwereld voordoet, loyaliteit tegenover geweten, verwachtingen ten opzichte van hoe de realiteit zich ontvouwt. Deze thema’s worden in de film op een intelligente manier uitgewerkt, met een prima verhaalontwikkeling, een sterk scenario en goed uitgewerkte personages, waarbij iedereen zijn comfortzone moet verlaten, en op het einde weet je nog steeds niet precies wie je voor je hebt, net zoals in het echte leven. Tel daarbij een uitmuntende cast (Kelvin Harrison jr in de titelrol, Naomi Watts en Tim Roth als zijn ouders, Octavia Spencer als zijn lerares en Andrea Bang als zijn vriendin) en je hebt een geweldige film. Maar wat ik niet begrijp is waarom de Nigeriaanse regisseur Julius Onah Harrison portretteert als van Eritrese komaf. Hij weet immers wel beter dan wat mijn aanvankelijke reactie was, namelijk: Ach, die Amerikanen denken Afrika is Afrika en we kunnen prima een Amerikaan die afstamt van West-Afrikanen een Eritreeër laten spelen. Die lijken echter totaal niet op elkaar. Het is zoiets als een Pakistaan een Japanner laten spelen, want ach, ze zijn allebei Aziaten. Een enorme smet op deze verder gelaagde en geslaagde film.

Over het algemeen is de Nederlandse film op zijn best met kleine, persoonlijke verhalen dus het was een goede keuze van regisseur Paula van der Oest en producent Reinier Seelen om bij de verfilming van LUCIA DE B. niet voor de Amerikaanse vorm van de legal thriller te gaan, waarbij groots uitgepakt wordt en morele kwesties centraal staan en gestreden wordt tegen de moloch die de tegen-stander altijd blijkt te zijn en als het eventjes kan op sentimentele wijze degene die vermorzeld wordt en haar naasten geportretteerd worden, maar het bescheiden te houden. Wat bijzonder knap is is dat hoewel geen enkele moeite gedaan wordt empathie op te wekken voor Lucia de Berk je toch met haar sympathiseert en meeleeft en het onrecht dat haar wordt aangedaan tot in je tenen voelt. Wat nog knapper is is dat voor de heldenrol niet voor een glamoureus type gekozen is maar voor een grijze muis. Maar het allerknapste is dat de film spannend blijft, hoewel je weet hoe het gaat eindigen. Voeg daar het goede spel van bijna de hele cast aan toe, met glansrollen voor grijze muis Sallie Harmsen, gedreven advocaat Fedja van Huêt en Ariane Schluter als Lucia de Berk en je hebt een prima film. Minpunt is dat voor mijn gevoel de zaak iets te zeer gesimplificeerd is.

LUCÍA Y EL SEXO van Julio Medem is een visueel overrompelende, intelligente, sensuele, sterk geconstrueerde film, zoals we van de Spaanse filmmaker gewend zijn. Ook gaat het opnieuw over lot en toeval, menselijke verbondenheid en de noodzaak contact met de aarde te blijven houden. Zonder het overbodige happy end zou het een volmaakte film zijn geweest. Paz Vega speelt de titelrol.

In LUCKY mag de inmiddels 90-jarige acteur Harry Dean Stanton laten zien hoe jammer het is dat hij in zijn superlange carrière maar zo weinig hoofdrollen heeft gekregen. We kennen hem allemaal, misschien niet zozeer van de talloze bijrollen in Roger Corman-producties in de jaren 60, maar wel uit ALIEN of REPO MAN, of als de lieve vader van Molly Ringwald in PRETTY IN PINK en natuurlijk, zijn beste en belangrijkste rol, in PARIS, TEXAS van Wim Wenders. Regisseur John Carroll Lynch is zelf in de eerste plaats acteur (wie herinnert zich hem niet als de man van Frances McDormand in FARGO?), dus hij geeft Stanton de kans om nog één keer te excelleren en, voor het eerst sinds midden jaren tachtig, in het middelpunt te staan. En dat doet hij, in dit liefdevolle, melancholieke portret van een man die zijn laatste dagen slijt in een stoffig woestijnstadje waar iedereen hem kent. Elke dag dezelfde routine, zijn oefeningen en persoonlijke verzorging, dan door de stoffige straten lopen naar de diner voor de koffie en een kruiswoordraadsel, melk kopen in een winkeltje en ‘s avonds in de kroeg waar elke dag dezelfde mensen rondhangen. En sigaretten roken. Een film over vergankelijkheid maar ook over overleven en het bijzondere van het alledaagse; waarin hij beseft dat hem niets anders te doen staat dan, zoals tijdens de oorlog het bloedmooie boeddhistische Filipijnse meisje deed, met een glimlach je noodlot tegemoet treden. En ons tot tranen roert wanneer hij op een verjaardagsfeestje van de tienjarige Juan opeens in het Spaans begint te zingen. Een waardige zwanenzang van een opmerkelijk acteur, die elke film waarin hij speelde, al was zijn rol nog zo klein, de moeite waard maakte. Kort na de opnames van LUCKY overleed hij.

Film- en theaterregisseur Luchino Visconti was een graaf uit een oud adellijk geslacht, dat in de late Middeleeuwen Milaan bestuurde. Het koninklijke milieu van Ludwig II van Beieren was hem dus, hoewel hij tijdens WOII marxist geworden was, niet onbekend. Hij maakte de film LUDWIG met zijn  toenmalige partner Helmut Berger in de titelrol. Trevor Howard speelde de hooghartige gluiperd Richard Wagner en Romy Schneider mocht andermaal in de huid van Elisabeth kruipen en nam wraak op de mierzoete Sis(s)i door van haar de gedesillusioneerde en verbitterde keizerin te maken die ze werke-lijk geweest is. Tijdens de opnames kreeg Visconti een beroerte maar dat weerhield hem er niet van gewoon door te werken. En hij rookte er geen sigaret minder om (120 per dag! Daar doe ik een week over). Ik zag de versie zoals die oorspronkelijk door Visconti bedoeld was maar die pas na zijn dood gerealiseerd werd. Deze director’s cut is een uur langer dan de 3 uurs versie die in de theaters gedraaid heeft en die ik dus eerder zag. Meeslepende cinema met een heel erg grote C.

Paul Auster is mijn favoriete hedendaagse schrijver. Eerder schreef hij al het scenario voor Wayne Wangs SMOKE en regisseerde samen met Wang, losjes uit de pols, het vervolg BLUE IN THE FACE. Nu waagt hij zich als filmregisseur met LULU ON THE BRIDGE (1998) aan een serieuze speelfilm. De jazz-saxofonist Izzy (Harvey Keitel) wordt neergeschoten. Hij knapt op, vindt een steen die licht geeft en wordt verliefd op actrice Celia (Mira Sorvino), werkelijk de liefde van zijn leven, en vice versa. Een duister figuur (Willem Dafoe) is echter op zoek naar de steen en ontvoert Izzy. Deze ontkent vervolgens Celia te kennen en raakt haar zo kwijt. Dan blijkt alles heel anders in elkaar te zitten. Hiervoor worden wel aanwijzingen gegeven maar die begrijp je later pas. Omdat iemand me al uitvoerig over de film had verteld kon ik de film voor de eerste en de tweede keer tegelijk kijken. Een prachtige, rijke film die maar 1 minpuntje kent: Keitel kan niet een verliefde man spelen. Vanessa Redgrave, Gina Gershon, Mandy Patinkin, Victor Argo en Richard Edson completeren de cast en David Byrne en Lou Reed doen ook nog even mee.

Bodyhorrorregisseur David Cronenberg noemde THE SOUND OF MUSIC de engste horrorfilm die hij gezien had. In die lijn gedacht zijn van mijn serie stills niet THE SUICIDE CLUB, THE EXORCIST, JU-ON of LE LOCATAIRE het engst maar deze, de allereerste film die ik in de bioscoop zag. Sorry, ik kan er niets anders van maken want het was er eentje uit de filmserie DIE LÜMMEL VON DER ERSTEN BANK, met Peter Alexander, Theo Lingen en Heintje, ergens rond 1968. Ja, er werd een hele reeks onderling inwisselbare films onder die verzameltitel uitgebracht en ja, blijkbaar is het toch nog goed gekomen met mijn filmsmaak. Het feit dat ik in een bioscoop zat, de magie ervan, maakte meer indruk dan de zouteloze en belegen capriolen (dat vond ik kennelijk toen al) op het doek.

In 1964 maakte de regisseur Antonio Margheriti onder de naam Anthony Dawson de gothic horror I LUNGHI CAPELLI DELLA MORTE (de lange haren des doods). De zwartwit film speelt zich af aaan het einde van de vijftiende eeuw, wanneer een vrouw als heks verbrand wordt omdat ze verantwoordelijk gehouden wordt voor de dood van de broer van de graaf, die tijdens de voltrekking haar oudste dochter Helen (de onvergetelijke Engelse actrice Barbara Steele) verkracht en vermoordt. Haar kleine zus Elizabeth ziet hoe haar moeder in vlammen opgaat, die zich vastklampend aan het kruis bovenop de brandstapel met haar laatste krachten de graaf en iedereen om hem heen vervloekt. Snel erna breekt de pest uit. Wanneer Elizabeth (Halina Zalewska) volwassen is wil de zoon van de graaf, de hebzuchtige Kurt (George Ardisson) die in werkelijkheid de moordenaar van zijn oom is, haar en trouwt haar, hoewel ze hem haat en dat niet onder stoelen of banken steekt. Op het moment dat de graaf bezwijkt aan de pest opent een bliksemschicht de graftombe van Helen. Ze verschijnt op de begrafenis en noemt zich Mary. Dit is een van de gebreken van deze verder heel amusante en heel aardig geacteerde film: niemand herkent haar als het evenbeeld van Helen, zelfs haar eigen zus niet. Ook is de film soms nogal warrig en tast je als kijker in het duister over wat er nu aan de hand is, en wordt er totaal zinloos met een lijk door het kasteel gesleept. Maar wraak komt er!

Als je een meisjesinternaat begint in de buurt van een kasteel dat volgens de lokale bevolking bewoond wordt door een familie vampieren vraag je om problemen. Gaandeweg de Hammer horror LUST FOR A VAMPIRE wordt duidelijk dat de oprichter van en leraar op de school dit met opzet heeft gedaan. Onderhoudende en verzorgde film met Ralph Bates als de door het Kwaad geobsedeerde leraar en Yutte Stensgaard als de bloedmooie via een bloederig ritueel weer tot leven gewekte afstammelinge van deze vampierfamilie, die leerling wordt op het internaat. In deze film kunnen vampieren overigens daglicht prima verdragen.

MA NUIT van Antoinette Boulat uit 2021 is zo’n film waarin je tijdens het filmfestival Rotterdam ergens in een klein zaaltje per ongeluk zou kunnen belanden en waarvan je na afloop zo blij bent er te zijn terechtgekomen. Zo te zien een debuutfilm, opgenomen in traditioneel 4:3, die opent met een citaat van Joan Didion, altijd mooi meegenomen, want die weet hoe over rouwverwerking te schrijven, wat ze bewees met haar boeken over haar man en over haar dochter. De 18-jarige Marion (Lou Lampros) ontvlucht haar huis, waar de verjaardag van haar overleden zus herdacht wordt; zij overleed 5 jaar geleden op 18-jarige leeftijd. Ze vindt geen echte aansluiting bij haar vriendinnen en loopt verloren door Parijs. Ze leeft in existentiële levensangst sinds de dood van haar zus. Wanneer ze lastig gevallen wordt redt een zekere Alex haar, en bij hem vindt ze wel de connectie, met hem kan ze wel praten. Ze doorkruisen samen de nachtelijke stad, pratend, maffe dingen doend, en zelfs plezier hebbend. Veel gebeurt er niet, het wordt allemaal heel klein gehouden, niks geen pretenties. Gewoon twee jonge mensen die elkaar begrijpen, elkaars angst, elkaars zorgen, hun plek in de wereld. Ik moest een beetje denken aan de films van Rohmer of Doillon. Door de goede, losse en toch trefzekere spelregie en het volkomen naturelle acteren van Lou Lampros, variërend van onbenaderbaar tot kwetsbaar, weet de film je echt te raken.

Ik dacht een biopic over de legendarische blueszangeres uit de jaren 20 Ma Rainey te gaan zien maar de film MA RAINEY’S BLACK BOTTOM beslaat slechts 1 dag: een opnamedag in een studio. Het is verfilmd toneel, letterlijk, en er wordt geen poging ondernomen om dat te verbloemen. Dat maakt het geheel wat gekunsteld. Dat neemt niet weg dat er werkelijk briljant geacteerd wordt, vooral door Viola Davis als Ma Rainey, maar dat spreekt vanzelf want alles wat Davis onderneemt doet ze briljant, en minstens net zo sterk door de eerder dit jaar veel te vroeg overleden en tijdens de opnames al zwaar zieke Chadwick Boseman in zijn laatste rol, als haar rebelse trompetspeler Levee. Ook Glynn Turman (eerder met Viola Davis te zien geweest in de geweldige tv-serie How To Get Away With Murder) als pianist Toledo is fantastisch. De dialogen en monologen, die allemaal betrekking hebben op de positie van zwarte mensen in een door en door witte maatschappij en hoe zich ertoe te verhouden, zijn zeer aangrijpend en met zoveel klasse en vuur gespeeld dat je door de vorm heen kijkt en een uitstekende film ziet.

Op de dag dat Jean-Luc Godard overleed bekeek ik zijn MADE IN U.S.A. uit 1966. Er zijn weinig regisseurs bij wie de stijl uit duizenden herkenbaar is, of het een liefdesdrama betreft of een moordmysterie, een detectiveverhaal, een politiek pamflet, een documentaire, een komedie, een egodocument, of alles in 1, maar bij Godard weet je meteen wie de film heeft gemaakt. Toch blijft die stijl fris en vol humor en onvoorspelbaar. En altijd speelt geluid een prominente rol en leest iedereen voortdurend de krant of een boek. Voeg daarbij de vaak absurde dialogen, politieke statements, filosofische aforismen en beeldgrappen zoals jump cuts en herhalingen, en je krijgt een idee van zijn genie. MADE IN U.S.A. is gemaakt na en lijkt wat op PIERROT LE FOU maar is minder persoonlijk en meer politiek, een vooruitblik op LA CHINOISE van een jaar later. Het is ook het einde van een tijdperk, want de laatste film die hij met zijn aanstaande ex-vrouw Anna Karina maakte. Verder met László Szabó en Jean-Pierre Léaud, en Marianne Faithful mag dromerig aan een cafétafel As Tears Go By zingen. En een cameo van Brigitte Bardot onder de haardroger (en getekend, op affiches).

MAGICAL MYSTERY TOUR was de derde film van The Beatles, deze keer speciaal voor tv gemaakt, naar een idee van Paul, uitgezonden op 2e Kerstdag 1967 om 20.30 uur door de BBC, die geen idee had waar het over ging. Het is zoals de titel al zegt een roadtrip door Engeland met onbekende bestemming. De bus zit vol, met tussen de passagiers The Beatles, Ringo’s tante (Jessie Robins, een bekend tv-actrice uit die tijd, op de foto in het midden), de Schotse dichter/ performer Ivor Cutler (rechts) en meer mensen met wie de Britse tv-kijker in de tijd bekend was. Er was geen script, zo werd het constante gekibbel tussen Ringo en zijn tante helemaal geïmproviseerd, en behalve clips van enkele Beatlesliedjes (behalve het titelnummer Fool On The Hill, Flying, Blue Jay Way, I Am The Walrus en Your Mother Should Know) bestaat de film vooral uit losse psychedelische, dadaïstische of ronduit absurde sketches onderweg. Veel ervan zullen later in gewijzigde vorm hun weg vinden in het Monty Python repertoire. Een van de hoogtepunten is het optreden in een stripclub van The Bonzo Dog Doo-Dah Band, nog zo’n directe link tussen Beatles en Monty Python. The Bonzo’s begonnen kort erna samen te werken met enkele latere Monty Python leden in het tv-programma Do Not Adjust Your Set, en jaren later zou Neil Innes de soundtrack voor de MP films componeren, terwijl George Harrison de films produceerde. Een clip van Traffic met hun vroege hit Here We Go Round The Mulberry Road Bush haalde de eindmontage niet, maar zou een jaar later in de Britse sekskomedie HERE WE GO ROUND THE MULBERRY ROAD BUSH verschijnen. Maf detail: de zeer kleurrijke tv film beleefde zijn première in zwart-wit.

Het overlijden van regisseur Peter Brook bracht me terug naar een jaar of vijftien geleden, toen ik me na een kaakoperatie rustig moest houden en besloot, terwijl langzaam de verdoving uitwerkte, dat ik die dag THE MAHABHARATA van hem ging kijken. Niet de speelfilm-versie van bijna 3 uur, maar het origineel van ruim 5 uur (in het theater duurde het geheel overigens 9 uur). Dat zou me wel afleiding bezorgen. De Mahabharata is een Indisch filosofisch-religieus helden-epos met een omvang van vier bijbels en een hoeksteen van het hindoeïsme. Het bekendste deel ervan is de Bhagavad Ghita. De kritiek op de film is altijd geweest dat het meer een heldenepos is dan een filosofisch-religieus traktaat, een verwijt dat gangbaar is voor dergelijke films, en kenners van het epos hebben bij wijze van spreken boekdelen vol geschreven over onzorgvuldigheden, fouten, verkeerde interpretaties, het missen van de essentie, noem maar op, en film-kenners wijzen op het statische spel, maar al met al blijft het voor de westerling een prima introductie van het oud-Indiase gedachtegoed en een meeslepende geschiedenis. Een internationale cast van onder anderen Erika Alexander, Sotigui Kouyaté en Ciarán Hinds spelen mee.

MAIMIL (DE AAP) van Aktan Abdykalykov is een film uit Kirgizië, een prachtig vervolg op BESHKEMPIR (zie aldaar). Eindelijk (ik zag deze film op het IFFR van 2002, met veel films vol expliciet geweld, expliciete seks en veel cynisme) een film waarin vol liefde en mededogen naar de personages gekeken wordt. De jongen uit BESHKEMPIR is inmiddels een adolescent en krijgt te maken met dienstplicht, eerste liefde, vechtpartijen en een altijd dronken vader. De scènes met zijn kleine zusje behoren tot de ontroerendste van dit festival.

In de Russische film MAKAROV uit 1994 van Vladimir Khotinenko koopt de gevierde dichter Makarov een pistool van het merk Makarov. Dat pistool gaat een eigen leven leiden en richt de dichter en zijn gezin op den duur te gronde. Een sarcastisch maar ook luchtig en poëtisch verfilmde visie op hedendaags Rusland, waarin na de val van het communisme de traditionele waarden verloren gaan en vervangen worden. Zo bewaart de dichter het pistool in een uitgesneden uitgave van de verzamelde poëzie van Poesjkin.

Ruby Bruce (Diana Dors) werkt in een boekhandel in Londen, waar John Harman (George Brent) bedrijfsleider is. Tijdens een avond overwerken kust Harman de jonge, ultrablonde en superaantrekkelijke Ruby. Ze vertelt het aan een man die ze net kent, niet wetende dat deze Jeffrey Hart (Peter Reynolds) een klaploper en crimineel is. Hij haalt haar over Harman te chanteren. Als hij erachter komt dat ze meer aan Harman heeft weten te ontfutselen dan ze Hart vertelt, vermoordt hij haar. Alle verdenking wijst naar Harman, die voor de politie moet vluchten. Het is nu aan zijn collega Stella (de Amerikaanse inbreng Marguerite Chapman) om diens onschuld te bewijzen en de onbekende moordenaar te vinden.

Oorspronkelijk uitgebracht als THE LAST PAGE (1952) kreeg de film in de VS de titel MAN BAIT, een slechte keuze want die titel slaat nergens op, en al helemaal niet op de echte hoofdrolspeelster Chapman, een gewezen verpleegkundige met een goed paar hersens en veel compassie. Op Dors dan, aan het begin van haar carrière? Zoals ze gepresenteerd wordt ongetwijfeld, maar het verhaal maakt dat niet waar. Hoe dan ook, deze Hammer Film Noir is zeker de moeite waard (ondanks het slechte, krakende geluidsspoor vol ruis, wat de verstaanbaarheid niet ten goede komt, terwijl de dvd niet ondertiteld is). De film is geregisseerd door Terence Fisher, die een heel aantal van deze Hammer Noirs onder zijn hoede zou nemen en een paar jaar later als regisseur eeuwige roem zou vergaren toen Hammer zich ging toeleggen op de horror.

Op de foto het moment waarop Harman denkt dat het een goede zet zou zijn om Ruby te kussen.

 

De 5 westerns die regisseur Anthony Mann in de jaren 50 samen met James Stewart maakte behoren tot de hoogtepunten van dit genre, zelfs tot de hoogtepunten van de filmgeschiedenis. Dat ik uit dat kwintet voor deze serie filmstills THE MAN FROM LARAMIE selecteer heeft als enige reden dat ik zo weer eens een foto met Cathy O’Donnell kan plaatsen.

Gedurende de eerste tien minuten heeft hij zich al drie keer met een andere naam voorgesteld, dus iets klopt niet met Link Jones (Gary Cooper). Hij is voor zijn dorp op zoek naar een lerares en neemt voor het eerst de trein. Hij ziet zelfs voor het eerst een trein en zegt: “Zoiets lelijks heb ik nog nooit gezien.” De man naast hem antwoordt: “Dan heb je mijn vrouw nog niet ontmoet.” Voor mij bijna aanleiding om de film af te zetten, want komische westerns met hun lompe humor kan ik slecht verdragen, maar ja, MAN OF THE WEST uit 1958 is wel van Anthony Mann, dus ik geef hem een kans. En maar goed ook. Onderweg wordt de trein overvallen maar de machinist gaat er snel weer vandoor, Link achterlatend met nachtclubzangeres Billie Ellis (Julie London) en Sam Beasley, de man met de lelijke vrouw, en professioneel valsspeler. Op zoek naar de bewoonde wereld bereiken ze een huisje, dat echter toevluchtsoord blijkt te zijn voor de bende achter de mislukte treinoverval, die geleid wordt door de beruchte Dock Tobin (Lee J. Cobb), die Links oom blijkt te zijn. Link was al opgroeiend zijn rechterhand maar koos volwassen geworden voor een respectabel leven. Link maakt Dock wijs dat Billie zijn geliefde is en dat hij terug is om het oude leven weer op te pakken, maar de andere bendeleden hebben zo hun twijfels. MAN OF THE WEST is een uiterst sterke western geworden die zich kan meten met de westerns die Mann met James Stewart maakte, en als je die close ups ziet met de blikwisselingen van de elkaar wantrouwend aankijkende mannen weet je waar Sergio Leone de mosterd vandaan gehaald heeft. Ook Tarantino heeft zich bij THE HATEFUL EIGHT volgens mij door deze film laten inspireren.

Wanneer ik Casey Affleck zie acteren krijg ik vaak last van mijn maag en dat bedoel ik als compliment. Ook in MANCHESTER-BY-THE-SEA speelt hij een in zichzelf gekeerde man met een gevaarlijk gistend innerlijk dat als het naar buiten komt destructief is. Hier uit dat zich in antisociaal gedrag en bargevechten. De film gaat over leven met een geweten vol on(ver)draaglijke schuld, maar ook over hoe mannen gevoelens en emoties verwerken (niet!) en de diepe onver-brekelijke band die familie heet. De scène van deze still, met ex Michelle Williams, zoals altijd geweldig, raakt diep door het onver-mogen van haar om hem te bereiken en hem te stimuleren het leven weer betekenis te geven. Zij heeft het, getuige de baby, wel gedaan. Hij is nooit in staat geweest die fatale dag te boven te komen en wentelt zich in geestelijk masochisme.

Na ANNIE HALL was MANHATTAN (1979) de tweede film waarin Woody Allen de pretentieloze onzin van wat hij eerder gedaan had verliet en een serieuze op dialoog drijvende komedie maakte over zijn alter ego, de neurotische hypochondrische intellectuele kunstminnende New-Yorkse jood die worstelt met relaties, inmiddels misschien een gemeenplaats maar indertijd nieuw en fris. Isaac Davis (Woody Allen) vat het in de film zelf perfect samen: “An idea for a short story about people in Manhattan who are constantly creating these real, unnecessary, neurotic problems for themselves because it keeps them from dealing with more unsolvable, terrifying problems about... the universe.” Ook Mary Wilke (Diane Keaton) doet een duit in het zakje: “Don't you see? That it is the dignifying of one's psychological and sexual hang-ups by attaching them to these grandiose, philosophical issues? That's what it is.” Wanneer gezegd wordt dat psychiatrische studies hebben uitgewezen dat een kind heel goed opgevoed kan worden door twee moeders, reageert hij: Maar weinig mensen overleven één moeder. Ook is de film een in prachtig zwart-wit gefotografeerde ode aan Manhattan. Verder met Mariel Hemingway als Davis’ minderjarige vriendin, Meryl Streep als zijn ex, Michael Murphy als zijn beste vriend, en als je oplet zie je Tisa Farrow, de jongste zus van zijn latere vrouw Mia Farrow, ook even. Misschien niet Allens beste (dat is voor mij HANNAH AND HER SISTERS) maar wel een van zijn absolute topfilms.

Alles aan MANK is bijzonder interessant: de regisseur, David Fincher, het acteerwerk over de hele linie (m.n. Gary Oldman zet een geweldige Herman Mankiewicz neer en Amanda Seyfried overtuigt als Marion Davies, intelligenter dan waar ze meestal credit voor krijgt), de magnifieke zwartwit cinemascope fotografie en het onderwerp: het schrijven van het scenario van CITIZEN KANE en een inkijk in Hollywoods studiosysteem in de jaren 30 en dan met name MGM. Wat uit Manks mond komt is geestig, briljant, gevat en vaak totaal ongepast maar een genot om te horen. Waarom kan ik dan niet super enthousiast zijn? De film is precies zo geconstrueerd als CITIZEN KANE en dat werkt in dit geval niet. De film wordt er fragmentarisch en rommelig door. Conclusie: Orson Welles als regisseur en Herman Mankiewicz als scenarioschrijver zijn een maatje te groot voor David Fincher de regisseur en zijn vader Jack Fincher de scenarioschrijver.

 

 

 

voor MANON DES SOURCES, zie bij

JEAN DE FLORETTE

 

 

 

 

voor MARIE ANTOINETTE, zie bij

JEANNE DU BARRY

De Franse nouvelle vague regisseur François Truffaut was een groot bewonderaar van Hitchcock. Hij interviewde hem uitgebreid, wat resulteerde in het boek Le Cinéma selon Hitchcock. Een paar jaar erna maakte Truffaut LA MARIÉE ÉTAIT EN NOIR (1968), naar een boek van Cornell Woolrich, die ook Hitchcocks REAR WINDOW geschreven had. Ook huurde Truffaut Hitchcocks vaste componist in, Bernard Herrmann. Het is meer een hommage aan dan een film in de stijl van Hitchcock. Julie Kohler (Jeanne Moreau) vermoordt tijdens de film doelgericht vijf mannen, en resit daarvoor heel Frankrijk door. Na de derde wordt uit de doeken gedaan waarom, en wat de mannen met elkaar verbindt. Tijdens de openingsscène hebben we al gezien dat ze geen koelbloedige psychopaat is maar gekweld wordt door wat die vijf mannen haar, zonder haar te kennen, hebben aangedaan. Voor de slachtofferrollen zijn niet de minste Franse acteurs geselecteerd: Claude Rich, Michel Bouquet, Michael Lonsdale, Charles Denner en, de enige die ik niet kende, Daniel Boulanger. Voor de laatste moet ze veel moeite doen, zelfs in de val lopen van Corey (Jean-Claude Brialy), die bevriend was met de eerste en ook met de vierde, wanneer hij haar herkent. Ze laat zich opzettelijk arresteren om nummer vijf te kunnen vermoorden. LA MARIÉE ÉTAIT EN NOIR is een zeer amusante film geworden, en om geen van de mannen hoeft getreurd te worden (ik zeg dat natuurlijk binnen de context van de film), want ze zijn achtereenvolgens misogyn, zielig, arrogant, opnieuw misogyn en misdadig.

MARIE'S LIED: ICH WAR, ICH WEIß NICHT WO van Niko von Glasow-Brücher speelt zich af in het Pruisen van begin 19e eeuw. Een op zichzelf levende familie woont op een kasteel. Dan arriveert de woeste Friedrich met zijn gevolg van marskramers en bedelaars, die het kasteel bezetten en plunderen. De jonge Marie, een meisje met een rijk fantasieleven, wordt bruut de volwassen wereld ingetrokken wanneer Friedrich haar verkracht. Samen met de andere kinderen van het kasteel neemt ze echter wraak. Hoewel de film op scenario-vlak niet helemaal consistent is wordt hij vrijwel zonder dialoog geheel in beelden verteld, erg sterke beelden, en dat is erg mooi gedaan. Sylvie Testud speelt Marie en heeft het in zich een groot actrice te worden.

(NB. Een jaar of twee later beleeft ze haar grote doorbraak in JENSEITS DER STILLE, en ze wordt inderdaad een groot actrice, kan ik nu wel constateren.)

Ik zag gisteren THE MARSH KING’S DAUGHTER (2024) en ik ben de film nu al bijna vergeten. Amusant voor zo lang het duurt, in het middendeel zelfs spannend, met goed acteerwerk van Daisy Ridley (die Mark Hamill deed vergeten in de laatste STAR WARS trilogie) en Ben Mendelsohn, altijd goed als charmante maar getroebleerde man. Hier leeft hij volkomen van de beschaving geïsoleerd ergens in de bossen in Michigan aan de Canadese grens, met zijn vrouw en tienjarige dochter Helena, dan gespeeld door Brooklynn Prince, die eerder al indruk maakte in THE FLORIDA PROJECT. Hij leert zijn dochter hoe te overleven en hun band is zeer sterk; de moeder hangt er maar een beetje bij. Totdat de moeder vlucht en het meisje meeneemt. Ze blijkt jaren eerder door de man te zijn ontvoerd. Twintig jaar later heeft Helena (nu gespeeld door Ridley) een andere identiteit aangenomen en een bestaan opgebouwd met man en dochter, met wie ze een gelukkig suburbian leven leidt, wanneer de vader tijdens een gevangenistransport ontsnapt. Natuurlijk wil hij zijn dochter terug en zal daar alles voor in het werk stellen. De film is zo oppervlakkig als ik het hier opschrijf. En zo voorspelbaar. Er is één scène die bijblijft, wanneer Helena zich bij haar man herintroduceert als de dochter van the Marsh King en al die vreemde tatoeages (die haar vader gezet had) aan hem uitlegt.

Met haar indrukwekkende derde film MARTHA...MARTHA bewijst Sandrine Veysset (zie ook VICTOR...) opnieuw een van de beste hedendaagse Franse regisseurs te zijn. Het is een portret van een jonge vrouw (Valérie Donzelli) die een vriend heeft, en een dochtertje van 6. Ze houdt zielsveel van hen maar is getraumatiseerd door een tragisch ongeluk met haar broertje in haar jeugd. Ze is labiel, egocentrisch, leeft op kicks en mist het vermogen om zich op gepaste wijze te uiten. Wanneer ze verkracht is reageert ze het af op haar dochter. Uit schuldgevoel verdwijnt ze spoorloos. Hartverscheurend. Subtiel en fantastisch geacteerd drama dat door de onnadrukkelijke enscenering nog sterker wordt.

Ik wou beginnen met “ik ben niet zo van de paleisintriges”, maar Shakespeare dan? Hoe dan ook, het was niet het onderwerp dat me naar deze film deed kijken maar Saoirse Ronan. Ik weet het, zelfs zij kon een film van Wes Anderson niet redden, maar dat is ook wel het onmogelijke gevraagd. In de titelrol van MARY QUEEN OF SCOTS moet ze toch in staat zijn het ondoorgrondelijke gekonkel aan zowel het Schotse als het Engelse hof in de zestiende eeuw verteerbaar te maken. Ik neem aan dat de gebeurtenissen op het scherm historisch accuraat zijn en, laat ik het zo zeggen, als hongerlijdende landarbeider had je in die tijd een onbezorgder leven dan als de (katholieke) koningin van Schotland. Ronan en Margot Robbie (de protestante koningin Elisabeth van Engeland) hebben slechts één scène samen en dat is meteen het hoogtepunt van de film, prachtig geënsceneerd en bol staand van onderhuidse spanning, met ingetogen maar elektrisch geladen acteerwerk. Zelfs als het je geen reet kan roesten wie nu alweer welk verraad pleegt (ze zijn toch allemaal gericht tegen Mary Stuart) een boeiend spektakel met sterk spel van vooral Margot Robbie, een onherkenbare David Tennant en de uitmuntende Saoirse Ronan, over wie niet genoeg de loftrompet gestoken kan worden. Historische vertellingen gaan altijd meer over de tijd waarin ze gemaakt zijn dan over de tijd waarin ze plaatsvinden en dat geldt zeer nadrukkelijk voor deze film, die een sterke feministische inslag heeft, qua casting kleurenblind is en homoseksualiteit vanzelfsprekend vindt (in elk geval in de ogen van Mary Stuart). Wel bestaat meteen de behoefte om de gelijknamige verfilming uit 1971 met Vanessa Redgrave als Mary en Glenda Jackson als Elisabeth weer te kijken. Of MARY OF SCOTLAND van John Ford met Katherine Hepburn. Gewoon, om te vergelijken.

Prins Prospero (Vincent Price) is een wrede heerser ergens in Italië, die er plezier in schept de boeren die wonen in zijn gebied uit te buiten, te verhongeren, tegen elkaar uit te spelen. Verzet is zinloos merken twee mannen. Een is de vader en de ander is de minnaar van Francesca (Jane Asher). Omdat hij gecharmeerd is van haar spaart Prospero de mannen en neemt haar en hen mee naar zijn kasteel. Daar moet Francesca de concurrentie aangaan met Juliana (Hazel Court), in wie Prospero teleurgesteld is omdat ze de laatste stap, volledige toewijding aan Satan, niet heeft durven te zetten. Intussen woedt op het platteland de Rode Dood. Prospero belooft de aanwezige gasten, er is een gemaskerd bal op komst met alle edelen uit de regio, dat dankzij zijn verbond met de Duivel de Rode Dood buiten de poorten van het kasteel wordt gehouden. Maar heeft de Duivel wel macht over de Dood? Volgens mijn oude papieren Speelfilm-encyclopedie is THE MASQUE OF THE RED DEATH uit 1964 de beste Edgar Allen Poe verfilming van de Amerikaan Roger Corman (die deze film in Engeland en met een op Price na Engelse cast opnam), maar dat is voor mij toch echt THE PIT AND THE PENDULUM (zie aldaar). Niettemin is ook deze gothic horror een zeer geslaagde, kleurrijke en verzorgde Poe-verfilming van Corman, met camerawerk van Nicolas Roeg, waarin deze keer niet eens Price centraal staat maar de roodharige sproeterige Jane Asher met haar onschuldige uitstraling, die indertijd trouwens een relatie had met Paul McCartney, die een heel aantal liedjes over haar schreef zoals Here, There and Everywhere, I’m Looking Through You, Things We Said Today en For No One, toch behorend tot de allerbeste liedjes van hem.

In UN MAUVAIS FILS van Claude Sautet uit 1980, naar een verhaal van Daniel Biasini, de man van Romy Schneider, komt Patrick Dewaere weer thuis, na zes jaar in Amerika in de gevangenis te hebben gezeten vanwege drugs, en gaat naar zijn vader (Yves Robert). Dat gaat al snel fout, omdat de vader hem verantwoordelijk houdt voor de dood van de moeder (overdosis barbituraten). Hij krijgt werk in de boekhandel van Jacques Dufilho, samen met een vrouw (Brigitte Fossey) die wat meer moeite heeft met clean blijven. Er komen geen slechte mensen voor in de film, zelfs geen onsympathieke, want dankzij het meesterschap van Sautet krijgt elk personage een warm kloppend hart, welke fouten ze ook maken en hoe zwak of verbitterd ze ook zijn. Door het rustige tempo en het gebrek aan (melo)drama gaan we oprecht meeleven met hen, en dat is ook te danken aan de acteurs, stuk voor stuk geweldig, met voorop Dewaere, die met de subtielste oogopslag, optrekken van de wenkbrauw of een enkel spiertje rond zijn mond, het hele wezen van zijn personage blootlegt. Een klein meesterwerkje.

 

MAX ET LES FERAILLEURS uit 1971 is opnieuw een film van Claude Sautet met Romy Schneider en Michel Piccoli en staat samen met hun andere samenwerking LES CHOSES DE LA VIE  op 4 in mijn lijst met beste films. Politie-inspecteur Piccoli wil een bendeleider er zo graag bijlappen dat hij het undercover aanlegt met diens vriendin, een hoertje, gespeeld door Schneider. Maar natuurlijk vallen ze gaandeweg voor elkaar. Fenomenaal in alle opzichten.

Omdat het mijn vaders verjaardag was keek ik gisteren een film met zijn favoriete actrice, Maureen O’Hara. Het werd de komische western McLINTOCK! uit 1963 van Andrew McLaglen en verder met o.a. John Wayne, zijn zoon Patrick Wayne, Stefanie Powers en Yvonne de Carlo. De kern van de film is de strijd tussen McLintock (Wayne) en zijn vrouw Katherine (O’Hara). Hij is een beetje de eigenaar van een uitgestrekt gebied in Arizona en geliefd door de bevolking. Zij komt terug uit het oosten om van hem te scheiden en er tegelijkertijd voor te zorgen dat hun dochter (Powers) niet achterblijft in dat godvergeten achterlijke gat maar de beschaving in het oosten opzoekt. Wat opvalt is dat Wayne het hier unverfroren opneemt vóór de indianen in hun strijd voor hun eigen gebied, dat de gouverneur van hen wil afpakken ten faveure van nieuw aangekomen kolonisten. Ik heb er een beroerde kopie van in 4:3, terwijl de film opgenomen is in cinemascope, dus bijna de helft van het beeld is weggevallen en dat is hinderlijk, zeer hinderlijk, hoewel de film het niet eens moet hebben van de mooie plaatjes. De film drijft vooral op humor en humor in westerns is per definitie banaal en van dik hout zaagt men planken. Toch is de film grappig, misschien wel omdat hier vooral gekozen is voor slapstick, en dat werkt. Ik zie mijn vader naast me zitten lachen.

Nadat ik gisteren het stukje over AS TEARS GO BY (zie aldaar) had geschreven las ik dat Wong Kar-wai voor die film geïnspireerd was geweest door MEAN STREETS uit 1973 van Martin Scorsese over het dagelijkse, richtingloze leven van een paar kleine criminelen in Little Italy, New York. Dus aanleiding om die weer eens te bekijken, en inderdaad, ik zie de sterke overeenkomsten. Met name het geschetste milieu en de relatie tussen Charlie (Harvey Keitel) en Johnny Boy (Robert De Niro) komen sterk overeen. Ook hier probeert Charlie de zaak te sussen telkens als onberekenbaar en ongeleid projectiel Johnny Boy bij de mensen met wie samengewerkt moet worden het bloed onder de nagels vandaan treitert. Charlies preocuppatie met religie zien we bij Wong echter niet terug en ook zijn relatie met Teresa (Amy Robinson) is heel anders dan die tussen Ah Wah en Ah Ngor, hoewel ook zij een nicht is, deze keer van Johnny Boy. MEAN STREETS betekende de grote doorbraak voor Scorsese, voor Keitel en voor De Niro. MEAN STREETS is cinematografische geschiedenis, waarin Scorsese put uit zijn eigen jeugd, wat hij om zich heen zag, met Johnny Boy als personificatie van zijn oom, en ijzersterke deels geïmproviseerde performances van Keitel en vooral De Niro, maar, hoe goed ook, stiekem prefereer ik AS TEARS GO BY, omdat het personage van Ah Ngor extra diepgang toevoegt.

MEDEA is Pier Paolo Pasolini’s hervertelling van een vroeg toneelstuk van Euripides, uit 431 v Chr. Jasoon krijgt van zijn oom, de koning van Korinthe, de opdracht het Gulden Vlies te veroveren. Dat is in bezit van Aietes, de koning van het verre Kolchis (grofweg het huidige Georgië) en zoon van de zon. Met behulp van diens dochter Medeia rooft hij het. Zij gaat terug met hem naar Griekenland en ze krijgen twee kinderen, maar Jasoon speelt liever met de jongemannen buiten (het is immers een film van Pasolini) dan dat hij tijd met zijn vrouw doorbrengt. Ze is een vreemdeling in een xenofoob land waar ze geen enkele binding mee heeft en verliest haar magische krachten. Maar wanneer Jasoon ook nog gaat trouwen met de dochter van de koning vindt ze haar magische krachten terug.

Pasolini zet de magische voorhistorische wereld vol rituelen waarin nauwelijks wordt gesproken tegenover de beschaafde wereld van Korinthe, waarin het woord en de ratio de rituelen hebben vervangen. Daarbij veronderstelt hij dat de kijker het verhaal van Medeia kent en heeft weinig interesse een ‘en toen en toen en toen’ narratief te volgen. Vaak moet de kijker zelf de connecties maken. De beelden en de muziek vertellen grotendeels het verhaal. Hij haalt de muziek uit alle windstreken: Turks, Kaukasisch, Iraans, zelfs Japans. De film kent twee hoofdrollen: het bijna buitenaardse, onwerkelijke landschap van Cappadocië en Maria Callas. Het is de enige filmrol van de operaster die als eerste het hyperbole overacteren waarmee de opera vergeven was vaarwel zei en op het toneel echt acteerde, subtiel en verinnerlijkt. Hier is Callas het verbitterde, trotse en waardige middelpunt met voor wat we gewend zijn onder Pasolini’s regie uiterst subtiel spel. Het is geen EDIPO RE, maar vooral dankzij de landschappen, de muziek, de prachtige ensceneringen en aankleding, en Maria Callas zeer bezienswaardig.

De filmstill van vandaag komt uit het 6 uur durende epos LA MEGLIO GIOVENTÙ, een soort chronologisch vervolg op NOVECENTO. De Italiaanse naoorlogse geschiedenis zoals beleefd door één familie. Maffia, Rode Brigades, de overstroming van Florence van 1966, anti-psychiatrie, het komt allemaal voorbij. En als de film is afgelopen wil je meer, want je wilt geen afscheid nemen van de personages. De bijrol van Jasmine Trinca als Giorgia is onverge-telijk en hartverscheurend. Haar blik. Dit noodzaakt me tot de uitzonderlijke plaatsing van een clipje. Klik op de foto en bekijk de scène die erbij hoort. Haar blik!

Opdat ik van mijn lijst van 10 beste films van 2023 ze ook allemaal dit jaar zou zien schoof ik het opnieuw uitgebrachte LE MÉPRIS uit 1963 van Jean-Luc Godard in de dvd-la. De Amerikaanse film-producent Prokosch (Jack Palance) wil de Franse scenarioschrijver Paul inhuren voor enkele scènes van de verfilming van de Odyssee door Fritz Lang, die zichzelf speelt. Ze komen bij elkaar op Cinecitta in Rome voor besprekingen en Paul brengt zijn vrouw Camille (Brigitte Bardot) mee, naar wie de vulgaire producent meteen ondubbelzinnige avances maakt. Wanneer Prokosch hen uitnodigt voor een drankje in zijn huis en de enige plek in zijn auto voor Camille bestemt, waarmee Paul zonder meer akkoord gaat, zien we, als ze in de auto gestapt is, haar naar Paul kijken met een blik die ware minachting laat zien, de enige keer in de film dat Camille’s blik niet ondoorgrondelijk is. Terwijl ze die ochtend nog smoorverliefd in bed lagen, ruziën de twee vanaf dat moment alleen nog maar en neemt haar minachting voor hem toe bij elke beslissing die hij neemt, of juist nalaat te nemen. De werkelijkheid volgt daarbij Prokosch’ interpretatie van Odysseus’ verhaal; hij beweert namelijk dat Odysseus uit minachting voor Penelope tien jaar over de thuisreis deed. Prokosch staat voor de ineenstorting van de cinema en Lang is de oude wijze man, de voorbije tijd waarnaar Godard zo terugverlangt. Tegelijk ontleedt Godard de man-vrouw relatie, en laat Bardot schitteren als nooit tevoren, en nooit sindsdien: zij is de verbindende factor, want enerzijds de belichaming van de commerciële film maar ze wordt tegelijkertijd door de redactie van Cahiers bewonderd voor haar vitale, ongeremde aanwezigheid. Godard laat haar sterven, samen met de toch al ten dode opgeschreven cinema.

Als je MESA OF LOST WOMEN uit 1953 kijkt besef je dat de concurrentie groot was toen PLAN 9 FROM OUTER SPACE uitgeroepen werd tot slechtste film aller tijden. Het gaat over een dokter die midden in de Mexicaanse Woestijn des Doods aan een experiment werkt, waarin hij spinnengif inspuit in mooie vrouwen, die dan spinachtige eigenschappen krijgen en ook zo ongeveer onsterfelijk worden. Zo wil hij de wereld veroveren. Hij nodigt een gerenommeerde wetenschapper uit om samen zijn werk te perfectioneren, maar die wetenschapper vindt het een abominatie en krijgt iets ingespoten waardoor hij tot een zo goed als hersenloze zombie gemaakt wordt. Op de een of andere manier is de film wel grappig. Jackie Coogan, die de titelrol in Chaplins THE KID heeft gespeeld en later Uncle Fester in The Addams Family tv-serie zou gaan vertolken, speelt de krankzinnige professor. De dans die Tarantella (Tandra Quinn, links beneden op de foto) uitvoert is het hoogtepunt van de film, het aanhoudende geram op de Spaanse gitaar als soundtrack bijna ondraaglijk. Je blijft toch met een paar vragen zitten, zoals: waarom waren er twee regisseurs nodig om deze film te maken? En: wat ging in hen om toen ze besloten dat een paar mooie, voor die tijd schaars geklede vrouwen ons angst zouden moeten gaan inboezemen (pun intended)? Wat was hun drijfveer? Alleen laat in de avond na wat alcohol valt hier plezier aan te beleven.

De Romeinse dichter Ovidius leefde rond het begin van onze jaartelling. In zijn boek Metamorphoses nam hij Griekse mythen die hij herschreef. Dat was een van de leukste boeken om uit het Latijn te vertalen, herinner ik me uit mijn schooltijd. De Franse regisseur Christophe Honoré (bekend van MA MÈRE met Isabella Huppert) verfilmde delen van het boek in een hedendaagse setting en met allemaal jonge onbekende acteurs, waarin Europa (Amira Akili) centraal staat. Het is een raamvertelling, een estafetteverhaal, een associatieve opeenvolging van verhalen, waarin Europa onder anderen Jupiter en Bacchus ontmoet, die haar verhalen vertellen over bijvoorbeeld Pan, Juno, Io, Narcissus, Orpheus, Venus. Zoals in de Griekse mythen zijn goden onsterfelijke mensen met magische krachten. MÉTAMORPHOSES (2014) is een helemaal niet onaardige, zij het wat oppervlakkige film geworden, met mooie vaak blote jonge mannen en vrouwen in de idyllische natuur (net naast een autoweg) en met soms bijna metafysisch camerawerk (zoals de in het meer zwemmende Europa op het laatst), maar van de hak op de tak springend onbegrijpelijk als je de verhalen niet kent. Grappig dat de film onder mijn aandacht komt net nu ik zelf aan een verhaal bezig ben waarin de Griekse mythologie een rol speelt (hoewel iedereen die mijn “oeuvre” kent weet dat die nooit ver weg is en ik er vaak aan refereer) en die zich in een vergelijkbare setting afspeelt. Als je goed oplet zie je tussen de Bacchanten Fatou N’Diaye, die de vrouwelijke hoofdrol speelde in UN DIMANCHE À KIGALI.

Hoog op een nagenoeg onbereikbare rots ergens in Griekenland staat een monnikenklooster. Een rots verderop slechts 1 boom en weer een nog onbereikbaardere rots (alleen bereikbaar per takel) verder een nonnenklooster. In beide wordt een sereen, godvrezend bestaan geleid vol rituelen volgens de oosters-orthodoxe traditie. In deze context worden een jonge monnik en een jonge non verliefd op elkaar. Het gedeeltelijk geanimeerde METEORA is een oogverblindend mooie, uiterst trage film vol symboliek die de innerlijke strijd verbeeldt (letterlijk), alles nauwgezet aansluitend op de oosters-orthodoxe iconografie. Een adembenemende weldaad voor oog en ziel.

In MIDNIGHT COWBOY uit 1969 van John Schlesinger zegt de jonge Joe Buck (Jon Voight) het perspectiefloze Texaanse plattelandsleven vaarwel om het te gaan maken in New York. Hij trekt zijn beste cowboy-outfit aan want hij heeft gehoord dat de dames in het oosten smachten naar jong stoer mannenvlees en op die manier, als man-hoer, wil hij snel rijk worden. Al tijdens de lange busreis zien we zijn totale gebrek aan charisma (wat dat betreft is Voight een uitstekende keus geweest voor de rol) maar, naïef en zelfverzekerd als hij is, zal het tot het einde van de film duren voordat dat ook tot hemzelf doordringt. In New York gaat niets zoals verwacht en belandt hij, samen met de kreupele van een zonnig leven in Florida dromende tbc-lijder Ratso (Dustin Hoffman in misschien wel de beste rol van zijn carrière), in een afbraakpand waar ze door middel van diefstal het hoofd ternauwernood boven water houden. Ze raken bevriend en zorgen voor elkaar. Hun onvoorwaardelijke vriendschap is de kern van de film, en het enige lichtpuntje. Via zijn (zwart-wit) dromen komen we erachter dat Joe Texas niet alleen verlaten heeft om een zonnige toekomst tegemoet te gaan, maar ook om herinneringen aan traumatische gebeurtenissen te ontvluchten. Joe en Ratso belanden op een party in The Factory (niet met name genoemd maar veel uit de Warholkliek lopen er rond, zoals Viva, Paul Morrissey, Taylor Mead en Ultra Violet) waar Joe Shirley (Brenda Vaccaro) ontmoet. Als de dekhengst die hij pretendeert te zijn bakt hij er niks van. Intussen wordt Ratso steeds zieker en gaan ze uiteindelijk met de bus naar Florida. Hoewel MIDNIGHT COWBOY een uiterst deprimerende film is was de film een groot succes en kreeg drie Oscars (beste film, beste regie, beste scenario) en werd nog eens vier keer genomineerd, voor montage, voor beste vrouwelijke bijrol (Sylvia Miles, Joe Bucks eerste kennismaking met de cynische werkelijkheid), en zowel voor Voight als Hoffman voor beste mannelijke hoofdrol. Het prachtige Everybody's Talkin' van Harry Nilsson, dat Joe Buck ineh tbegin begeleidt, werd een grote hit.

Nadat haar zus zichzelf en hun ouders om het leven heeft gebracht gaat een jonge studente (Florence Pugh) met vrienden mee naar Zweden om daar de midzomerfestiviteiten van een afgelegen commune, waar een van haar vrienden is opgegroeid, te bezoeken. Door het ontzettend heftige begin waarin je als kijker samen met Pugh letterlijk naar adem moet happen om je emoties onder bedwang te krijgen, lijkt het daar in het begin allemaal idyllisch, vreemd doch onschuldig, maar als kijker weet je dat het maar schijn is, want heidense zomerrituelen, dat kan niet pluis zijn. Het had wat mij betreft vanaf het begin al een hoog proto-fascistisch Mellie Uyldert gehalte. Doordat de film ervoor kiest de commune een incoherente natuurfilosofie te laten aanhangen die geen interne logica bezit, ontaardt hij al snel in pure exploitatie. Het had eng kunnen zijn als ervoor gekozen was een werkelijk bestaande heidense Noordse religie als uitgangspunt te nemen, want hoewel regisseur Ari Aster Thierry Baudet wel niet zal kennen lopen ook in New York gegarandeerd soortgelijke types rond bij wie hij te rade had kunnen gaan, maar nu is MIDSOMMAR alleen de moeite waard vanwege de als altijd uitstekende Florence Pugh. De film is overduidelijk geïnspireerd door de Britse cult-klassieker THE WICKER MAN (zie aldaar).

In de Braziliaanse film uit 1994 MIL E UMA van Suzanna Moraes neemt een succesvolle vrouw ontslag en verlaat haar man om te gaan doen wat ze altijd heeft willen doen: een film maken over Marcel Duchamps in Zuid-Amerika. De producent (haar ex) gaat voor de financiering in zee met een drugsbaron. Zij krijgt een hartstochtelijke relatie met haar hoofdrolspeler. Langzaam verdwijnt bij haar het onderscheid tussen film en realiteit. Magisch-realistische, aardige film.

MILLENNIUM MAMBO (CHIE SHI MAN PO) uit 2001 is een wat mij betreft nogal mislukte film van de Taiwanese meester Hou Hsiao-hsien over een mislukte relatie. De vrouw (Shu Qi, die nog tweemaal in een film van Hou zou gaan spelen) zeurt en zeurt en drinkt en drinkt, de man is een hufter wiens interesse niet verder gaat dan dance en drugs en seks. Wat een hopeloos stel. De toevoeging van de voice over van de vrouw die tien jaar later terugkijkt voegt ditmaal wel iets toe en je snapt wat beter waarom ze maar niet van hem loskomt, oftewel: zij snapt zelf niet waarom ze niet van hem loskwam. Vanwege Shu Qi's schoonheid blijf je wel kijken.

Zeker sinds LA HAINE uit 1995 hebben we een idee hoe het is om in de banlieues van Parijs te moeten leven. Een kruitvat dat bij de geringste provocatie ontstoken kan worden. De gevolgen van armoede, uitsluiting, uitzichtloosheid, racisme, niet serieus genomen worden en repressie. Van verschillende kanten probeert men de zaak onder controle en de wijk rustig te houden: politie, drugsbende, de fundamentalistische broederschap, het seculiere bestuur. Binnen elk van deze krachten zitten goede mensen die vanuit hun perspectief het beste met de bevolking en de wijk voorhebben, maar ook mensen die slechts hun eigen belang voor ogen hebben of hun machtspositie willen etaleren. Dat is waar LES MISÉRABLES van Ladj Ly over gaat. De film speelt zich af in de buurt waar de regisseur is opgegroeid en waar Victor Hugo zijn roman situeerde, vandaar de titel, maar veel is er in anderhalve eeuw voor de bevolking niet veranderd. We volgen een politieagent die vers uit Cherbourg komt, denkt in redelijkheid zaken te kunnen oplossen maar niet gerekend heeft op hoe de machtsblokken op elkaar inspelen en al helemaal niet op de ongecon-troleerde en oncontroleerbare dynamiek van het miserabele volk.

 

THE MISFITS uit 1961 van John Huston gaat over het einde van een tijdperk, maar is ook het einde van Clark Gable en het einde van Marilyn Monroe (hier naast Montgomery Clift), in haar beste rol ooit, nota bene geschreven door haar man Arthur Miller, die hun scheiding ermee verwerkte. Miller was de enige van de mannen in Monroes leven die haar werkelijk respecteerde en van haar hield, als persoon en niet als beroemdheid. Geen film waar je vrolijk van wordt, integendeel. Maar wel een pijnlijk mooie.

 Tijdens het kijken van MISHIMA – A LIFE IN FOUR CHAPTERS (1985) van Paul Schrader, met Ken Ogata in de titelrol, kreeg ik erg veel zin om Mishima te gaan herlezen. Wat wil een regisseur meer wanneer hij een film maakt over een schrijver? De eerste keer dat ik de film zag (midden jaren tachtig) was voor mij de afsluiting van een periode intense Japan-interesse, zou deze 2e keer, in 2000, hernieuwde interesse inluiden?

O ja, MISHIMA is een fraai gestileerde, heel mooie, intense maar ook wat afstandelijke film, gemaakt in de geest van Yukio Mishima’s literatuur. Met muziek van Philip Glass.

Regisseur Ron Howard is geen bevlogen visionair filmmaker maar een degelijke vakman, die vrij constante Hollywoodkwaliteit aflevert. Soms bevalt dat me (A BEAUTIFUL MIND bv), soms vind ik het verschrikkelijk (THE DA VINCI CODE). Daartussenin maakte hij de western THE MISSING, met een thematiek die regelrecht aan THE SEARCHERS ontleend is. Met geweldige acteurs als Cate Blanchett en Tommy Lee Jones in de hoofdrollen en in vorm (en vlak Evan Rachel Wood niet uit) maakt Howard gewoon een goede film, niets minder maar ook niets meer. Het toevoegen van een verrassend element had de film boven zichzelf kunnen uittillen,nu weet je van te voren precies wie wie gaat vermoorden en wie overleeft. Ook een spannende soundtrack had de film meerwaarde kunnen geven maar het tegenovergestelde is het geval: James Horner produceert een clichématige diarree van kitsch die de film juist naar beneden trekt.

Moby-Dick van Herman Melville is een van de grote werken uit de wereldliteratuur. En terecht. Wie mijn boek De Lange Schaduw van een Geboorte heeft gelezen weet hoe die roman het laatste deel van mijn boek insluipt, het bijna overneemt. John Huston verfilmde het boek in 1956. In MOBY DICK verlaat Huston de rijke en ingewikkelde verhaalstructuur van het boek, maakt van verteller Ishmael een bijfiguur en concentreert zich op de kern van het verhaal: kapitein Ahab en diens obsessieve jacht op de grote witte walvis, waar alles voor moet wijken. Gregory Peck speelt hem op een beetje te plechtstatige manier en dat geeft de hele film een gedragen karakter, waarvoor overigens in het begin een briljante Orson Welles met zijn preek over Jonas en de Walvis de toon zet, wat in contrast komt te staan met de actiescènes, die behoorlijk spectaculair in beeld gebracht worden. De uitgebleekte kleuren van de film lijken op te vaak in te heet water gewassen kleren, maar dat kan ook aan de kopie liggen die ik heb, hoewel het wel past bij het rauwe leven van een walvisvaarder. De eerste keer dat ik de film zag vond ik er niet veel aan, maar bij elke keer kijken wordt ‘ie beter in mijn ogen.

Solitair opererende agent wil hoer inrekenen om via haar twee beruchte broers uit te schakelen, die behalve als pooier ook actief zijn in de drugs en wapens. Maar hij wordt verliefd op haar en zet alles, inclusief zijn carrière, op het spel om haar te redden. Een klassiek gevalletje van het redderssyndroom: de vrouw verliest haar eigen-waarde door mannen en kan het alleen terugkrijgen door een man. Van Alain Corneau, ook regisseur van TOUS LES MATINS DU MONDE en SÉRIE NOIRE, had ik een meer doordachte film verwacht dan LE MÔME. Ik moest denken aan LES INNOCENTS AUX MAINS SALES van Chabrol, ook een film waarin maar één vrouw meespeelt, tussen allemaal mannen die haar lot bepalen (zie aldaar). Chabrol gebruikt dat voor een aanval op de patriarchale samenleving, deze film is een bevestiging ervan. Wel moet gezegd worden dat in beide films de vrouw van buitengewone schoonheid is. Bij Chabrol Romy Schneider, in LE MÔME de verder totaal onbekende Ambre, die het grootste deel van de film in haar blootje rondloopt. Dat laatste onder-streept de seksistische toon van de film, hoewel ik moet toegeven dat ze een genot is om naar te kijken. Dat op de soundtrack alleen liedjes van Otis Redding te horen zijn is het andere pluspunt van de film.

 

De still van vandaag komt uit A MOMENT OF INNOCENCE (NUN VA GOLDOON) uit 1996 van de Iraanse filmmaker Mohsen Makhmalbaf. In zijn activistische tijd ten tijde van de Sjah pleegde Makhmalbaf als jongeling een aanslag op een agent. Met deze film probeert hij wat er toen gebeurde te reconstrueren en hij laat, typisch Iraans, met de echte mensen van toen de reconstructie naspelen. Waarheid, werkelijkheid & verbeelding vloeien in elkaar over in deze diep humanistische film.

Drie generaties vrouwen worstelen in MON CHER SUJET van Anne-Marie Miéville uit 1988 met het leven en de liefde. De scène van de oma met haar hoogbejaarde vader is mooi. De scène waarin de klassiek geschoolde kleindochter een lied repeteert met een leraar is verbluffend. Je ziet voornamelijk het gezicht van de leraar die luistert en haar af en toe corrigeert, maar het was enorm ontroerend. De rest van de film is grenzeloos gezeur.

Het onderwerp is serieus, namelijk de positie van de vrouw in het algemeen en in het interbellum in het bijzonder. Gelijkwaardigheid, gelijkheid. MeToo avant la lettre. De vorm waarin François Ozon MON CRIME (2023) heeft gestoken is echter die van een farce. Het kostte me dan ook moeite om in de film te komen, dat duurde zo’n drie kwartier. Madeleine (Nadia Terezkiewicz) is een jonge actrice, die in Parijs een appartementje deelt met haar beste vriendin Pauline, een advocaat (Rebecca Marder). Ze zijn niet succesvol en blut. Meteen nadat Madeleine aangerand is door een producent wordt deze producent vermoord aangetroffen. Madeleine is de hoofdverdachte, omdat de andere verdachte (Dany Boon) bevriend is met de onderzoeksrechter (Fabrice Luchini). Zij en haar advocaat Pauline zien geen andere uitweg dan de moord te bekennen. Ze handelde uit zelfbescherming en deed het juiste. De jury is het met haar eens en ze wordt vrijgesproken. Van de een op de andere dag is ze een beroemdheid, een heldin, een boegbeeld en dat legt haar geen windeieren. Ze krijgen een groot appartement, Pauline komt om in de zaken en Madeleine speelt de hoofdrol in een toneelstuk over haar eigen zaak. Maar dan verschijnt een oudere, ooit wereldberoemde actrice à la Sarah Bernhardt (Isabella Huppert), die kan bewijzen de producent te hebben vermoord en dreigt ermee in de openbaarheid te treden, zo Madeleines status en hele verdienmodel ondermijnend. Zoals gezegd, ik moest erg wennen aan dat overdreven acteerwerk en de kluchtige karakters, maar binnen wat Ozon met de film beoogde is hij aardig gelukt en ik kon op het laatst wel genieten van hoe hij de logica buigt, draait, op de kop zet. Maar het blijft een vrij lege farce.

In MON HOMME van Bertrand Blier is Marie (zijn toenmalige vriendin Anouk Grinberg) een hoer die plezier heeft in haar werk en andere vrouwen deelgenoot wil maken van de geneugtes van de prostitutie. Ze noemt het een roeping. Op een dag ontfermt ze zich over een zwerver (Gérard Lanvin), knapt hem op, maakt hem haar pooier en geeft hem al het geld dat ze verdient. De man kan niet omgaan met het geld en de luxe en de vrijheid, neemt er een nagel-styliste bij (Valeria Bruni-Tedeschi) van wie hij ook een hoer wil maken, maar zij is niet van het juiste hout gesneden. Als hij in de gevangenis belandt kiest Marie een man uit met wie ze een gezin sticht. De film laat zien hoe mannen en vrouwen afhankelijk van elkaar zijn, hoe onlosmakelijk verbonden, en hoe dat niet werkt maar iedereen ongelukkig maakt. Alleen de onafhankelijke, vrijgevige en warmbloedige Marie in het begin van de film is waarlijk een gelukkig mens. Maar hoe is dan haar rol als tevreden echtgenote en moeder van twee kinderen te plaatsen? Zoals in al zijn films reikt Blier van alles aan om je na te laten denken en laat hij genoeg losse eindjes over om tot afwijkende conclusies te komen. Op het laatst verontschuldigt de pooier zich aan alle vrouwen.

De Indiase film MONDO MEYER UPAKHYAN uit 2002 speelt zich af in een dorp op het platteland van Bengalen, waar over het algemeen kleine, persoonlijke films met een sociaal-maatschappelijke insteek worden gemaakt, dus diametraal het tegenovergestelde van de Bollywood-cinema. Deze film speelt zich af net voor de eerste maanlanding. Lati is een intelligent meisje van veertien dat het liefst van alles naar school wil, maar dat niet mag van haar moeder, die in een bordeel werkt. Volgens haar is de enige manier om aan dit troosteloos leven te ontsnappen een verbintenis aan te gaan met de rijkste man uit de omgeving, die wel getrouwd is, al opa zelfs, maar Lati maar al te graag in een apart huis als maîtresse wil houden. Ondanks het serieuze onderwerp en de feministische benadering heeft regisseur Buddhadev Dasgupta er een opvallend luchtige film van gemaakt, met humoristische passages over een taxichauffeur met een hart van goud, een oud echtpaar dat maar geen ziekenhuis kan vinden, een ezel die alles weet, een rode kat, en met oog voor het weidse landschap. En hoewel de kant van de vrouwen gekozen wordt zijn de prostituees niet alleen slachtoffer, maar ook levenslustige en assertieve vrouwen die graag roddelen over de klanten. En is die oude man niet alleen een vieze oude vent, maar filosofeert hij ook over het leven van insecten.

Een gevangenisbewaarder vertelt het verhaal van een gevangene, die hij uit zijn eigen dorp kent. Een amateurzanger die verliefd wordt op een schattig meisje, trouwt en een kind krijgt, maar vanaf dan gaat alles mis wat mis kan gaan. Dienstplicht, desertie, vernedering, uitbuiting, aanranding, moord, één moment van triomf, gevangen-schap, terwijl zijn vrouw thuis voor de baby zorgt. Toen ik twintig jaar geleden de Thaise film MON-RAK TRANSISTOR van Pen-ek Ratanaruang voor de eerste keer zag, op het IFFR, was ik niet laaiend enthousiast. Ik vond de film niet consistent, zie ik in mijn aanteke-ningen. Na de film opnieuw gezien te hebben moet ik mijn mening herzien. De film kent inderdaad wat zwakke plekken en dreigt op een gegeven moment saai te worden, wat slechts een reflectie is van het op dat moment saaie leven dat hij leidt, een leven dat zijn verwachtingen niet waarmaakt. Maar daarna komen de rampzalige gebeurtenissen in een stroomversnelling, terwijl de film zijn lome tempo aanhoudt. De eindscène is magnifiek, maar als geheel wordt de film gedragen door de uiterst charmante hoofdrolspeler en zijn bevallige vrouw, die indertijd de Thaise Gong Li genoemd is. Een groter compliment is nauwelijks denkbaar, maar deze Siriyakorn Pukkavesa zou geen filmcarrière krijgen (wel nog te zien in IRON PUSSY), itt tot hoofdrol-speler Suppakorn Kitsuwan (toen al bekend van TEARS OF THE BLACK TIGER, waar een fragment van te zien is). Ratanaruang zou hierna het nog betere LAST LIFE IN THE UNIVERSE maken.

Saori (Ando Sakura) is alleenstaande moeder van zoon Minato (Kurokawa Soya). Hij is een jaar of twaalf. Ze gaat vreemd gedrag bij hem constateren en komt erachter dat zijn leraar Hori (Nagayama Eita) er iets mee te maken heeft en ze gaat verhaal halen op school. Daar stuit ze op een ondoordringbare muur van excuses en om de hete brij heen draaien. Ze wordt er niets wijzer en raakt nog gefrustreerder. Dan gaat het perspectief over op Hori, en daarna op de directrice van de school, om tenslotte terecht te komen bij wat de kern van de zaak is: Minato’s vriendschap met het pispaaltje van school, Yori, die volgens zijn alcoholistische vader een varkensbrein heeft. Yori is een jongen die zich vrij en onconventioneel gedraagt. Om niet zelf het doel van de pesterijen te worden houdt Minato zijn innige vriendschap met Yori geheim en zo vallen de onbegrijpelijke puzzelstukjes waar Saori en Hori en de directrice op stuitten op hun plek. Door de gekozen structuur om het verhaal vanuit vier achtereenvolgende verschillende perspectieven te belichten komt MONSTER (KAIBUTSU) uit 2023 van Kore-Eda Hirokazu wat moeizaam op gang en bereikt pas grote hoogtes in het tweede uur. Want grote hoogtes, iets minder verwacht ik niet van Kore-Eda, toch een van de meest relevante en interessante regisseurs van deze eeuw. Dat laatste uur concentreert hij zich op de vriendschap tussen Minato en Yori en is Kore-Eda op zijn adembenemende best.

LA MORT EN CE JARDIN uit 1956 komt uit de Mexicaanse periode van Spanjaard Luis Buñuel maar heeft al een stevige Franse inbreng. Ergens in Zuid-Amerika komen mijnwerkers in opstand tegen het leger, omdat het regime de mijnen nationaliseert en hun dus werk en vrijheid ontneemt. In de bloedige chaos weten een paar mensen te ontsnappen in een boot: de kapitein neemt hen mee in de richting van Brazilië maar wil liever de twee aanwezigen op wier hoofd een prijs staat verraden aan het leger. Dat zijn de kastelein/ mijnwerker Castin (Charles Vanel) en de bankrover/ avonturier Shark (Georges Marchal). Verder zitten op de boot de hypocriete priester Lizardi (Michel Piccoli), de hoer Djin die slechts in geldelijk gewin denkt (Simone Signoret) en Maria, de onschuldige, doofstomme dochter van Castin (Michèle Girardon). Ze komen terecht in de jungle. Hitte, regen, geen voedsel. Iedereen begint door te draaien en laat zijn ware aard zien. LA MORT EN CE JARDIN is een doorsnee avonturenfilm waarin Buñuel wel zijn preoccupaties laat doorklinken: zijn haat tegen het Spaanse Franco-regime, het kapitalisme en de katholieke kerk, en zijn sympathie voor de vrije geest. In de keuze welke twee de tocht door het oerwoud overleven laat Buñuel zien waar hij staat.

 

Deze still plaatste ik toen ik las dat op 25 maart 2021 Bertrand Tavernier was overleden, regisseur van grandioze films als COUP DE TORCHON, 'ROUND MIDNIGHT, LE JUGE ET L'ASSASSIN en vele andere. Hier samen met Harvey Keitel en Romy Schneider tijdens de opnames van LA MORT EN DIRECT aka DEATH WATCH.

 

Ergens begin jaren 80 was ik bij iemand op bezoek in Utrecht. We gingen naar de nachtfilm in Springhaver. MORTE À VENEZIA van Luchino Visconti. Ik had de film al op tv gezien (en was en passant fan van Mahler geworden) en wilde hem op het grote scherm zien. Terwijl ik met open ogen en mond zat te kijken naar het esthetisch-tragische verhaal met die prachtige muziek en na afloop met een brok in de keel en tranen in de ogen opzij keek, bleek mijn gezelschap te slapen. Het grootste deel van de film geslapen te hebben, want hij was “zo saai en traag”.

Dat krijg je als je een brugklasser het scenario laat schrijven. Het overkoepelende verhaal is duidelijk maar de scènes missen samen-hang en logica. Het is meestal niet duidelijk hoe die persoon juist op die plek terecht is gekomen. Ja, laten we een scène doen in een achtbaan waarbij de “helden” en het onschuldige kind beschoten worden. Lekker spectaculair. Waarom de boef ook juist daar is wordt niet duidelijk en waarom hij juist gaat schieten vanuit een karretje naar anderen in een karretje die beide met een rotvaart over de achtbaan racen terwijl het veel logischer is te wachten totdat het nietsvermoedende slachtoffer is uitgestapt en een makkelijk doelwit vormt, daar heeft niemand over nagedacht. En zo gaat dat met vrijwel alle scènes. En die humor, had ik dat niet al bij Peppi en Kokki gezien? Al met al is MORTE SOSPETTO DI UNA MINORENNE aka MILANO VIOLENTA uit 1975 van Sergio Martino en met Mel Ferrer alleen aan te bevelen als hersenloos tijdverdrijf en zelfs in die categorie heb ik wel betere tips.

Beauvoir aka L’Oeil (Michel Serrault) werkt bij een privédetectivebureau en krijgt de opdracht een oplichter te volgen. Deze wordt echter meteen vermoord door een bloedmooie vrouw (Isabelle Adjani) die er met het geld vandoor gaat, door Europa reist en overal rijke mannen, na hen beroofd te hebben, vermoordt. En een vrouw. Telkens onder een andere naam en met een andere pruik op. L’Oeil achtervolgt haar, observeert haar en haar (mis)daden, en gaat meer en meer geloven dat zij zijn dochter is, die hij alleen van een schoolfoto van lang geleden kent. Het komt zelfs zover dat hij haar gaat beschermen. In zijn innerlijke monoloog, die hij vaak hardop uitspreekt, wat omstanders menigmaal verwart, richt hij zich direct tot zijn dochter. MORTELLE RANDONNÉE van Claude Miller uit 1983 is een film noirachtige tongue-in-cheek thriller die tegelijkertijd de obsessie van een vader die zijn dochter mist en contact met haar wil invoelbaar maakt en een sterk gevoel van melancholie oproept. Naast het uitstekende spel van Serrault en Adjani zien we ook Guy Marchand, een extra lelijk gemaakte Stéphane Audran, Jean-Claude Brialy, Macha Méril, Catherine Frot en Sami Frey.

Ik hoorde laatst iets over super ageing en als voorbeeld werd Jennifer Lopez genoemd. In de film THE MOTHER van Niki Caro zien we het voor onze ogen. Het eerste kwartier speelt zich twaalf jaar eerder af maar er is bij J.Lo geen verschil te zien tussen de twee periodes. Ze speelt een ex-militair die zich na haar tijd in Afghanistan ingelaten heeft met twee gevaarlijke wapenhandelaars maar als ze ontdekt dat ze zich ook met mensenhandel bezighouden en ze ook nog eens zwanger blijkt te zijn, meldt ze zich bij de FBI. Uit veiligheidsredenen staat ze haar kind af. Twaalf jaar later willen haar voormalige partners via haar dochter alsnog wraak nemen. Ik moet zeggen dat ik steeds minder plezier beleef aan dit soort actiefilms. Kon ik er vroeger nog wel van genieten als hersenloos vermaak, het kost me steeds meer moeite. Ik heb het allemaal al zo vaak gezien en het laat slechts leegte achter. Gelukkig concentreert het tweede deel van de film zich op de zich ontwikkelende relatie tussen de moeder en de dochter en zijn er minder achtervolgingen, gevechten en schietpartijen. In het genre geen verkeerde film en J.Lo staat als vijftig plusser nog steeds haar, ahum, mannetje en ze is nog steeds een heel redelijke actrice en supermooi, en dat kennelijk zonder cosmetische ingrepen. Verder met Omari Hardwick, Joseph Fiennes en Gael Garcia Bernal.

In mijn herinnering was LE MOUTON ENRAGÉ een grimmige film, maar het blijkt bij herzien een komedie te zijn. Een heel cynische komedie, dat dan weer wel. Gemankeerd en verbitterd schrijver Jean-Pierre Cassel stippelt voor de schuchtere bankbediende Jean-Louis Trintignant een route uit om succes te hebben bij vrouwen en op de maatschappelijke ladder. Een van de weinige films waarin Romy Schneider meespeelt en ze niet de show steelt. Zelfs MADO, waarin ze maar twee scènes heeft, gaat uiteindelijk niet om het titelpersonage Mado maar om de alcoholistische Hélène, gespeeld door Romy. Hier speelt ze de verveelde vrouw van een filosoof. De vrouw waar deze film om draait is de levenslustige Jane Birkin die als het ware van het scherm spat! De andere keer dat ze samen in een film zaten, LA PISCINE, was Romy mooier dan ooit, in deze film geldt dat voor Jane.

 

Ik heb grote Oscarwinnaar EVERYTHING EVERYWHERE ALL AT ONCE (nog) niet gezien, maar ik moest als ik erover las vaak denken aan MR. NOBODY van de Belgische regisseur Jaco van Dormael, dus de dvd maar eens uit de kast gehaald. MR. NOBODY is een ingenieus geconstrueerde film over toeval, keuze, kwantumfysica, relativiteit en taoïsme, maar verliest nergens de menselijke maat uit het oog en houdt er een gezond gevoel voor humor en sarcasme op na. Daarbij ontroert de film als geheel en op scèneniveau vaak diep. De verschillende versies van Nemo’s leven, de verhaallijnen grijpen in elkaar, passen naast elkaar en passen in elkaar. En let op voor het fragment uit Bollywoodmeesterwerk MUGHAL-E-AZAM, waarover ik onlangs nog schreef (zie hier direct onder). Tel daarbij op de sublieme vormgeving en het zonder uitzondering uitstekende acteerwerk van onder anderen Jared Leto, Diane Kruger, Sarah Polley, Linh-Dan Pham, Natasha Little en Rhys Ifans, met speciale vermelding van de briljante Juno Temple als adolescente versie van Kruger, en je hebt een van de beste films die tot nu toe deze eeuw het licht hebben gezien. Elsenaar Van Dormael maakt niet veel films, maar de films die hij maakt, behalve deze ook nog TOTO LE HÉROS, LE HUITIÈME JOUR, LE TOUT NOUVEAU TESTAMENT, zijn parels.

MUGHAL-E-AZAM is een groots India’s historisch epos dat zich afspeelt tijdens de hoogtijdagen van het Mogol Rijk rond 1600. Centraal staat het conflict tussen Akbar, degene die het rijk stabiliteit, rijkdom, sociale hervormingen bracht en zeer tolerant stond tegenover het hindoeïsme, en zijn zoon en troonopvolger Salim, die tegen alle protocol in verliefd wordt op een hofdanseres en die liefde niet wil opgeven. Dilip Kumar speelt Salim en Madhubala speelt zijn geliefde Anarkali. Beiden behoorden destijds tot de absolute top van Bollywood en hadden, pikant gegeven, zelf hun liefdesrelatie nog maar pas beëindigd. De film, met de legendarische zangeres Lata Mangeshkar, komt oorspronkelijk uit 1960 en was grotendeels in zwart-wit, hoewel regisseur K. Asif hem eigenlijk helemaal in kleur had willen maken. In de bioscoop zag ik de kortere, nog steeds ruim 3 uur durende versie uit 2005, nadat de zwartwit gedeeltes met de computer ingekleurd waren en de film met veel bombarie opnieuw uitgebracht was. Inkleuren is normaal een dubieuze bewerking maar in dit geval totaal gerechtvaardigd. Zelfs de artificiële computer-kleuren passen bij deze weergaloze, compleet overdadige en oververzadigde beeldenpracht. Werkelijk adembenemend. En ja, het epische verhaal met de onmogelijke tragische liefde en de muziek zijn ook overweldigend. Wat een genot.

Na jaren zoeken vond ik de dvd, import uit India, voor een schijntje. Schijf 2 bevat alleen maar Hindi gesproken, niet ondertitelde items en ik wou dat ze die 2e dvd gebruikt hadden om de film in twee te knippen zodat een hogere resolutie gebruikt kon worden, want de beeldkwaliteit van de transfer laat nogal te wensen over en dat is eeuwig zonde bij zo’n visueel overweldigend spektakel. Overigens zou de zoon van Salim de Taj Mahal (laten) bouwen.

In de Chileense Oscarwinnende film UNA MUJER FANTASTICA gaat de geliefde van Marina plotseling dood. Ruimte om te rouwen is er niet want ze krijgt meteen al te maken met grove beledigingen, intimidatie, haat en vernederingen, van zijn familie en van de politie, alleen maar omdat ze een transvrouw is. Ze ondergaat alles gelaten, op 1 moment na (en dan krijgt ze ook wat ze eist). De film is een opeenstapeling van wat transmensen in de maatschappij te verduren krijgen en daardoor wat één-dimensionaal, met als (binnen de context) tenenkrommend dieptepunt het liedje Natural Woman door Aretha Franklin, maar hoofdrolspeelster Daniela Vega speelt haar rol doorleefd en zeer overtuigend (waarbij ze mogelijk put uit eigen ervaringen), en ze heeft een fantastische stem, waarmee ze zowel bij zwoele latin muziek als bij het klassieke repertoire uit de voeten kan.

Een tijd geleden zag ik een documentaire die overtuigend aantoonde dat vrijwel alle films van David Lynch in meer of mindere mate refereren aan THE WIZARD OF OZ, met uitzondering van zijn a-typische films THE ELEPHANT MAN, DUNE en THE STRAIGHT STORY. Dat was voor mij aanleiding om MULHOLLAND DR., de film die volgens de docu het sterkst door die klassieker beïnvloed is, weer eens te kijken. Zelfs nu ik het weet zie ik het niet, terwijl die docu toch zo doortimmerd leek, want de overeenkomst dat beide films een parallel universum presenteren ligt te voor de hand. Eigenlijk past Lynch hier een psychologische truc toe, waardoor de kijker na afloop in verwarring achterblijft. Hij neemt ons een uur en drie kwartier mee in de wereld van de naïeve aankomend actrice Betty (Naomi Watts), de aan geheugenverlies lijdende Rita (Laura Harring), die aan misdadigers is ontsnapt en met een handtas vol geld en een mysterieuze sleutel rondloopt, en de door de studiobonzen gepiepelde filmregisseur Adam (Justin Theroux, gezien de ervaringen van Lynch zelf in die tijd waarschijnlijk zijn alter ego), dat we, ondanks de bizarre, absurde, angstaanjagende personages die verder de revue passeren, die wereld voor de werkelijke houden, en we raken in de war als in de laatste drie kwartier personages opeens van naam zijn gewisseld, of een andere rol aannemen. We kunnen gezien de eerdere investering eenvoudig niet aanvaarden dat alles wat we gezien hebben niet de aan ons gepresenteerde werkelijkheid is maar een droom van een levende Diane Selwyn (opnieuw Naomi Watts) en juist het laatste deel de (haar) realiteit. De aanwijzingen liggen in de overgang: Rita opent met die sleutel een doosje, we zien de dode Diane Selwyn (Lyssie Powell) op bed liggen, de Cowboy verschijnt en zegt: “Time to wake up.” Dat is althans mijn interpretatie nu en ligt opeens zo voor de hand. Overigens, de Spaanstalige uitvoering van Roy Orbisons Cryin’ door Rebekah del Rio is misschien wel het hoogtepunt van deze unheimische, beklemmende en meeslepende film.

De Thaise film MUNDANE HISTORY (JAO NOK KRAJOK) van Anocha Suwichakornpong, winnaar van een VPRO Tiger Award op het Filmfestival Rotterdam 2010, vertelt het verhaal van de jongeman Ake, wiens benen verlamd zijn geraakt door een ongeluk, en zijn verpleger/ verzorger Pun. Ake is somber en bitter en de verhouding met zijn vader is koud en afstandelijk, en dat geldt ook voor het personeel in huis. Doordat Pun zich consciëntieus aan zijn taak wijdt ontdooit Ake wel langzaam tegenover Pun. De film is precies zoals de titel zegt een alledaags verhaal en concentreert zich op de alledaagse handelingen. Doordat de vertelling niet chronologisch is wordt gesuggereerd dat we de gebeurtenissen zien vanuit Ake’s perspectief. Halverwege verandert echter de toon en wordt de hele kosmos in het verhaal getrokken. Alsof de maakster wil zeggen dat ook de dood van sterren slechts een alledaags verhaal is. Op het einde zien we de geboorte van een baby via een keizersnee: het leven is cyclisch. We ontkomen er niet aan en zullen de cycli moeten ondergaan, ook als we pech hebben, slecht karma, en geconfronteerd worden met de beperkingen en hindernissen die dat met zich meebrengt. Dat maakt de film niet defaitistisch, integendeel: kosmisch gezien stelt het misschien allemaal niets voor, maar juist de alledaagse, kleine handelingen zijn van essentieel belang. Voor goed karma, zo je wil.

Wat Wisit Sasanatieng in TEARS OF THE BLACK TIGER deed met de western, doet hij in zijn nieuwe (netflix)film THE MURDERER met het moordmysterie, opgezet als een slasher en gestructureerd als RASHOMON. Ergens op het platteland van Isaan, het arme noordoosten van Thailand, komt dochter Sai vanuit Bangkok thuis met een Britse expat, terwijl de ex van haar broer thuis komt met een Amerikaan, die naar Thailand gegaan is voor de seks en de drugs. Het draait allemaal om de voogdij van een meisje van een jaar of acht, dat leeft bij haar ondankbare grootouders. De vader, Sai’s broer, is een lapzwans, de moeder, type barmeisje in Pattaya, wil hem zelf, maar het meisje zelf is erg gesteld op Sai. Die nacht nog worden 7 van hen vermoord en is de Brit meteen de hoofdverdachte. Aan de hand van de verhoren van de commissaris wordt langzaam duidelijk wat er die nacht gebeurd is, maar voor de commissaris staat al bij voorbaat vast dat de Brit de moordenaar is. Ik heb meermaals met mensen uit Isaan gesproken, dus ik weet dat ze door mensen uit Bangkok niet serieus genomen en gediscrimineerd worden, en dergelijke vooroordelen buit Sasanatieng maximaal uit. Alles is totaal over the top, de xenofobie, de domheid, het acteren. Als uiteindelijk duidelijk is hoe het allemaal gegaan is, komt er “nieuw bewijs”, waardoor alles in een ander perspectief komt te staan en dan komt er nog een plottwist die er voor een ervaren kijker al vanaf het begin in zat maar toch verrassend is. De film is bot en plat, bevestigt alle vooroordelen, vergroot clichés tot op billboardformaat, is bizar, de hyperbool van een hyperbool, en erg grappig.

Op 26 oktober 1881 vond bij de O.K. Corral in Tombstone een vuurgevecht plaats dat misschien wel vaker dan elke andere historische gebeurtenis verfilmd is, dus voor mij aanleiding om op deze dag 144 jaar later er eentje van uit de kast te pakken. Zoals de titel al aangeeft is in MY DARLING CLEMENTINE van John Ford uit 1946 dit vuurgevecht eigenlijk maar een bijproduct van waar de film over gaat, hoewel juist deze scène, de opbouw ervan, in totale stilte, het superspannende hoogtepunt van de film is. De film is allesbehalve een historisch verslag, hoe kan het ook, Ford is de regisseur die juist de mythische western tot de allergrootste hoogte heeft gestoten, en deze Clementine uit de titel, vertolkt door Cathy Downs, is een fictief personage, al schijnt Wyatt Earps vrouw Sadie er losjes model voor te hebben gestaan. Wyatt Earp (Henry Fonda) en zijn broers hebben nog maar nauwelijks een voet gezet in Tombstone of hij wordt marshal en ze komen te staan tegenover de oude Clanton (Walter Brennan, nu niet eens als de grappige sidekick met het geweten) en zijn zoons, veehouders, veedieven en moordenaars. Ook ontstaat er een machtsstrijd met de verslaafde en aan tbc lijdende Doc Holliday (Victor Mature in de rol van zijn leven), die tot dan min of meer bepaalde wat er in het stadje gebeurde, maar die is meer amicaal. Docs relatie met de vurige Chihuahua (Linda Darnell) komt onder druk te staan als de nette Clementine uit Boston komt, omdat ze meent dat haar relatie met Doc serieus was. Doc poeiert haar af en sommeert haar Tombstone te verlaten, maar Wyatt heeft nu een oogje op haar en haalt haar over om te blijven. MY DARLING CLEMENTINE was en is nog steeds een van de beste westerns ooit gemaakt, waarin alles tot in detail klopt, die zorgvuldig is opgebouwd en met over de hele linie uitstekende acteerprestaties.

De filmstill van vandaag komt uit MY LIFE WITHOUT ME uit 2003 van Isabel Coixet en met Sarah Polley, Mark Ruffalo en Debbie Harry. Jonge vrouw weet dat ze binnenkort gaat sterven en vertelt dat aan niemand, zelfs niet aan man en kinderen. Ze stelt een lijst samen met alles wat ze nog wil doen, zoals voor elke verjaardag van de kinderen een berichtje inspreken, seks hebben met een andere man en een geschikte vrouw voor haar man zoeken. Klinkt cheesy maar is het absoluut niet. Dat heeft alles te maken met de altijd al grandioze maar zichzelf nu overtreffende Sarah Polley, die heel ingetogen speelt en sentimentaliteit geen kans geeft. Dat wil niet zeggen dat je niet emotioneel geradbraakt uit de film komt.

Ergens tijdens mijn puberjaren zag ik in de Panorama een artikel over een Roemeens-Franse fotografe die haar dochter al als kind in erotische poses en naakt fotografeerde en er in Franse kunstkringen veel succes mee oogstte. Het blad sprak er schande van maar publiceerde de foto’s wel. Het ging natuurlijk om Irina Ionesco en haar dochter Eva. Met MY LITTLE PRINCESS uit 2011 verfilmt Eva Ionesco haar eigen jeugd en haar relatie tot haar moeder, na een lange carrière voornamelijk bijrollen in films te hebben gespeeld, o.a. in LE LOCATAIRE, L’APPARTEMENT, ADIEU, PLANCHER DES VACHES! en een aflevering van Maigret met Bruno Cremer (ik beperk me tot de films die in mijn eigen ‘catalogus’ staan).

De elf-jarige Eva (ze heet in de film Violetta en wordt gespeeld door Anamaria Vartolomei) snakt naar contact met haar moeder, die als ongetalenteerde en onsuccesvolle schilderes een bohemien-leven leidt in Parijs, en haar dochter gedumpt heeft bij haar oma. Als Irina (hier Hana geheten en gespeeld door Isabelle Huppert) de fotocamera ontdekt gaat ze vrouwen fotograferen en kiest al snel Violetta als haar voornaamste model. Violetta wil maar al te graag, zo kan ze veel tijd met haar moeder doorbrengen, en ze blijkt talent te hebben, de poses gaan haar heel gemakkelijk af. Naar school gaat ze zich uitdagend kleden, wat haar op de nodige pesterijen komt te staan. Ook komen de andere kinderen te weten dat ze naakt poseert en dat maakt haar onderwerp van spot. De relatie met haar moeder wordt almaar moeilijker, door haar wispelturige, egocentrische en diva-achtige gedrag (hoewel Violetta er zelf ook wat van kan, ze heeft immers geleerd van de beste). De situatie wordt onhoudbaar als oma doodgaat, Violetta weigert nog naakt te poseren, zeker niet op schoot bij volwassen mannen, en de kinderbescherming zich ermee gaat bemoeien.

Ik denk niet dat Eva Ionesco de juiste persoon was om haar eigen verhaal te verfilmen. Ze houdt teveel afstand, observeert en laat de kijker buiten het verhaal. Om zichzelf te beschermen natuurlijk, maar daardoor blijft de film te zeer op afstand en ga je nauwelijks meevoelen, ondanks het tenhemelschreiende onderwerp en het uitstekende spel van Huppert en Vartolomei. Een regisseur met meer afstand zou, paradoxaal genoeg, waarschijnlijk dichterbij het onderwerp hebben durven komen. Dat de oorspronkelijke titel I’M NOT A F**KING PRINCESS officieel veranderd is in MY LITTLE PRINCESS spreekt boekdelen.

Uit angst voor wraak van de vrouw die hij verkrachtte vlucht Johnny (een briljante David Thewlis) van Manchester naar Londen, om zijn vroegere vriendin Louise (Lesley Sharpe) te bezoeken. Vanwege zijn onmogelijke gedrag, eerst neukt hij haar borderline kamergenoot Sophie (Katrin Cartlidge), dan bombardeert hij iedereen met vragen en opmerkingen en tirades, waarbij zijn meedogenloze scherpe tong zowel zijn belezenheid, zijn intelligentie als zijn wrede wraakzucht verraadt, zet Louise hem het huis uit en gaat hij op een odyssee door nachtelijk ijskoud Londen om iedereen die hij tegenkomt met verbale middelen het leven zuur te maken. Trouwens, iedereen in de film is op de een of andere manier gestoord (behalve de empathische Louise), van simpelweg neurotisch (Sandra, de andere huisgenoot, gespeeld door Claire Skinner) tot ronduit psychopathisch (Jeremy, Greg Cruttwell). Omdat Johnny geen nihilist is maar een gemankeerde idealist met een masker op (zelfbescherming?) treft hij vaak de roos met zijn tirades, die gaan van het Bijbelboek Openbaringen, via de Griekse klassieken en Schopenhauer tot aan ronduit grove en persoonlijke beledigingen. NAKED van Mike Leigh is een gitzwarte komedie waarbij het lachen je af en toe vergaat maar die blijft fascineren. Omdat de film uit 1993 is kijkt hij eerder terug op de cynische jaren tachtig dan vooruit naar de feestelijke jaren negentig. Het einde van een tijdperk, maar Johnny heeft zijn les niet geleerd, hoe hard en gewelddadig hij ook met de neus op de feiten gedrukt wordt. Zijn masker is te ondoordringbaar geworden.

Woody (Bruce Dern) is een oude chagrijnige man met een alcoholprobleem (“Wat moet je hier anders?” legt vroegere vriendin Peg Nagy (Angela McEwan) later in de film uit) die ervan overtuigd is dat hij een winnend lot van een miljoen dollar in handen heeft, dat hij wil verzilveren. Hij wil daarom vanuit Billings, Montana, naar Lincoln, Nebraska, om de prijs op te halen, zo'n vijftienhonderd kilometer, te voet omdat iedereen weet dat het nep is, hij niet meer mag rijden en niemand hem wil brengen. Omdat zijn vrouw Kate (June Squibb) helemaal gek van hem wordt neemt zoon David (Will Forte) hem mee en rijden ze samen naar Lincoln. Omdat ze onderweg Hawthorne passeren, waar ze vandaan komen en waar Woody’s broer nog woont, doen ze het stadje aan en wordt een familiereünie georganiseerd. Ook Kate en Davids broer Ross (Bob Odenkirk) gaan erheen. Ze ontmoeten allerlei mensen van vroeger, onder wie zijn oude zakenpartner Ed Pegram (Stacey Keach), met wie hij indertijd gebrouilleerd is geraakt, en terecht ontdekt nu ook David. NEBRASKA van Alexander Payne uit 2013 is een tragikomische roadmovie, waarin David veel meer te weten komt over zijn ouders dan een kind ooit over zijn ouders wil weten, met uitstekend spel van vooral Dern en Squibb, en in prachtig zwartwit de weidse landschappen van het midwesten, een treurige regio vol achterlijk volk, en je snapt goed waarom Trump president van dat land is. Mijn god, je zult er maar opgroeien, en wonen. Al verpakt hij het in humor, in alles merk je dat Payne er net zo over denkt, hoewel hij wel met sympathie kijkt naar Woody en David. En naar Peg Nagy. En, al is het met sardonisch plezier, naar Kate.

NEW DRAGON GATE INN uit 1992 van Li Hui Min (maar feitelijk van Tsui Hark) is meer een variant op DRAGON INN (zie aldaar), de martial arts klassieker uit 1966 van King Hu, dan een remake. Ook deze keer is de centrale locatie een herberg in het midden van een woestijn. De kwaadaardige regering heeft twee kinderen ontvoerd en gebruikt deze als lokaas en leidt hen door de woestijn in de verwachting dat rebellen hen zullen proberen te bevrijden, zodat al het verzet kan worden uitgeschakeld. Helaas zijn die paar rebellen veel sterker dan het grote leger dat zich schuilhoudt, klaar om toe te slaan. Het spoor van de rebellen leidt naar een herberg, waar een kleine afvaardiging van de regering als koopmannen hun intrek nemen. Ook in deze film is de aanvoerder van de rebellen een vrouw, gespeeld door superster Brigitte Lin, die overigens veel lijkt op Polly Ling-Fen Shang-Kuan, de hoofdrolspeelster van het origineel. Ze wordt bijgestaan door Tony Ka Fai Leung (aka Big Tony, om hem te onderscheiden van de andere, bij ons veel bekendere Little Tony, Tony Leung Chiu-wai). Donnie Yen is tegenstander Tsao Siu Yan, de machtswellustige eunuch. De show wordt echter gestolen door Maggie Cheung (foto) die op een over the top verleidelijke en verrukkelijke manier de opportunistische herbergier speelt en zelfs Brigitte Lin overschaduwt. De film kan samengevat worden met de slogan: Zwaartekracht, wat is dat? Of ook met: Vier tegen honderd? Geen probleem! O, jawel, toch, want eentje blijft over, Tsao Siu Yan, en die beschikt over fenomenale bijna buitenaardse martial arts technieken, zoals een pijl de bocht om schieten. Maar dan is er niet gerekend op de kok uit de herberg en zijn vaardigheden met het hakmes. De zwaardgevechten zijn uiterst en onnavolgbaar spectaculair, de film is erg grappig en Brigitte Lin en Maggie Cheung, allebei ook vaak te zien in films van Wong Kar-wai, houden een bijzonder mooi gechoreografeerd sexy gevecht om elkaars kleren. Voor degene die van dit soort films houdt schieten alle superlatieven tekort.

NEWS OF THE WORLD ligt thematisch in het verlengde van THE SEARCHERS. Maar met Tom Hanks in de hoofdrol weet je dat je een degelijke maar veilige film te wachten staat, ook al speelt het verhaal zich af in Texas net na de Burgeroorlog, toch bepaald geen veilige periode. Een enkele spannende scène (de mannen die het kind willen kopen en geen genoegen nemen met ‘nee’), een enkele ontroerende scène (als de indianen hun een paard geven), door de hele film heen een leuke interactie tussen de oude man (uiterst subtiel gespeeld door Hanks) en het meisje (een uitstekende Helena Zengel), mooie land-schappen zoals het een western betaamt en een bevredigend einde. Van Paul Greengrass, regisseur van o.a. BLOODY SUNDAY en enkele Jason Bourne-films, zou je een film met meer durf en pit verwachten.

Met de fatalistische sombere woorden die al meteen bij het begin door George Loomis (Joseph Cotton) worden uitgesproken is de toon van NIAGARA (1953) van Henry Hathaway onherroepelijk gezet. We komen er gaandeweg achter dat hij een met psychische problemen teruggekeerde soldaat uit Korea is. Hij heeft een hutje gehuurd met uitzicht op de Niagara watervallen, samen met zijn vrouw, de flirterige Rose (Marilyn Monroe), met de bedoeling dat hij er wat zou opknappen. Rose heeft echter meer dan genoeg van zijn gedrag, de somberheid en de woede-uitbarstingen, en heeft zijn moord gepland, die uitgevoerd moet gaan worden door haar minnaar (Richard Allan). Intussen is een nieuw paartje gearriveerd in het vakantiepark, Polly (Jean Peters) en Ray (Casey Adams) Cutler, op een verlate huwelijksreis en omdat hij een prijs op werk heeft gewonnen en de grote baas mag ontmoeten, want het hoofdkantoor bevindt zich ook daar. George vindt een luisterend oor bij de empathische Polly, maar of hiermee het noodlot gekeerd kan worden? NIAGARA is een film noir in technicolor, kent een prima script (van Charles Bracket), goed spel van de drie hoofdpersonages Cotton, Monroe en Peters, en is zeker spannend, vooral omdat je niet weet welk pad de film precies gaat volgen. De Niagara watervallen zijn een uitstekende locatie, als achtergrond en er midden tussen, overdonderend mooi natuurgeweld dat, al wordt het geprobeerd, niet door mensenhand getemd kan worden en in een handomdraai een bedreiging kan gaan vormen. Hetzelfde kan gezegd worden over Rose, en de film trekt dan ook die parallel. Uiteindelijk kan George de ene bedwingen, de andere echter niet.

Casey Adams (aka Max Showalter) acteert als een kind en dat is erg irritant, gênant zelfs, vooral omdat je aanvoelt dat Adams niet tot veel beter in staat is, en zijn baas Kettering (Don Wilson) maakt er met zijn overdreven joviale gedrag helemaal een potje van. Zonder deze twee, die ongetwijfeld in de film zitten om wat lucht toe te voegen maar de kijker telkens ergeren en uit de film trekken, was NIAGARA een erg goede film geweest.

Ik moet toch eens ophouden met gedachteloos films te selecteren op grond van, ja, op grond waarvan eigenlijk? Als ik had geweten waar het over ging, een groepje jonge mensen in een huisje in the middle of nowhere, zonder stroom en zonder bereik, tja, dat weet je het toch al. Dat onderweg ook nog een zich vreemd gedragend paartje meegenomen wordt kan er ook nog wel bij. De plottwist op het einde als poging er nog een onverwachte draai aan te geven, toe maar. Nee, NIGHT OF THE SKINWALKERS (2024) is alleen te verdragen vanwege de Nederlandse ondertitels, waarin ‘episodes’ als het om epilepsie gaat vertaald wordt met ‘afleveringen’, ‘an actress in indies movies’ een actrice blijkt te zijn in Indische films en als een jongen in een seksuele context zegt ‘it’s getting harder’ de ondertitels zeggen dat ‘het moeilijker wordt’. Ja, dat is wel hilarisch, want de film zit er vol mee.

In het gigantische oeuvre van regisseur John Huston zitten best wel wat zwakkere broeders, maar heel veel films van hem behoren tot het beste wat de cinema te bieden heeft. Te veel om op te noemen, zelfs. THE NIGHT OF THE IGUANA is er een van. Existentiële crises alom. De uit het ambt gezette priester Richard Burton gaat dat te lijf met zwaar drinken, lolita Sue Lyon met promiscue gedrag, hotel-eigenaar Ava Gardner met cynische losbandigheid en de platzakke intens eenzame schilder Deborah Kerr door haar dichtende opa rond te zeulen. Gebaseerd op een stuk van Tennessee Williams gaat de film loodrecht de diepte in, met als hoogtepunt het gesprek dat Burton en Kerr laat in de film hebben. O ja, met sublieme acteerprestaties alom, mogelijk gemaakt door gigant Huston.

Anthony Mann maakte in de jaren 50 vijf westerns met James Stewart die tot de hoogtepunten van het genre gerekend worden. Het zouden er eigenlijk zes zijn, maar Mann trok zich terug uit NIGHT PASSAGE, omdat hij het script niet goed vond en hij Audie Murphy te jong achtte om James Stewarts broer te spelen. Na 8 films samen raakten Mann en Stewart gebrouilleerd en ze zouden nooit meer een film samen maken. De regie kwam nu in handen van James Neilson, die vooral voor tv werkte. Deze film sluit perfect aan bij de andere vijf. Het gaat over twee broers, een goede (Stewart, gedesillusioneerd als in alle Mann-westerns) en een slechte (Audie Murphy, die vol voor de ironie gaat) en verder met Dan Duryea, Brandon De Wilde, die het jochie speelde in SHANE, Dianne Foster en Elaine Stewart. Een meer dan uitstekende film voor een regenachtige wintermiddag, met een einde dat niet onberoerd laat.

Eindelijk zag ik NO TIME TO DIE, de laatste Bondfilm met Daniel Craig. Natuurlijk moet Bond weer de wereld redden van een megalomane psychopathische slechterik, en ook deze keer lukt het, al is de prijs ditmaal hoger dan ooit. Natuurlijk ziet de film er geweldig uit, is er actie en humor en is het vrouwelijk schoon ruim vertegenwoordigd, met Léa Seydoux, de derde vrouw in zijn imposante carrière op wie Bond serieus verliefd wordt, maar ook met Naomie Harris als Moneypenny, Ana de Armas en Lashana Lynch. Opmerkelijk vond ik de verwijzingen naar ON HER MAJESTY’S SECRET SERVICE, de eerst keer dat Bond echt verliefd werd. Want de weg waarover ze rijden is toch dezelfde als toen? Het verschil is dat Seydoux niet kan tippen aan Diana Rigg en dat deze keer Blofeld niet overleeft en het meisje wel. Gewoon een Bond zoals er al zoveel zijn, alleen het slot wijkt af. Het Oscarwinnende titelliedje van Billie Eilish behoort overigens tot de beste die de reeks heeft voortgebracht. Ik kan niet wachten op de volgende, wanneer de opvolger van Craig, de nieuwe 007, een zwarte vrouw zal zijn. De reacties van de anti-woke brigade kun je nu alvast opschrijven, daar is geen fantasie voor nodig, en het zal me niet verbazen dat, als Wilders dan nog hier aan de macht is, de film hier verboden zal worden. Op de foto de Bond van het verleden samen met de Bond van de toekomst.

Dit schreef ik in 2003 over NOCE BLANCHE van Jean-Claude Brisseau uit 1989, toen ik hem op groot scherm zag tijdens het IFFR: Heb ‘m op video in de kast staan en vond hem erg mooi. Eens kijken of ie op het grote doek staande zou blijven, want het verhaal is een invuloefening: leraar valt op leerlinge, een erg intelligente maar labiele lolita. Ze is erg levenswijs voor haar leeftijd, emotioneel verwaarloosd en eenzaam. Zij bloeit op, maar hij laat zijn verstand spreken en keert terug naar zijn vrouw (die hem overigens niet terug wil). Ten slotte huurt ze een kamer waar ze uitzicht heeft op hem terwijl hij voor de klas staat, en op dat kamertje sterft ze in alle eenzaamheid en van eenzaamheid. Dat is pas ware liefde! Volmaakt gecast (Bruno Cremer & de debuterende Vanessa Paradis).

Lucienne (Stéphane Audran) is getrouwd met Paul, burgemeester van een klein stadje, een totaal met zichzelf ingenomen VVD achtig type, een verstandshuwelijk. Ze heeft een tienerdochter uit een eerdere relatie. Ze krijgt een hartstochtelijke relatie met Pierre (Michel Piccoli), de viceburgemeester, die getrouwd is met de chronisch zieke, bijna letterlijk levenloze Clotilde. Hoewel ze, bekend als ze zijn in de stad, natuurlijk nooit samen betrapt mogen worden, zoeken ze toch gevaarlijke, openbare plekken op, zoals op een keizerlijk bed in het plaatselijk historisch museum. Pierre geeft zijn vrouw opzettelijk teveel pillen. Wanneer Paul achter hun relatie komt, stemt hij ermee in, enthousiast zelfs, want hij denkt zo Pierre medeplichtig te kunnen maken aan schimmige corrupte zaakjes. Lucienne walgt zo van haar man dat ze Pierre overhaalt ook hem te vermoorden. LES NOCES ROUGES uit 1973 van Claude Chabrol baarde indertijd opzien, omdat de gebeurtenissen waarop de film gebaseerd is de Fransen nog vers in het geheugen lagen, en het leidde zelfs tot een politieke rel en uitstel van de première. Dat het zo ongeveer echt gebeurd was klinkt door in de film, omdat echte mensen andere beslissingen nemen en onvoorspelbaarder reageren dan de gemiddelde scenarioschrijver kan verzinnen, en daardoor steekt de film net uit boven het gemiddelde Franse misdaadverhaal uit die periode, maar dat ligt ook aan de kwaliteiten van Chabrol, Piccoli en Audran. Vreemde gewaarwording om bij het zien van het straatbeeld een vertrouwd, bijna melancholisch gevoel te krijgen, zoiets als “ja, zo was het toen”, terwijl ik toen nog nooit in Frankrijk was geweest. Te veel films uit die tijd gekeken, zeker.

Een verhaal in een verhaal dat het omhullende verhaal (het raam) spiegelt, becommentarieert of aanvult, zo construeer ik veel verhalen die ik schrijf. Maar nooit durf ik zo grimmig en meedogenloos te zijn als in de film NOCTURNAL ANIMALS van Tom Ford en met Amy Adams, Jake Gyllenhaal, Michael Shannon en Ellie Bamber (foto). Laat ik nu precies op het punt van het verhaal waarmee ik bezig ben gekomen zijn om het juist die kant op te sturen. Ik ben benieuwd of me dat gaat lukken.

Noot, enkele jaren later: Wil je het weten, of het gelukt is? Lees dan De Man Die Een Verkeerde Beweging Maakte.

Jordan Peele wilde met NOPE een groots opgezette film maken in de geest van zowel JAWS als CLOSE ENCOUNTERS OF THE THIRD KIND. Dus in deze horror gaat het om een gigantische buitenaardse kwal die zich in een wolk schuilhoudt, als het honger heeft tevoorschijn komt en alles wat leeft opvreet. Net als in zijn vorige, eveneens uitstekende films GET OUT en US verbindt hij er een maatschappelijk relevant thema aan, namelijk exploitatie, van kinderen in de showbizz en van dieren in het algemeen. Dat wordt ons duidelijk gemaakt via de zij-plot van de sitcom waarin een chimp tijdens de opnames berzerk wordt en een bloedblad aanricht. Alleen het kindsterretje van de sitcom overleeft. Eenmaal volwassen bouwt hij een pretpark naast het land van de paardentrainer OJ (Peele's vaste acteur Daniel Kaluuya). Juist daar houdt de wolk met de kwal zich op. Het voormalig kindsterretje ziet een mogelijkheid de kwal te exploiteren, er een attractie van te maken, getraumatiseerd als hij is herleeft hij voortdurend zijn kinderjaren. De paardentrainer weet door zijn kennis van dierengedrag en omgang met dieren het gedrag van de kwal te doorgronden. Samen met zijn zus Em (Keke Palmer) en met hulp van een installateur van camerasystemen en een cameraman gaat OJ de strijd aan. De film is spannend, uiterst goed gemaakt, met oog voor wetenschap, tot in de kleinste details doordacht en uitgewerkt, en de personages ontstijgen de horrorclichés net voldoende om hen tot leven te wekken. De introverte OJ tegenover zijn extreem extraverte zus Em zetten is weinig origineel, maar de interactie tussen hen is geloofwaardig en het werkt. Al met al uitstekend vermaak, met subliem camerawerk van Hoyte van Hoytema, maar toch de mindere van Peele’s drie films.

Met boekverfilmingen komt altijd de vraag op welke beter is, het boek of de film, maar bij NORWEGIAN WOOD van Trần Anh Hùng uit 2010 rijst de vraag: is de film wel te begrijpen voor mensen die het boek van Murakami niet gelezen hebben? In elk geval zaten bij de persvoorstelling allemaal mensen die het boek hadden gelezen en de film prachtig vonden en zich afvroegen of... En het was heel leuk om Kikuchi Rinko (hier in de rol van Naoko) weer te zien, het meisje uit het mooiste deel van BABEL.

In NOT ONE LESS (YI GE DOU BU NENG SHAO) uit 1999 van de Chinese topregisseur Zhang Yimou moet de onderwijzer van een dorpsschool een maand weg, en wordt de dertienjarige Wei aangesteld als vervanger. Zij moet hem beloven dat zij ervoor zorgt dat bij zijn terugkomst niet 1 van de kinderen ontbreekt. Al snel is de tienjarige Huike echter weg, naar de stad om geld te verdienen voor zijn familie. Wei reist hem achterna om hem terug te halen. Hoewel inmiddels een beetje vergeten binnen het oeuvre van Zhang over de hele linie prachtige, ontroerende cinema die een plek verdient tussen zijn topfilms. Hoewel hoofdrolspeelster Wei Minzhi een prachtige rol neerzet zal het haar enige verschijning op het witte doek blijven.

Bij de première van MELANCHOLIA in Cannes kondigde de Deense regisseur Lars von Trier op zijn bekende provocatieve manier aan dat zijn volgende film een porno zou worden, met in de hoofdrol Charlotte Gainsbourg, die naast hem zat en van niets wist. NYMPH()MANIAC (2013) werd het, een film die vanwege de lengte van meer dan vijf uur in tweeën gehakt werd, maar waarom Part 1 gevolgd wordt door Vol. II is me verder een raadsel. De oudere man Seligman (Stellan Skarsgård) vindt voor zijn huis een zwaar gehavende vrouw, die Joe blijkt te heten (Charlotte Gainsbourg). Hij neemt haar mee naar zijn woning en verzorgt haar. Zij vertelt hem haar levensverhaal, om te bewijzen dat zij een slecht mens is. Zij is namelijk nymfomaan. Elke episode, allemaal een aspect van de vrouwelijke seksualiteit behandelend, wordt door Seligman, zelfverklaard aseksueel en maagd, in een buitenseksueel kader geplaatst van filosofische, religieuze, muzikale, maatschappelijke, ethische en wetenschappelijke beschouwingen, tot aan een verhandeling over vliegvissen toe. De film lijkt wel een variant op Catherine Breillats ROMANCE uit 1999 waarover de inhoud van het boek Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter gekiept wordt. Ondanks dat de film vol zit met zeer expliciete seks is het een zeer cerebrale film geworden, die alleen tot het intellect doordringt, maar het hart en het onderlichaam totaal onberoerd laat. Wel kan Von Trier het natuurlijk niet nalaten de personages als het even kan te vernederen en de kijker te choqueren. Omdat de actrices (Gainsbourg en Stacy Martin, die haar jongere versie speelt) pertinent weigerden in de film seksuele handelingen te verrichten, koos Von Trier ervoor stand-ins te gebruiken, porno-actrices over wie met behulp van CGI het lichaam van de echte actrices geprojecteerd werd. Dat is heel knap gedaan. Martin zei later het onwerkelijk te vinden zichzelf op het scherm gepenetreerd te zien worden terwijl ze tijdens de opnames ondergoed had gedragen. Verder met oa Shia LaBeouf, Mia Goth, Uma Thurman, Christian Slater, Connie Nielsen, Willem Dafoe en in een gastrolletje als ober Udo Kier. Er worden wel degelijk vaak interessante en verrassende verbanden gelegd en ik snap Von Triers poging de vrouwelijke seksualiteit in een soort universeel perspectief te plaatsen, maar zijn weigering om het hart aan te spreken (om maar te zwijgen van het onderlijf, toch een voorwaarde als je zoals je zelf zegt een pornofilm maakt) zorgt ervoor dat de film je geen moment beroert. Wat overblijft is een intellectuele dissertatie van kennisoverdracht, op momenten zelfs langdradig en saai. Ik zag overigens de director’s cut, dus niet de gekuiste versie die hier de bioscoop haalde.

De verstilde poëzie, het idyllische verleden in Saigon van het wondermooie L'ODEUR DE LA PAPAYA VERTE (MÙI DU DU XANH) van Trần Anh Hùng, met in de hoofdrol zijn prachtige vrouw Tran Nu Yên-Khê, staat in schril contract tot de film die hij hierna maakte:  XÍCH LÔ (CYCLO) in hedendaags Hồ Chí Minh Stad (zoals Saigon sinds de hereniging heet): lawaaierig, gewelddadig en chaotisch.

Zie ook bij À LA VERTICALE DE L'ÉTÉ.

In OF FREAKS AND MEN, een Russische film uit 1998 van Alexei Balabanov zien we twee rijke families in het Petersburg aan het begin van de 20e eeuw ten onder gaan aan decadentie en sm-afbeeldingen, eerst op foto, later als filmpjes. Opzettelijk zeer ouderwetse karikaturale acteerstijl in sepiatinten. Absoluut onvergelijkbaar met Balanabovs vorge film BRAT. Het is een hybride film geworden die je maar 1 keer kunt maken omdat je je anders belachelijk maakt. Heerlijk om naar te kijken.

Een grote Amerikaanse agro-chemische multinational wordt geleid door Tilda Swinton. Ze wil het bedrijf een milieuvriendelijk en duurzaam imago geven, nu ze het stokje heeft overgenomen van haar psychopathische tweelingzus (ook Swinton) en hun nog psychopatischere vader. Ze introduceert een ras van supervarkens, die in verschillende landen de kans krijgen zich te ontwikkelen en na tien jaar zal de beste worden gekozen. Eentje komt in Zuid-Korea terecht bij een keuterboertje hoog en afgelegen in de bergen, waar het beest, genaamd Okja, een speciale band krijgt met de kleindochter Mija (Ahn Seo-hyun). Ze groeien als het ware samen op in een idyllische omgeving. Maar dan haalt de multinational zijn ‘bezit’ terug. Het meisje beweegt hemel en aarde, reist die aarde zelfs rond, om Okja terug te krijgen en krijgt daarbij hulp van het Animal Liberation Front. OKJA van de gevierde regisseur Bong Joon Ho (MEMORIES OF MURDER, SNOWPIERCER, THE HOST, PARASITE, MOTHER) is een hybride film. Een jeugdfilm, een ecothriller, een komedie, een aanklacht tegen multinationals die niets geven om milieu en welzijn, alleen om imago dmv greenwashing, en dollars, en een ode aan ongereptheid, of het nu natuur is, de eenvoudige manier van leven of de onvoorwaardelijke liefde van een 14-jarig meisje voor haar huisdier. Dat zit elkaar wel eens in de weg, maar iedereen die na het zien van deze film nog vlees eet heeft ofwel geen hart ofwel is een hypocriet. Maar waarom die supervarkens helemaal niet op een varken lijken maar meer op een oversized en vriendelijk nijlpaard is me een raadsel. Veder met een topcast van Jake Gyllenhaal (de enige miscast), Steven Yeun, Paul Dano, Lily Collins, Giancarlo Esposito, vaste Bong acteur Yun Je-mun en Shirley Henderson (hé, zien we haar ook weer eens!).

In de Nigeriaanse film ÒLÒTŪRÉ is het titelpersonage een journalist die undercover gaat in de wereld van prostitutie en mensenhandel en ze dreigt zelf slachtoffer te worden. Anders dan bij Holly- en Bolly-wood kijk je Nollywoodfilms niet voor de acteerprestaties of voor de ingenieuze plots of ter escapistisch vermaak. Je kijkt ze omdat ze vaak maatschappelijke misstanden aankaarten die in een groot deel van Afrika spelen, ondanks de gigantische cultuurverschillen in de afzon-derlijke regio’s en landen. Ze zijn dan ook in eerste instantie bedoeld voor de interne markt, voor de “gewone” mens, maar kijkers van een ander continent krijgen wel een inkijkje in een land en cultuur, en in dit specifiek geval, de mechanismes achter mensenhandel. Òlòtūré betekent uithoudingsvermogen. Het einde was een beetje plots en onaf, maar ik begrijp dat er binnenkort een vervolg komt.

Sommige films hebben een heel specifieke leeftijd uit een heel specifiek tijdsgewricht als doelgroep. Zo zijn de Karl May verfilmingen alleen geschikt voor jongens die 10 of 11 waren ergens in de jaren zestig en zeventig. Aan hedendaagse jongens van die leeftijd zijn de films niet besteed en de mensen die de films nu waarderen zijn dus de 55 inmiddels gepasseerd. Ik behoor tot deze groep en uit nostalgische overwegingen kijk ik er nog wel eens eentje, maar op een enkele uitzondering na (vooral DER SCHATZ IM SILBERSEE en die met WINNETOU in de titel) zijn deze films tegenwoordig niet meer te pruimen. Te gammel, te simpel, te flauw, te ondoordacht, te oubollig. Maar goed, Netflix heeft DER ÖLPRINZ op het platform gedumpt, eentje met Stewart Granger als Old Surehand en Pierre Brice als Winnetou. Ik heb maar 1 tip: niet kijken.

Mijn laatste Ian MacEwanverfilmingfilmstill komt uit ON CHESIL BEACH uit 2017 met Billy Howle en wederom (na haar debuut in zijn verfilming ATONEMENT) Saoirse Ronan. Het is begin jaren zestig. Direct vanaf het altaar zijn Edward en Florence op huwelijksreis gegaan, naar een hotelletje aan de kust. We zijn daar als we via flashbacks hun leven leren kennen, hun achtergrond en hoe hun liefde zich ontwikkeld heeft. Florence is een ambitieuze violist en groeit op in een upper middle class milieu met verschrikkelijke ouders maar wel een vriendelijk zusje; Edward komt uit een plattelandsmilieu, heeft twee zusjes (een tweeling), een moeder die haar verstand is kwijt-geraakt doordat een treindeur tegen haar hoofd is geklapt en een zachtaardige vader. Edward en Florence willen op hun hotelkamer hun huwelijk consummeren, maar hebben allebei geen enkele ervaring en dingen lopen niet zoals verwacht. Zowel het boek als het scenario is van Ian McEwan, en dan weet je dat het allemaal erg ongemakkelijk kan worden. Zo ook nu. De personages worden met veel compassie geportretteerd en er wordt uitstekend geacteerd (hoe kan het ook anders met Saoirse Ronan) maar het blijft allemaal te keurig binnen de lijntjes en het geheel plaatsen binnen de tijdsgeest, toen over seks praten nog een absoluut taboe was, wordt niet al te overtuigend in de film verwerkt. Het blijft een erg droevige film over gemiste kansen die de rest van je leven bepalen. Net dat ene ding dat je wel of niet doet, wel zegt of juist verzwijgt. Ik ken dergelijke momenten, ik heb er zelf over geschreven. Onnodig om te zeggen dat de tederheid, de diepte en het gevoel van verlorenheid van het boek niet gehaald wordt. Desondanks is de film absoluut de moeite waard.

Zie ook ATONEMENT, THE CEMENT GARDEN, THE CHILD IN TIME, THE CHILDREN ACT en THE COMFORT OF STRANGERS.

De als altijd uitstekende Robert Ryan is geknipt voor de rol van politieagent Jim Wilson die de ellende waarmee hij dagelijks geconfronteerd wordt niet kan verwerken en cynisch wordt en te agressief optreedt in Nicholas Ray’s ON DANGEROUS GROUND uit 1951. Een soort Dirty Harry avant la lettre, dus. Hij woont alleen, in tegenstelling tot zijn directe partners, die vrouw en kinderen hebben en na de dienst het werk het werk laten. De baas stuurt hem ter afkoeling naar het besneeuwde platteland, waar een moord gepleegd is. De vader van het vermoorde meisje heeft gezworen de dader eigenhandig om te brengen. De dader is een jongeman die psychiatrische hulp nodig heeft. Diens zus Mary (de als altijd uitstekende Ida Lupino) is blind en smeekt Wilson haar broer te beschermen tegen de wraakzuchtige vader. Het is me niet duidelijk waar de titel betrekking op heeft. Is het de grote misdadige stad die de politieagent de wet doet overtreden? Is het het platteland, waar de kou voor helderheid zorgt en de cynische agent eindelijk gevoelens krijgt voor een ander, een hulpeloze vrouw, voor hem inderdaad onontgonnen en dus gevaarlijk terrein? Of is het heel letterlijk de besneeuwde rotsachtige klif waarover de jonge dader tracht te vluchten? Het eerste deel film noir, het tweede deel neigt naar melodrama, maar altijd een prima film, want iets anders hoeven we van Nicholas Ray niet te verwachten. Toch?

ONCE WERE BROTHERS gaat over de geschiedenis van The Band, maar dan helemaal vanuit het perspectief van Robbie Robertson. Dat is een eenzijdige blik, zeker gezien de later ontstane verwijdering tussen boezemvrienden Robertson en Helm, maar niet verwonderlijk omdat Richard Manuel, Rick Danko en Levon Helm inmiddels zijn overleden en Garth Hudson bepaald geen persoon is die graag de schijnwerpers opzoekt. Hierdoor lijkt het wel alsof de band ophield te bestaan na de afscheidsconcertfilm THE LAST WALTZ, terwijl de band later heropgericht werd door Helm, met de anderen maar zonder Robertson. Geen woord over die periode. Niettemin een fascinerend portret van een van de meest fascinerende bands uit de popgeschiedenis en, hoewel geen niet al bekende feiten aan het licht komen, een niet te versmaden overzichtsdocu.

 In ONE TAKE ONLY (aka SOM AND BANK: BANGKOK FOR SALE) van Oxide Pang, nu zonder zijn broer Danny, met wie hij een jaar eerder het veel succesvollere BANGKOK DANGEROUS maakte, houden jongeren zich in leven als drugskoerier of hoer in verveeld Bangkok. We volgen een jongen en een meisje die verliefd op elkaar worden. Love story annex misdaadverhaal dat al erg vaak verteld is. De sympathieke hoofdpersonages maken het niettemin een plezierige film. Grote pluspunt is de vormgeving met flitsende montage en enkele erg mooie effecten die het verhaal meerwaarde geven.

Lang geleden belde een vriend mij op. Zijn zoon had interesse in filmmaken en of ik met hem een videoclip of korte film wilde maken. Ik wilde wel maar had niet meer de beschikking over de apparatuur van Perron55_ (het culturele podium waar ik werkte), die verkocht was. Hij besloot verder te zoeken, wat jammer is want anders was ik een voetnoot geweest in de cv van deze zoon, Jim Taihuttu, regisseur van onder andere DE OOST. De film gaat over de zogenaamde politionele acties en laat zien hoe vreselijk de Nederlanders daar hebben huisgehouden. Ik schreef eens over de film LEBANON: “De gruwelen die Israël daar in de jaren 70/80 heeft aangericht zijn zo hemeltergend dat het verwerkingsproces nu pas op gang begint te komen. Wij Nederlanders wachten al vijftig jaar op de eerste films over de politionele acties. Wat moet daar toch allemaal gebeurd zijn?” Met deze film krijgen we een goed beeld. De film klopt in elk opzicht: regie, spel, enscenering, camerawerk, psychologie, opbouw, en met geweldige muziek van vader Gino Taihuttu. Nu hebben we ons eigen LEBANON, ons eigen APOCALYPSE NOW, ons eigen IDI I SMOTRI. Opmerkelijk dat wat ik tussen 2015 en 2018 in mijn roman De Lange Schaduw Van Een Geboorte schreef over de ervaringen van stamvader Chris tijdens de politionele acties, naadloos aansluit bij de gruwelen die we hier te zien krijgen. Opmerkelijk, want ik putte puur uit mijn fantasie. Misschien kan ik alsnog een voetnoot in Jim Taihuttu’s cv worden als hij besluit een van mijn verhalen of romans te verfilmen.

Naar aanleiding van Gena Rowlands’ overlijden haalde ik een film met haar uit de kast. De keuze viel op OPENING NIGHT. Ze speelt de gevierd actrice Myrtle Gordon die voor haar ogen een obessieve fan, een zeventienjarig meisje, overreden ziet worden. De dag erna leest ze in de krant dat het meisje overleden is. Myrtle zit in een stuk waar ze geen binding mee kan krijgen omdat ze een oudere vrouw moet spelen en moeite heeft met haar eigen ouder worden. Als het overleden meisje ook nog aan haar begint te verschijnen raakt Myrtle snel de controle over zichzelf kwijt en gaat zwaar drinken, wordt wispelturig en verschijnt niet op repetities of begint op het podium af te wijken van het script, of verschijnt stomdronken. Rowlands’ man John Cassavetes schreef en regisseerde de film en speelt haar tegenspeler in het stuk, vaste Cassavetes-acteur Ben Gazzara speelt de regisseur, veteranen Paul Stewart de producent en Joan Blondell de schrijfster van het toneelstuk in deze sterke, hoewel iets te lang durende ( 2 ½ uur), grimmige, typische Cassavetes vol beweging en extreme close-ups, ensceneringen en acteerwerk die geïmproviseerd lijken maar nauwkeurig gescript zijn, met fantastisch spel van iedereen maar natuurlijk vooral van Gena Rowlands, die kracht met kwetsbaarheid combineert, twijfel met vastberadenheid en hysterie met totale zelfcontrole. Andere vaste Cassavetes-acteurs Fred Draper en Lady Rowlands (de moeder van) spelen mee in bijrollen, terwijl Peter Falk en Seymour Cassel een cameo krijgen. Ook Peter Bogdanovich maakt nog even zijn opwachting. Pedro Almodóvar zal later de scène met het ongeluk kopiëren in TODO SOBRE MI MADRE.

Virginia Woolf schreef Orlando als een verzonnen biografie van haar vriendin Vita Sackville-West die, toen ze het gelezen had, vol bewondering uitriep dat het boek haar beter beschreef dan haar leven. In 1992 waagde Sally Potter zich aan de verfilming van het boek, over het personage Orlando dat vier eeuwen overbrugt en waarin hij halverwege in zij verandert. Ik kan me niemand anders voorstellen dan Tilda Swinton om deze rol te spelen, en Sally Potter dacht er hetzelfde over. En terecht: Swinton is briljant en sleept je de hele film mee. ORLANDO gaat in essentie over de vraag wat de mens mens maakt, waarvoor de verschillende omstandigheden van het individu in verschillende tijdsgewrichten en op verschillende plaatsen in Europa, en thema’s als dood, poëzie, politiek en geboorte bepalen in hoeverre je beschikt over je eigen lot, waarbij het ook nog uitmaakt of je man bent of vrouw. Niet alleen is de film inhoudelijk rijk, ook de aankleding van Ben van Os en Jan Roelfs is overdadig en rijk, en de ensceneringen een lust voor het oog. Potter benut ook haar andere talenten ten volle: voordat ze films ging regisseren was ze choreograaf, wat we heel duidelijk zien in hoe de personages in de ruimte geplaatst worden en hoe ze bewegen, en was ze als muzikant actief (waar ik haar oorspronkelijk van ken). Samen met Paul Motion schreef ze de fantastische soundtrack (met medewerking van coryfeeën als Fred Frith, David Bedford en Lindsay Cooper). En een klein rolletje voor saxofonist Lol Coxhill. Jimmy Sommerville speelt een engel en zingt, hoewel ik vind dat Potters eigen stem er minstens net zo geschikt voor zou zijn. (zie ook: VITA & VIRGINIA.)

In OTESÁNEK, een Tsjechische animatiefilm uit 2000 van Jan Svamkmajer lijdt een echtpaar eronder dat het geen kinderen kan krijgen. Als troost maakt de man uit een boomstam een zoon. Wanneer de boomstam tot leven komt zijn de poppen aan het dansen, want zijn vraatzucht is grenzeloos. Hoewel boeiend en lekker morbide op het perverse af blijft de film te veel op een idee hinken. Geef mij ALICE maar.

Een voormalige privédetective (Robert Mitchum) runt, onder een nieuwe naam, een tankstationnetje in een onbeduidend dorpje, maar wordt ingehaald door het verleden, toen hij in dienst van een crimineel (Kirk Douglas) diens vriendin (Jane Greer) moest opsporen. Dat deed hij maar in plaats van haar terug te brengen vluchtten ze en beleefden een vurige romance, totdat zij verdween. Nu, jaren later, heeft de crimineel hem opgespoord en dwingt hem een nieuwe opdracht uit te voeren en hem zo in een val te laten lopen. En, hé, wie duikt daar weer op? Jawel, hoor. OUT OF THE PAST, van Jacques Tourneur uit 1947, ook wel BUILD MY GALLOWS HIGH geheten, naar het boek waarop het gebaseerd is, is een vroege film noir bij uitstek, en een uitstekende, die mede de definitie heeft bepaald van het genre, voor zover het een genre is. Zo'n film die je zo nu en dan met veel plezier opnieuw kijkt, bij voorkeur 's avonds laat. De film betekende de doorbraak voor Robert Mitchum.

In OUT OF TIME (2003) speelt Denzel Washington Matt Whitlock, een goedgelovige en weinig ambitieuze sheriff op een van de Florida Keys. Hij staat op het punt om te scheiden van Alex (Eva Mendes), die wel meer wil en rechercheur in Miami is geworden, en hij heeft een stiekeme relatie met Ann Merai (Sanaa Lathan), die getrouwd is met Chris, een agressieve ex-sporter (Dean Cain). Zij heeft echter kanker en hij steelt in beslag genomen drugsgeld uit de politiekluis voor haar behandeling. Wanneer het huis van Anne Merai en Chris uitbrandt, twee verkoolde lijken worden gevonden en het opzet blijkt, weet Matt dat alles naar hem zal wijzen en hij moet zich tot het uiterste inspannen om de zich opstapelende sporen in zijn richting weg te werken voordat Alex, die op de zaak gezet is, ze ontdekt. Hoe hij dat klaarspeelt, meer dan of hij het klaarspeelt, bepaalt de voortgang van de film (en de titel). Het is een gelikte politiefilm met neo-noir elementen geworden, met prettige acteurs, er zit vaart in en, zoals gebruikelijk in dit soort Hollywoodfilms, een enorme plottwist. Niet bijzonder, maar je verveelt je niet. Als de slonzige komische sidekick zien we John Billingsley (dokter Phlox in Star Trek: Enterprise) als patholoog-anatoom. De eindscène, een geforceerd happy ending, verziekt echter met terugwerkende kracht al het popcornplezier dat je aan de film hebt beleefd.

Vanwege het overlijden deze week van de Hongaarse regisseur Béla Tarr trok ik een dvd uit de kast met een vroege film van hem die ik nog niet gezien had. THE OUTSIDER (SZABADGYALOG) speelt zich eind jaren zeventig af en concentreert zich op András, een ambitieloze jongeman die viool speelt, werkt als verpleger, ontslagen wordt vanwege zijn alcoholgebruik, en in een draadstaalfabriek terecht komt, en uiteindelijk diskjockey wordt in een treurig buurtcentrum. Hij heeft een pasgeboren zoon bij een vrouw die hem afwijst. Hij is de beroerdste niet maar het is de rode draad in zijn leven: afgewezen worden (vrouwen) en weggestuurd worden (werk, conservatorium). Hij krijgt een relatie met Kata, ze trouwen maar vanwege geldproblemen en zijn passiviteit loopt dat ook niet bepaald op rolletjes. Op de bruiloft is er geen gezicht te zien waar een glimlach vanaf kan. András’ beste vriend overlijdt tijdens de bruiloft aan een overdosis. De priester zegt op de begrafenis: “Doordat hij zo jong gestorven is blijft hem tenminste een zwarte toekomst bespaard.” Ten slotte wordt András opgeroepen voor militaire dienst. De titel slaat minstens net zo op de plek die de film inneemt in Tarrs oeuvre als op het hoofdpersonage. De film is opgenomen in kleur, hoe vaal ook, en werkt vooral in close ups; een typisch grauwe Oostblokfilm. Tarr heeft zijn eigen stijl nog niet gevonden, geen magnifieke zwart-wit totalen, geen tijd die bevroren lijkt. Wat me opvalt is de gelijkenis met mij en de mensen om me heen uit die tijd: hetzelfde lange haar, scheiding in het midden, baard, soms woest zoals bij András’ broer, en dezelfde lamlendigheid: No Fun, No Future. Dat leefde dus net zo in het Oostblok als in het westen.

Maak jouw eigen website met JouwWeb